1. Op de bladzijde Mid-week 2, van het dagblad voor Zuid-West Nederland BNDe Stem van woensdag 28 mei 2003 staat het artikel « Evolutieleernog altijd omstreden ». Dit artikel bevat een aantal feitelijke onjuistheden van(natuur)wetenschappelijke aard.
2. In de (natuur)wetenschappen noemt men een leer dát geheel vanstellingen, die onomstotelijk vaststaan, waarvoor gedurende langere tijd legio bewijzenwerden geleverd, en waarvoor geen tegenbewijzen be-kend zijn. Zo spreekt men vanelectriciteitsleer, sterkteleer, e.d. Men spreekt van een theorie als het geheel van stellingen(nog) niet onomstotelijk vaststaat. Het is van groot belang in te zien, dat slechtséén tegenbewijs voldoende is om de geldigheid van een theorie, die bijna aanvaardis als leer, definitief te torpederen. Slechts één tegenbewijs volstaat om eenplausibele theorie te moeten verlaten. Men aanvaardt als (tegen)bewijs allééndatgene, wat uit waarnemingen en experimenten vaststaat.
3. Het probleem met de evolutietheorie (ook evolutiemodel genoemd) is, dat dit model infeite een conglomeraat van theorieën is uit meerdere wetenschapsgebieden. Voor eendegelijke bespreking moet men eerst vaststellen over welk vakgebied men het heeft, wat in datvakgebied onder evolutie wordt verstaan, en in welke andere vakgebieden die definitie ook geldt,wil het gebodene in een artikel wetenschappelijk zinvol zijn. Men moet verder per vakgebied nagaanof er bewijzen, dan wel tegenbewijzen, zijn voor de evolutietheorie van dat betreffendevakgebied.
4. Het werk van Darwin kan mogelijk in zijn dagen als een grote wetenschappelijke(biologische) prestatie zijn gezien, heden kan geen enkele (micro)bioloog, die zijn vak verstaat,dat nog bijtreden. De huidige kennis van de microbiologie, de genetica, en de wiskundige statistiekhebben de absolute onhoudbaarheid van Darwins theorieën aangetoond. Biologische evolutie, teverstaan als het ontstaan van nieuwe genetische soorten (met nieuwe erfelijkefactoren) door omgevings- dan wel toevalsinvloeden en door natuurlijke selectie, bestaat niet.
5. Experimenteel is biologische evolutie nooit vastgesteld, terwijl de mensheidtoch al vele duizenden jaren ervaring heeft met het fokken van dieren en het kweken van planten.Het is in die, zeg 4000 jaar, nimmer door experimenten bevestigd, dat er bij het fokken enkweken (onder invloed van toevallige en omgevingsfactoren en door natuurlijke selectie) nieuwegenetische soorten ontstaan. Alle experimenten beves-tigen, dat er slechts variaties van bestaandesoorten ontstaan, en dat is geen evolutie.
6. De moderne biogenetica heeft aangetoond, dat de uitspraak 'de mens stamt af van deaap' onzin is. Het DNA van beide soorten verschilt zo veel, en is zo complex, dat deze tweeDNA's niet door de mens, niet met menselijke middelen, niet door toevallige enomgevingsinvloeden, niet door natuurlijke selectie, in elkaar zijn om te zetten. Elkebiologische soort heeft een specifiek en stabiel DNA, dat altijd (voor zo lang onze waarnemingenstrekken) zó is geweest, en niet anders.
7. Om nu toch de evolutietheorie plausibel te houden, en het vanzelf ontstaan van nieuwebiologische soorten te kunnen verklaren, voerde men een nieuw begrip in, de zg. 'zelfordeningvan de materie' of 'de zelforganisatie van de materie'. Er zijn nog andere termen voor,maar het komt allemaal neer op de aanname van 'een geheimzinnige inner-lijke drijvendekracht' waardoor de materie tot leven komt, en het leven zich vanzelf ontwikkelt tot steedshogere vormen.
8. Echter, deze innerlijke drijvende kracht is natuurwetenschappelijk nietaangetoond, ja, is niet aan te tonen, niet in de biologie, niet in de fysica, niet in de chemie. Deaanname van het bestaan van die drijvende kracht behoort dan ook niet meer tot denatuurwetenschappen, want het is een aanname, die de natuurwetenschappen overstijgt, en die inwezen een wijsgerige, ja, theologische, aanname is. Men verlaat dan het gebied van de zuiverenatuurwetenschappen, waar men de feiten experimenteel kan vaststellen, en door proeven kancontroleren (denk aan de electriciteitsleer: dat de leer juist is, kan iedereen zien, die delichtknop omdraait).
