evolutie versus creatie

Datum: 
Zat, 2001-09-01

Evolutie versus Creatie

Uit Profetische Stemmen nummer 57 van september 2001

Een redactie ontspoort !

1. In het nummer 01/2 van het Nederlandse tijdschrift (kwartaal-uitgave) Kwartana, dat voorgeeft de katholieke zaak te verdedigen, staat een artikel, dat bij de ware katholiek, en nog meer bij de geschoolde natuurwetenschapper, de nodige verbazing oproept. Dat artikel gaat over de controverse Evolutie of Creatie ? En de schrijver schijnt een tamelijk bekende priester-theoloog te zien. Des te verbazender is de inhoud.

Schepping of evolutie

2. Het artikel in Kwartana 01/2 van de hand van Dr. Christoph Schönborn is getiteld Schepping en Evolutie. Dit artikel is duidelijk geschreven door een theoloog/filosoof, die niets, herhaal: niets, herhaal: helemaal niets, afweet van de hedendaagse natuurwetenschappen, vooral niet van de biogenetica en de fysica. Maar bovendien neemt hij een loopje met de bestendige katholieke geloofsleer, vooral met de dogmatiek van de erfzonde en de Schepping. Het is tegenwoordig niet omdat er Dr., of kardinaal, of bisschop, of wat ook, voor staat, dat het geschrevene de waarheid bevat.

3. De overgrote meerderheid van de tegenwoordige wat oudere priesters en theologen heeft in hun opleidingstijd vrijwel niets geleerd van de natuurwetenschappen. En dat wreekt zich heden. Voor de tweede wereldoorlog werd in Nederlandse seminaries al het Teilhardisme gedoceerd. Het evolutiegeloof heeft oude wortels. Want het zijn juist de theologen, die dat heden nog steeds verdedigen, wat geen enkele natuurwetenschapper nog zal doen (vanuit het eigen vakgebied), omdat men heel goed weet, dat, natuurwetenschappelijk gezien, evolutie onzin is. Zij, de theologen, proberen ook nog steeds de katholieke dogmatiek te verzoenen met het Teilhardisch denken, wat natuurlijk niet gaat. Ook Dr. Schönborn doet dat. Maar, men bedenke, dat Teilhard en zijn theorieën veroordeeld zijn door de Kerk als zijnde ketters, en die veroordeling geldt nog altijd.

4. Sch. schrijft veel te positief over Darwin; hij hemelt hem op. Lees echter maar eens recente biografieën van Darwin om de waarheid te leren kennen. Darwin was helemaal geen �geniale natuuronderzoeker�, maar een charlatan. Hij bracht weinig �kennis�, en veel verzinsels, voort. Zijn opleiding zit vol manco�s, hij heeft meerdere opleidingen niet afgemaakt, hij was helemaal geen bioloog, maar een mislukte arts-student, tevens mislukt theoloog. Het kon slechts iemand met de halve kennis van Darwin zijn, die de betreffende biologische verzinsels voor waarheid bracht. En dan moeten wij in een zg. katholiek blad als Kwartana ook nog een foto van Darwin bewonderen. Pasteur, die heeft bewezen, dat leven slechts voortkomt uit leven, was een betere keuze voor de foto geweest, of een andere grote Franse, waarlijk katholieke, bioloog, zoals Le Jeune, die de biogenetica veel verder heeft gebracht.

5. Darwin kende niet het verschil tussen enerzijds mutaties binnen de biologische soort (die bestaan), en anderzijds mutaties van soort tot andere soort - die laatste bestaan nl. niet ! Heden zeggen wij: Darwin kende niet het verschil tussen micro-evolutie (die bestaat en is bewezen), en macro-evolutie, die bestaat niet ! Wat mutaties betreft: Die bestaan, maar dat betekent niet, dat er betere individuën, of hogere wezens, uit voortkomen. Integendeel alle bekende mutaties leiden altijd tot degeneratie, tot achteruitgang van de individuën van de soort, niet tot een betere of een andere soort. Een mutatie, die tot een beter individu leidt, met betere eigenschappen, is nog nooit aangetoond. Evenmin is aangetoond een mutatie, die leidt tot een nieuwe soort met andere erfelijke eigenschappen. Evolutie, te verstaan als het vanzelf ontwik-kelen van een hogere diersoort uit een lagere soort, bestaat niet: Evolútio non exístit !, Evolutie bestaat niet !

