door Jan A. A. van der Wulp
1. In de media en op het internet kan men talloze berichten lezen over de te verwachten vrijgave vanhet Oude Latijnse Missaal van de Romeinse Ritus van 1962. Daarmede wordt bedoeld, dat elkepriester, waar ook ter wereld, zonder enige toestemming, van wie dan ook, vrij zal zijn in elke kerk,waar dan ook, de Oude Latijnse Mis volgens het Missaal van 1962 op te dragen. Heden kan datslechts met toestemming van de eigen bisschop en van de bisschop van de plaats waar de kerk isgelegen. Nu doen er nog al wat valse meningen over deze kwestie de ronde. Daarom hieronder eensamenvatting van de belangrijkste feiten. De originele versie van dit document is afkomstig van hetaartsbisdom Genua. Het stuk werd op 27 november 2006 in een Engelse vertaling op het internet geplaatst. De Nederlandse vertaling werd enigszins aangepast en uitgebreid. De opmerkingen achteraanzijn van de vertaler.
2. Verhelderingen betreffende een eventuele promulgátie (afkondiging) van een MotuPróprio (letterlijk: Uit eigen beweging, bepaalde vorm van een pauselijk document) om detoepassing van het indult (toestemming) voor het gebruik van het Missaal, genaamd vanSint Pius V, te vergemakkelijken.
De Paus heeft de macht, op grond van zijn allerhoogste autoriteit, om alle mogelijkejuridische en pastorale daden te stellen, welke universeel (overal en altijd) geldig en bindendzijn.
De rechtmatige en vruchtbare celebratie van de Eucharistie vereist een volledige kerkelijkecommunio (verenigd zijn). Tenslotte is de Hogepriester, de Paus, de enige, die de bedoeldecommunio kan garanderen. De Paus ontving immers van Jezus-Christus zelf de macht zijnbroeders in het geloof te bevestigen. Zie Luc.22,32; Mat.16,17-19; Joh.21,15-18. Daarom isinderdaad de bisschop van Rome degene, die met grote barmhartigheid en vreugde, en meteen zich breed uitstrekkende liefde, nimmer zal ophouden de eenheid te zoeken van aldegenen, die in Christus geloven.
Het Tweede Vaticaans Concilie heeft de Mis van Sint Pius V niet afgeschaft, noch heeft ditConcilie gevraagd dit [later] te doen. Integendeel, het Concilie heeft gevraagd de Romeinseritus en de orde van de Mis te herzien, wat duidelijk blijkt uit de lezing van de Constitutie overde Heilige Liturgie, hoofdstuk III, de nummers 50 tot 58.
De uitbreiding van het bestaande indult betreffende de zogenaamde liturgie van Sint Pius Vhoudt in zich, en op geen enkele manier, een afwijzing van het Tweede Vaticaans Concilie in,noch een afwijzing van het leergezag van de Pausen Johannes XXIII en Paulus VI.
Paus Paulus VI, die zelf in 1970 het nieuwe Romeinse Missaal heeft gepromulgeerd(afgekondigd en in dienst gesteld), in overeenstemming met de aanwijzingen van het TweedeVaticaans Concilie, heeft persoonlijk aan Pater Pio van Pietrelcina een indult toegestaan omde Heilige Mis volgens het missaal van Sint Pius V te celebreren, ook in het openbaar, en datofschoon de liturgische veranderingen reeds vanaf de Vasten van 1965 werden ingevoerd. Bovendien heeft wijlen kardinaal Heenan van Groot-Britannië van de Paus een indultverkregen waardoor in het Verenigd Koninkrijk priesters eveneens de oude Mis mochtenblijven celebreren.
Paus Johannes-Paulus II heeft reeds door de brief Quáttuor abhinc annos, van3 october 1984, uitgegaan van de Congregatie van de Goddelijke Eredienst, de mogelijkheidgeboden aan de diocesane bisschoppen om gebruik te maken van een indult waardoor deHeilige Mis kon worden gecelebreerd volgens het Romeins Missaal volgens de editie van 1962,gepromulgeerd dooor Paus Johannes XXIII.