9. De innerlijke drijvende kracht maakt nu 'mogelijk' wat (in het verleden en in onzedagen) experimenteel niet kan worden aangetoond. Men komt dan echter op speculatiefterrein, want, omdat men heden die innerlijke drijvende kracht niet kan aantonen, verlegt menhet optreden er van naar het verleden. Men neemt immers aan, dat de nieuwe bio-logische soortenin het verre verleden gedurende miljoenen jaren wèl zijn ontstaan. Maar niemand waser bij, niemand kan dat bevestigen. Er zijn geen waarnemingen uit die dagen. En, geen enkel(ons bekend) biologisch experiment strekt zich uit over meer dan maximaal enige honderdenjaren.
10. Wat er in het verre verleden ook mag zijn gebeurd, het is - volgens onze hedendaagsewetenschappelijke maatstaven - niet waarneembaar, en niet door experimentencontroleerbaar. Als de innerlijke drijvende kracht in het verleden werkzaam is geweest, en erinderdaad destijds langs evolutieve weg nieuwe biologische soorten zijn ontstaan, waarom is datvandaag-de-dag dan niet ook nog het geval ? Want er zijn geen recente waarnemingen die ditzouden kunnen bevestigen.
11. Daarom is het ontstaan door evolutie van nieuwe biologische soorten in dat verreverleden niet wetenschappelijk te bewijzen. Men poogt dit wel steeds aannemelijk te maken,maar harde bewijzen ontbreken geheel. Harde bewijzen kunnen niet geleverd worden, omdatwaarnemingen en experimenten ontbreken. Er zijn in feite meer wetenschappelijke indicaties van hetniet bestaan van evolutie, dan van het wel bestaan. Het hoge woord moet er uit: Het aannemen vanhet bestaan en de werkzaamheid van een innerlijke drijvende kracht, die in het verre verledengedurende miljoenen jaren voor de evolutie van nieuwe biologische soorten heeft gezorgd, is eengeloof.
12. Er zijn andere deelgebieden van wetenschap naast de biologie, waarin deonmogelijkheid van het bestaan van evolutie eveneens - voor dat deelgebied - is aangetoond. Tweevoorbeelden. Zo heeft de wiskundige demografie bewezen, dat de extreem langeontwikkelingstijden van het menselijk geslacht van honderduizenden en meerdere miljoenen jarenonmogelijk zijn. De demografie berekent, dat de huidige mens nooit langer dan maximaal enigetienduizenden jaren op aarde kan hebben rondgelopen.
13. Biologische evolutie houdt in de ontwikkeling van eenvoudiger naarmeer gevariëerd, van simpel naar complex. Maar de vergelijkende linguïstiek(taalkunde) heeft aangetoond, dat de spreek- en schrijftalen, die de mensheid gebruikt (heeft),zich ontwikkelen van meer complex naar meer eenvoudig. De talen, die 3000 jaar geleden in gebruikwaren, vertonen een complexere structuur dan onze moderne Westerse talen, het tegengestelde vanevolutie dus.
14. Ieder, die in (biologische) evolutie 'gelooft', er in blijft geloven, ondanks sommige(natuur)wetenschappelijke indicaties van het tegen-deel, moet beseffen, dat het werkelijk een geloof is, wat (natuur)wetenschappelijk niet te funderen is. En zo komt men op hetterrein van de wijsbegeerte en de theologie. En zo komt men ook op de controverse creatie ofevolutie. Heeft de innerlijke drijvende kracht de mensheid voortgebracht, of heeft (de externe)God de mensen geschapen ? Maar dat is geen natuurwetenschap meer. Dat is het gebied van hetgeloof, van het geloven, van de godsdienst, zo u wilt !
15. En zoals er christenen zijn met hun opvattingen over creatie, en Joden met hungedacht daarover, en moslims met weer een wat andere opvatting, en boeddhisten, enhindoeïsten, en shintoïsten, en, wat niet al meer, elk met hun eigen, al stokoude,ideeën over het ontstaan en het doel van de mensheid, zó kennen wij nu ook een jongeregeestelijke stroming, die men evolutionisme kan noemen.