6. Sch. schijft: "Ook het leven is ontstaan uit dit evolutieproces, uit het spel van toeval en noodzakelijkheid, van selectie en mutatie. Zo is de school ontstaan, die men nu neo-darwinisme noemt." Dit is zowel natuurwetenschappelijk, als filosofisch, als theologisch grote onzin. Filosofisch is het onzin, want: Nemo dat, quod non habet ! Niemand geeft, wat hij niet heeft. Iets wat het leven niet bezit, kan het niet voortbrengen. Leven kan niet vanzelf ontstaan, filosofisch niet, en natuurwetenschappelijk niet. Leven komt slechts voort uit leven. Dit is in de biologie definitief bewezen, al door Pasteur. Theologisch is het beweerde een ketterij, want �God schiep de levende wezens...� ex níhilo, uit het niets, zo staat het er, in de Bijbel. En dit is een de fide geloofsuitspraak, dat is een absoluut en onweerlegbaar juiste geloofsregel !

7. Om evolutie aannemenlijk te blijven vinden, plausibel te maken, moet men wel een duister begrip invoeren als �de zelforganisatie van de materie�. Sch. doet dit ook. "Alles is evolutie, alles ontstaat vanzelf uit [lees: door] deze zelforganisatie van de materie in steeds hogere en complexere vormen." Dit is in feite de visie van Teilhard, de taal van een man, die verliefd is op een groot idee, ja, op een GROOT IDEE. Men spreekt ook over een innerlijke, drijvende kracht, aanwezig in de dode en de levende stof, die de evolutie tot gevolg heeft.

8. Maar het bestaan van deze innerlijke drijvende kracht, deze zelforganisatie, is natuurwetenschappelijk nooit aangetoond, en dus is het voor de bioloog en de fysicus geen aanvaardbare verklaring. Voor de theoloog, die zijn vak ernstig neemt, is het al helemaal niet aanvaardbaar, want nu wordt de Scheppende Vader-God vervangen door een duistere zg. natuurkracht, die voor de natuurwetenschappers echter helemaal niet bestaat, dus geen natuurkracht is ! In de filosofie bestaat welhaast totale vrijheid van denken, dus kan men daar wel uit de voeten met een algeheel verzinsel als de zelforganisatie. In feite is het een geloof. Een geloof in de zelforganisatie, of een innerlijke drijvende kracht, die nu doet, wat anderen aan God toeschrijven. Maar, omdat dit geloof in strijd is met de natuurwetenschap, is het geloof in evolutie een mythe geworden, omdat natuurwetenschappelijk is aangetoond, dat evolutie niet bestaat ! De Creator-Vader-God is eveneens onderhevig aan geloof, maar omdat creatie niet in strijd is met de natuurwetenschap, is het creationisme geen mythe !

Het magistérium

9. Sch. gebruikt in zijn artikel ook nog het gezagsargument, maar dan wel vertekend. Hij haalt een uitspraak van Paus Jan-Paul II aan: "Tegenwoordig geven nieuwe ontdekkingen er aanleiding toe in de evolutietheorie meer te zien dan een hypothese." De Paus is kennelijk verkeerd voorgelicht, en hij behoort kennelijk tot de groep theologen, die (te) weinig afweten van de natuurwetenschappen, om in te zien, dat er natuurwetenschappelijk juist geen aanleiding is in het evolutiemodel meer te zien dan een hypothese. Deze uitspraak van de Paus is overigens geen onfeilbare uitspraak ex cáthedra. Ze is ook geen te aanvaarden uitspraak van het gewone magistérium, want ze blijkt in tegenstelling te zijn met de oudere bestendige leer van het gewone en buiten-gewone leergezag, en moet daarom dus worden genegeerd.

10. Er is een duidelijke tegenspraak met de leer van het Concilie van Trente, èn met de leringen van de Pauselijke Bijbelcommissie van vóór 1950, welke destijds (nog) deelde in de onfeilbaarheid van het gewone leergzag. Bovendien is er de sensus fídei, het algemene geloofsaanvoelen, èn er is de bestendige verkondiging, gedurende al die 19 eeuwen vóór zeg 1950, toen er in kerkelijke documenten nooit en te nimmer sprake was van evolutie (of een vergelijkbaar begrip), en men altijd de historiciteit van de Schepping heeft aangenomen en geleerd. Daarom behoort dit tot de onfeilbaarheid van het gewone leergezag.