Bovendien heeft dezelfde Paus - Johannes-Paulus II - door het Motu Próprio Ecclésia Deiadflícta (2 juli 1988) door de kracht van zijn apostolisch gezag onder andere vastgesteld:"overal moet er respect worden betoond voor de gevoelens van al degenen, die zich verbondenvoelen met de Latijnse liturgische traditie, en wel door een brede en edelmoedige toepassingvan de reeds eerder door de Heilige Stoel uitgevaardigde richtlijnen met betrekking tot hetgebruik van het Romeinse Missaal volgens de Éditio Týpica (de standaard-editie) van 1962."
Sedert de 4e eeuw bestaan er in de Kerk meerdere liturgieën of riten, die, ofschoon zijovereenkomen met verschillende tradities en gevoeligheden, toch hetzelfde katholieke geloofuitdrukken. Die variatie is een zichtbaar teken van de vitaliteit van de katholieke Kerk.
Het Concilie van Trente heeft niet gewild om de destijds in de Kerk bestaande riten dooreen gezagsvolle daad te unificeren (een te maken). Sint Pius V, die op verzoek van hetConcilie de hervormingen heeft doorgevoerd, heeft gehandeld volgens het beginsel, dat allelocale kerken en de religieuze ordes, welke een eigen liturgie met een eerbiedwaardige traditie kenden, die ouder was dan tenminste 200 jaar, die mochten behouden. Naarmate de jarenverstreken bevestigde de Romeinse ritus zichzelf, en werd vrijwel overal ingevoerd, ofschoonniet exclusief. Bekend is het geval van de Ambrosiaanse ritus, welke zich verspreidde doorsommige valleien van de Ticino - de Ambrosiaanse valleien - en het gehele aartsbisdomMilaan, ofschoon ook daar uitzonderingen voorkomen.
De beide geldige expressies (uitdrukkingswijzen) van hetzelfde katholieke geloof - namelijkdie van Sint Pius V en van Paulus VI - kunnen niet naar voren worden geschoven alsof zijtegengestelde inzichten vertegenwoordigen en als zodanig dus wederzijds onverzoenlijk zoudenzijn.
In de sfeer van de kerkelijke liturgie kunnen de besluiten en de handelingen van Pausen - teweten Johannes XXIII, Paulus VI, Johannes-Paulus II en Benedictus XVI - en evenmin die vanConcilies - zoals dat van Trente en Vaticánum II - naar voren worden gebracht als zijnde inconflict met elkander, en nog minder als een alternatief voor elkaar.
Tot zover het document van het aartsbisdom Genua.
3. Hierbij dienen de volgende opmerkingen te worden gemaakt:
De ingevoerde liturgische veranderingen zijn veel verder gegaan dan het de bedoeling vanhet Tweede Vaticaans Concilie was. Het komt er op neer, dat er een totaal nieuwe liturgiewerd samengesteld, welke niet kan worden omschreven als een relatief eenvoudige aanpassingen wijziging van de bestaande vormen.
Die nieuwe liturgie werd op rechtmatige wijze ingevoerd door de regerende Paus Paulus VI.Hij had dat recht. Of het wijs was dit te doen, is iets geheel anders.
Meerdere theologen bestrijden de visie, dat deze nieuwe liturgie een geldige expressie is vanhetzelfde katholieke geloof als de oude liturgie volgens het Missaal van 1962. Meertraditioneel denkende theologen menen, dat de verwoording van de bestendigegeloofswaarheden in de originele Latijnse gebeden van de nieuwe liturgie minder duidelijk is,ja, zwak is, vergeleken met de overeenkomstige gebeden van de liturgie van 1962. Men moetechter ook in aanmerking nemen, dat de vertalingen in vele landstalen dit kenmerk vanonduidelijkheid en geloofszwakte nog veel sterker vertonen. En het zijn die vertalingen,waarmede de gelovigen worden geconfronteerd.