16. Christenen, Joden en moslims nemen een externe oorzaak, een externe drijvendekracht, aan, om het ontstaan van de mensheid te verklaren, welke God, Jahweh of Allah wordtgenoemd. Zij geloven in creationisme. Het evolutionisme daarentegen houdt het op eeninnerlijke drijvende kracht van de materie en de levende wezens. En nog modernere,geestelijke stromingen (nog moderner dan Darwin en zijn neo-darwinistische volgelingen), zoals hetNew-Age-denken (en alles wat daarmede verwant is), houden het op een nog algemenere vorm van deinnerlijke kracht en 'vergoddelijken' de kosmos (het al), 'vergoddelijken' de mensen, om dechristelijke term 'vergoddelijken' te gebruiken bij gebrek aan een betere.
17. Wij gunnen iedereen, christenen, Joden, moslims, boeddhisten, evolutionisten,neo-darwinisten, New-Agers, en zo voort, elk hun eigen opvattingen over het ontstaan en deontwikkeling van de mensheid. En laat ieder van hen vooral proberen aan te tonen, dat zij de enigenzijn, die (wijsgerig en theologisch) gelijk hebben. Misschien lukt dat een van hen vroeg of laatwel. Maar wil men alsjeblieft niet de natuurweten-schappen voor een karretje spannen watniet het hare is ?!
18. In de natuurwetenschappen kan geen enkele vorm van een innerlijkedrijvende kracht, hoe dan ook te verstaan, worden aangetoond. De aanname daarvan is zuiver eengeloof (zonder natuurwetenschappelijke grond). Volledigheidshalve moet worden gezegd, dat deaanname van een externe drijvende oorzaak (God, Jahweh, Allah) al evenzeer een zuiver geloofis. Ook voor het creationisme geldt, dat waarnemingen uit het verleden en bevestigende experimentenvan creatie, ontbreken. Maar dit geloof is niet in strijd met denatuurwetenschappen.
19. Anders uitgedrukt: Het creationisme is in zich niet strijdig met denatuurwetenschappen. Het evolutionisme, en de andere ismen, met een innerlijke oorzaak, wèl, ten eerste omdat die 'innerlijke oorzaak' natuurwetenschappelijk niet bestaat enhet evolutionisme er wèl gebruik van maakt (terwijl de creationist met zijn externe oorzaakbuiten de natuurwetenschappen blijft), ten tweede omdat betrouwbare waar-nemingen en bevestigendeexperimenten (van wat evolutief gebeurd zou kunnen zijn) ontbreken (maar dat geldt ook voor decreatie door een Schepper-God), ten derde omdat er in meerdere deelvakgebieden enige tegenbewijzentegen evolutie bestaan (en één tegenbewijs is voldoende om de gehele theorie teverwerpen).
20. Evolutionisten en creationisten willen gewoonlijk geen neutraal standpunt innemen("wij weten niet wat de oorzaak van het ontstaan van de mensheid is"). In de praktijk willensommige aanhangers van de theorie van de innerlijke oorzaak hun mening nog al eens met krachtopdringen aan natuurwetenschappers. In feite is het aannemen van het bestaan van evolutie eenoordeel vooraf, dat van buiten de natuurwetenschappen aan die wetenschappen wordt opgelegd.De evolutionist moet immers wel een innerlijke oorzaak aannemen, omdat hij een externeoorzaak van tevoren afwijst (populair gezegd: evolutionisten willen niets van een scheppendeGod weten). Evolutionisten, die pressie uitoefenen op natuurwetenschappers, eisen in feite van dienatuurwetenschappers, dat zíj maar voor de nodige bewijzen moeten zorgen.
21. Creationisten en evolutionisten blijven beiden zoeken naar bewijzen voor hunopvattingen. Dat mag, en is gezond, maar laat men daarbij duidelijk onderscheid maken tussende natuurwetenschappen enerzijds, en de wijsbegeerte en de theologie anderzijds. En laat men vooralvermijden argumenten uit het ene vakgebied te gebruiken om zijn gelijk in het andere vakgebied tehalen. De klassieke christelijke theologie leert, dat creatie de enige oorzaak van het bestaan vande mens is. Dat mag in en voor die theologie waar zijn, echter, men kan die stelling nietzomaar gebruiken om hetzelfde als voldoende vaststaand in en voor de natuurwetenschappen testellen. Want dat is onzuivere en onkundige wetenschapsbeoefening.
Ir. Ing. Jan A. A. van der Wulp