11. Sch verdedigt dan op het einde nog zg. theïstische evolutie met de woorden: "Zonder twijfel is er evolutie, zonder twijfel zijn er in de natuur mechanismen van evolutie, ze hebben zin, ze zijn zinvol, we kunnen de zin ervan ontdekken, omdat ze door de Schepper in de schepping zijn ingeschreven. ... God bedient zich ook van de evolutie om het werk van de schepping te verwezenlijken."

12. Wederom: Natuurwetenschappelijk is dit fout, is dit vals, want niet bestaande, want niet aantoonbaar. Theologisch is het een pogen van twee walletjes te eten, door schepping en evolutie te verenigen in één visie. Meestal is het zo, dat, als men poogt twee visies met elkaar te verzoenen, omdat men de voordelen van beide wil genieten, men in feite blijft zitten met de nadelen van beide. Zo ook hier.

Theístische evolutie

13. Sommige geleerden, die in evolutie geloven, maar die het bestaan van een Schepper-God niet (helemaal) willen opgeven, hebben mengvormen bedacht tussen zuivere evolutie en creatie. Er zijn verschillende filosofisch-theologische opvattingen. Let op: Dit zijn filosofisch-theologische opvattingen, geen natuurwetenschappelijke. Men onderscheidt heden algemeen:

  1. Atheïstische evolutie: Er is geen God, alles is door evolutie ontstaan, door natuurlijke processen, onder invloed van het toeval, gedurende zeer lange tijd, tot miljoenen en miljarden jaren toe. Het pure, eerste en oudste, atheïstisch evolutiemodel. Ook wel spontane evolutie genoemd. In latere jaren vervangen door het pantheïstische evolutiemodel, waarbij een geheimzinnige, innerlijke drijvende kracht voor de gedachte spontane verandering naar hogere soorten zorgt.
  2. Deïstische evolutie: God heeft de basisvoorwaarden geschapen en laat de rest verder door evolutie geschieden, waar Hij zich helemaal buiten houdt. De innerlijke, evolutieve kracht is door God in de natuur gelegd en God laat die zijn werk doen. De God-horlogemaker. Als de radertjes van het horloge eenmaal draaien, omdat de veer is opgewonden, dan loopt alles vanzelf verder.
  3. Theïstische evolutie: God begeleidt de evolutie bij elke stap. Ook wel geleide evolutie genoemd, waarbij die 'evolutie' een uitdrukking is van de bestendige, goddelijke invloed. Men spreekt dan ook wel van scheppingsproces, een onduidelijk begrip, daar scheppen altijd in een oogwenk en ex níhilo (uit het niets) is, en proces op een langere tijdsduur wijst en op de invloed van omgevingsfactoren. Er is de uiterlijke oorzaak (God), maar het ontstaan gaat niet in een oogwenk, zoals bij het echte scheppen, behalve wellicht bij de schepping van de materie in het allereerste begin.
  4. Creatie: God heeft alles geschapen, zoals de Heilige Schrift dit beschrijft. Het pure creatiemodel. Alle planten- en diersoorten zijn apart, en als zodanig, geschapen in korte tijd.

14. Volgens atheïstische evolutie bestaat er geen God, dus is Die niet betrokken bij het ontstaan en het ontwikkelen van het leven. Alle leven ontstond naturalistisch (door natuurlijke processen) en mechanistisch (vanzelf, door toeval, zonder ingreep van buitenaf) en zonder enig doel.

Bij de meer pantheïstische gedachte evolutie wordt het toeval vervangen door de vergoddelijking van de materie door de invoering van een geheimzinnige, innerlijke, drijvende kracht. Dit laatste is ook het model van Teilhard de Chardin.

15. Men moest deze geheimzinnige innerlijke drijvende kracht wel als een postulaat (een aanname vooraf) invoeren, omdat de zuivere atheïstische en deïstische evolutie op wetenschappelijke gronden - vooral uit de biologie - onmogelijk is. Overigens is die geheimzinnige innerlijke drijvende kracht natuurwetenschappelijk nooit aangetoond, en ook niet aantoonbaar. Deze opvattingen komen echter - theologisch bezien - in strijd met de Heilige Schrift en met het dogma van de erfzonde.