Toch heeft de grote Nederlandse theoloog wijlen Mag. Dr. J. P. M. van der Ploeg in zijnartikelen en boeken altijd staande gehouden, dat men door gebruik te maken van het officiëleLatijnse Missaal van de nieuwe ritus, de Heilige Mis geldig en vroom kan celebreren. Dat wilniet zeggen, dat dit altijd vanzelf zó is. De priester moet zich strict houden aan de gebeden ende rubrieken van dit officiële Latijnse Missaal, en waar die rubrieken onduidelijk zijn, of voormeer uitleg vatbaar, moet hij de meer traditionele handelwijze volgen.
Voor sommige vertalingen in sommige landstalen kan men dit niet altijd zo positief zeggen.Voor het officiële Nederlandse en het Vlaamse Altaarmissaal geldt, dat men daarmede deHeilige Mis geldig en vroom kan celebreren, mits men zich strict houdt aan de teksten en dehandelingen voorgeschreven in die Missaals. Indien de voorschriften van die Missaals nietduidelijk zijn, of voor meerdere uitleg vatbaar, houde men zich aan de meer traditionelegebruiken.
In de praktijk blijkt, dat de beide riten van de Mis, die van 1962 in het Latijn, en de huidigeritus, vrijwel altijd in de landstaal, niet goed verenigbaar zijn. Dat wil zeggen, dat de Mis nietgoed in dezelfde kerk door dezelfde priester naar wens, de ene keer zus en de andere keer zo,kan worden gecelebreerd.
Men ziet dan ook steeds meer - en dat geldt voor de gehele wereld - dat er apartekerkgebouwen, geschikt gemaakt voor de oude Latijnse ritus van 1962, ontstaan, naast dekerken waar gewoonlijk volgens de nieuwe landstalige ritus wordt gecelebreerd. In de LageLanden komen die aparte kerken of kapellen nog niet zo veel voor, maar de trend isonmiskenbaar.
Zowel in Nederland als in België staat de oude Latijnse liturgie van de Mis niet in een goedereuk. Men associeert die liturgie met 'niet toegestaan', 'verboden door de Paus', 'iets voorschismatieken'. Dit aanvoelen is niet juist. Er bestaan vele stichtingen, congregaties eninstituten, welke in volle gemeenschap met de Paus verkeren, die met toestemming eninstemming van Rome de Oude Misliturgie van 1962 vieren. Gewoonlijk is hiervan in de LageLanden weinig bekend.
De conclusie is dan ook gerechtvaardigd: De beide riten van de Mis, die in het Latijn van1962, en die in de landstaal van Paulus VI, zullen met grote waarschijnlijkheid over de ganseaarde naast elkaar in aparte kerken en kapellen blijven bestaan. Nu is daar op zich niets tegen,want het beantwoordt aan de oude traditie van de Kerk om oude riten bestaansrecht te latenhouden. En de ritus volgens het Missaal van 1962 is in wezen meer dan 1000 jaar oud.
Wat men in Rome niet schijnt te willen, is elementen van de nieuwe ritus over laten nemenin de oude ritus. Het Latijnse Missaal van 1962 blijft in beginsel de norm. Toch zijn er alkloosters, waar men enige elementen van de nieuwe ritus heeft opgenomen in de oude ritus.Dat wordt door de gelovigen ter plaatse goed onthaald. In feite doet men dan wat het TweedeVaticaanse Concilie heeft gewild, namelijk de oude ritus lichtjes aanpassen aan detegenwoordige tijd. En dat is tevens wat er in de loop der eeuwen telkens is geschied, te wetenlichte aanpassing aan de inzichten van een zekere tijd. Maar Rome staat daar huiverigtegenover.
Men wil in Rome wel de nieuwe ritus van Paulus VI lichtjes aanpassen aan delangzamerhand gegroeide inzichten op basis van de ervaringen van de laatste 30 jaar. In depraktijk betekent dit enige kleine wijzigingen in de richting van de traditionele ritus. Tochzullen die aanpassingen nooit zo ver gaan, dat de nieuwe ritus de oude gaat benaderen. Want,dat wil men ook niet.
Conclusie: Ook al kunnen de beide riten in de toekomst enige lichte wijzigingenondergaan, toch lijkt het er niet op, dat een samensmelting van de beide riten voor de deurstaat. Het meest waarschijnlijke zijn toekomstige kleine officiële wijzigingen in beide riten.