16. Bij het deïstisch model heeft God het eerste leven veroorzaakt, en vervolgens - zo meent de filosoof-theoloog - heeft dit leven zich door zg. natuurlijke processen (die echter in de natuurwetenschappen niet aantoonbaar zijn) ontwikkeld tot datgene, wat men heden om zich heen ziet. Er is echter geen specifiek doel bij deze ontwikkeling. Dit model omzeilt in feite alléén het probleem van de stap van dode stof naar het eerste leven. De 'God', die de basisvoorwaarden schept en de boel verder laat aanmodderen, is zeker niet de christelijke God. De meeste deïstische evolutionisten aanvaarden wel de onmiddellijke schepping van de materie in het begin door God, waaruit alles zou zijn voortgekomen. Deze opvatting komt echter - theologisch bezien - in strijd met de Heilige Schrift en met het dogma van de erfzonde.

17. Volgens theïstische evolutie heeft God niet alléén het levensproces opgestart, maar leidde Hij het stap voor stap verder door alle periodes van de evolutie. Het leven, dat men vandaag om zich heen ziet, is dan het resultaat van dit gerichte, doelmatige, goddelijk gestuurde, miljoenen jaren durende, evolutieproces. Dit model lijkt de opvattingen over evolutie en van de theologie te verzoenen, maar blijkt de nadelen van beide in zich te verenigen. De meeste theïstische evolutionisten aanvaarden wel de onmiddellijke schepping van de materie in het begin door God, waaruit alles zou zijn voortgekomen. Theïstische evolutie neemt het bestaan en de werking (dat is een zekere werking) van God aan. Wat bewezen is biologisch onmogelijk te zijn - een nieuwe soort produceren in vele stappen - doet God dan telkens eventjes. God maakt telkens mogelijk, wat biogenetisch onmogelijk is. Deze opvatting is vooral strijdig met de natuurwetenschappen, omdat er van de vele tussenvormen, vereist door evolutie, nimmer enige fossiele resten zijn gevonden. En, ook deze opvatting komt - theologisch - in strijd met de Heilige Schrift en met het dogma van de erfzonde.

De doodsteek voor alle soorten evolutie

18. Door verschillende uitspraken van het gewone en het buitengewone leergezag - met name door het Concilie van Trente - is met onfeilbare zekerheid de leer over de erfzonde vastgelegd. Het kwaad (de zonde), het lijden, en de dood ontstonden door de eerste zonde van Adam (de erfzonde), óók de dood van planten en dieren. In het verdwenen Aards Paradijs bestond de dood niet, niet voor mensen, niet voor planten, niet voor dieren. Dit betekent, dat elke opvatting van evolutie, welke dan ook, dogmatisch onmogelijk is, omdat er geen enkel exemplaar, van welke soort dan ook, stierf vóór de zonde van Adam. Dit dogma is de doodsteek voor elke evolutie, óók voor theïstische evolutie.

19. Het is theologisch absoluut onmogelijk, dat Adam het eindpunt is van een reeks diersoorten - hoe dan ook ontstaan - omdat het afsterven van individuën van die soorten, en het uitsterven van soorten, dogmatisch onmogelijk zijn, omdat de dood nog niet bestond vóór de erfzonde werd gepleegd.

20. Het is niet doenlijk in het bestek van dit artikel dieper op deze zaken in te gaan. Men gelieve de relevante (betreffende) hoofdstukken van onze uitgave BR314 Evolutie: Zin en Onzin ! te raadplegen, met name de theologische gedeelten daaruit. Oók voor de natuurwetenschappelijke argumentatie kan men natuurlijk het boek met vrucht raadplegen. De belangrijkste natuurwetenschappelijke argumenten volgen hierna in het kort.

Natuurwetenschappelijke gegevens

21. Klaarblijkelijk zijn de meeste theologen niet op de hoogte van de volgende natuurwetenschappelijk vaststaande gegevens:

A. Dat op grond van de microbiologie en de erfelijkheidsleer, de afstamming van alle mensen van één ouderpaar zeker is. Alle biologische soorten, de mens inbegrepen, zijn uniek. Elke soort heeft een eigen uniek DNA (complex erfelijke factoren), en de soorteigen DNA is niet in die van een andere soort om te zetten. Daarom zijn alle exemplaren van de biologische soort mens afstammelingen van één eerste ouderpaar. Het polygenisme, dat is de opvatting, dat de namen Adam en Eva staan voor groepen eerste mensen, is biologisch onmogelijk en is door het leergezag als vals verklaard.

B. Dat er meer dan 70 bewijzen aangeven, dat de aarde en de mensheid jong zijn (jong, dat betekent ca. 6.000 jaar). De meeste van die bewijzen zijn gebaseerd op waarnemingen en gedachtenexperimenten, ondersteund door veldproeven, uit de natuurwetenschappen. Een minderheid is uit andere wetenschappen, zoals uit de demografie. Dat de aarde, de dieren en de mensheid jong zijn, is wetenschappelijk niet meer te betwijfelen. De uitkomsten van de berekeningen van de ouderdom van de aarde in die 70 gevallen variëren van 100 jaar tot enkele honderdduizenden jaren. De wetenschappelijke gegevens geven een aanvaardbare spreiding te zien van de ouderdom van de aarde van zeg 100 tot zeg ca. 10.000 jaar. Deze uitkomsten klon-teren rond ca. 6.000 jaar. Het belangrijkste is echter, dat de uitkomsten geen tienduizenden of honderdduizenden of miljoenen jaren zijn. De spreiding komt door de onzekerheid in sommige aannames en waarnemingen, en is wetenschappelijk gezien normaal en te verwachten. Het belangrijkste is echter, dat al de uitkomsten klonteren rond de 6.000 jaar, en zeker niet in de miljoenen of miljarden jaren lopen.

C. Dat uit de Tweede Hoofdwet van de Thermodynamica (deel van de fysica) volgt, dat er een begin in de tijd moet zijn. Dus zijn een oneindig heelal en een eeuwig heelal onmogelijk. Bovendien zegt de Uitgebreide Tweede Hoofdwet van de Thermodynamica, dat er intelligentie en energie voor nodig zijn om een hogere ordening te bereiken (hetgeen geschiedt bij de overgang van lagere soorten dieren naar hogere soorten).

Men denke als voorbeeld aan de bouw van een huis, waarbij een ordeloze stapel stenen door toevoer van intelligentie (architect, aannemer, metselaars) en energie (bouwers) tot een huis wordt. Fysisch is de entropie afgenomen. Daartegenover staat het verval van een (onbewoond) huis tot een ruïne, een ordeloze hoop stenen, als men niets doet en de tijd zijn gang laat gaan. Fysisch is de entropie toegenomen.

Het evolutiemodel acht het toeval voldoende voor de overgang van lagere naar hogere soorten dieren, òf roept de - in de natuurwetenschappen niet-aantoonbare - innerlijke drijvende kracht te hulp. Maar het toeval leidt altijd tot lagere ordening, en het bestaan van de innerlijke drijvende kracht is nooit aangetoond. De afname van de entropie bij het ontstaan van hogere ordenuing kan door het evolutiemodel niet worden verklaard. Daarom is het evolutiemodel in strijd met de Tweede Hoofdwet.

Het creatiemodel kent dit probleem niet, want de almachtige Schepper-God is degene, die de nodige intelligentie en energie bezit, en die door zijn wil de entropie van het geheel bij de schepping van een hogere soort kan doen toenemen.

D. Dat deze Tweede Hoofdwet óók een bevestiging inhoudt van de zondeval. Immers, als alles vanzelf in puin valt en als de ordening vanzelf vermindert, als alles op aarde vanzelf tot wanorde vervalt, als men niets doet, dat is: als de entropie toeneemt, als men niets doet, dan bevestigt dat de vloek van God, die op de aarde en op de natuur rust als gevolg van de zondeval van Adam en Eva.

E. Dat het volgens de wiskundige statistiek en de biogenetica absoluut onmogelijk is, dat nieuwe biologische soorten door enige vorm van evolutie - atheïstisch, of pantheïstisch, of deïstisch - kunnen ontstaan uit bestaande soorten. Daarvoor is het unieke DNA van elke soort veel te stabiel. Biologische soorten zijn niet in elkander om te zetten, tenzij door een scheppende God, wat dan theïstische evolutie zou zijn, of pure creatie. Het DNA van hogere zoogdieren, zoals apen, verschilt veel te veel van dat van de mens, opdat iets anders dan een scheppend goddelijk Meesterbrein tot zo�n omzetting van aap naar mens in staat zou zijn.

Er is, omwille van het uniek en stabiel zijn van het soorteigen DNA, geen enkele bekende natuurwetenschappelijke methode waarmede diersoorten in andere soorten kunnen worden omgezet. Dergelijke methoden zijn evenmin te verwachten als resultaat van voortgezet onderzoek, want alles ís al geprobeerd. Men bedenke, dat de biologie de oudste practische wetenschap is, en dat de mensheid al minstens 4.000 jaar ervaring heeft met het fokken en telen van planten en dieren. Nieuwe grondsoorten, of biologische soorten zijn nimmer ontstaan. Kruisingen wel, maar een kruising is geen nieuwe soort. Want een nieuwe soort moet een geheel ander complex erfelijke eigenschappen hebben als de andere bekende soorten.

F. Dat er enkele tientallen deugdelijke bewijzen zijn uit de natuurwetenschappen (voor deelproblemen en in deelgebieden), die een definitieve uitspraak doen over de controverse Evolutie of Schepping ?, ten aanzien van de bedoelde deelproblemen, nl., dat evolutie nimmer verantwoordelijk kan zijn voor de bedoelde natuurwetenschappelijke feiten. Elk van deze, in totaal enkele tientallen, deelbewijzen tegen evolutie, bevestigt óók, dat er een Meesterbrein zit achter de levende en de dode natuur.

Daarvan worden hier als voorbeeld alleen maar genoemd: 1. De nek van de giraffe, 2. Het hart van de menselijke vrucht, 3. Insecten in barnsteen, 4. Het ozon-dilemma, 5. Orgaanvorming, zoals het menselijk oog.

22. Het is onmogelijk al die voorbeelden hier uitgebreid aan te halen. Maar de nek van de giraffe is heel eenvoudig uit te leggen. Elke mens weet, dat als hij, gebukt staande, zijn schoenveters vast maakt, en daarna omhoog komt, hij �licht in het hoofd� kan worden. Lange mensen hebben daar meer last van. Welnu, de giraffe graast op de grond, zowel als hoog in de bomen. Als het dier, bij het grazen, in een ruk zijn kop van de grond naar boven beweegt, kan het hoogteverschil gemakkelijk 5 meter be-dragen. Zonder speciale voorzieningen zou de bloeddruk in de kop van de giraffe zo ver dalen, dat het dier bewusteloos zou raken. Dat gebeurt echter niet, omdat een ingenieus stelsel van kleppen de bloeddruk in de kop constant houdt.

23. Welnu, als de giraffe het gevolg zou zijn van toevallige mutaties van een voorgaande soort door omgevingsinvloeden, hoe weet dan dat toeval, dat juist die kleppen boven in de hals moeten worden aangebracht in de bloedbanen ? En, als men in plaats van het toeval de �zelforganisatie van de materie� aanneemt, wat is dan die zelforganisatie ? Hoe weet die, tijdens het evolutieve proces, dat juist die kleppen moeten worden aangebracht ? En, men vergete niet, dat alle noodzakelijke genetische veranderingen moeten geschieden in de voortplantingscellen, anders ontstaat er geen nieuwe stabiele soort. Vragen, vragen, waarop het evolutiemodel geen bevredigend antwoord weet.

Een wrang gegeven

24. Het is een wrang gegeven van de huidige toestand, dat het vooral de filosofen en de theologen zijn, die menen, dat door de natuurwetenschappen is bevestigd, dat evolutie bestaat, en die daarom pogen de katholieke geloofsleer te verzoenen met de evolutiegedachte. Zij, de theologen en filosofen, weten niet, dat er helemaal geen noodzaak is om de geloofsgedachten te herzien op grond van zg. natuurwetenschappelijke gegevens. Want, die zijn er gewoon niet.

In feite is de situatie zo, dat elke creationist gerust op beide oren kan gaan slapen, want de natuurwetenschappen hebben al lang onweerlegbaar zeker aangetoond, dat evolutie onmogelijk is, dat is: niet bestaat. En dus, blijft het creationisme vanzelf over als de enige redelijke en aanvaardbare verklaring van de wereld om ons heen.

Helaas weten de hedendaagse theologen gewoonlijk te weinig van de natuurwetenschappen om in te zien, dat er in het geheel geen noodzaak is, om de godsdienstige inzichten aan te passen aan die van de natuurwetenschappen. Het blijkt gewoon, dat de oude inzichten het nog heel goed kunnen doen, en beslist niet behoeven te worden veranderd.

# #

Boeken over de controverse "Evolutie of Schepping?"

25. Op onze internetsite http://users.skynet.be/courlisius/index.html kan men doorkiezen naar de verkrijgbare boeken. Daar staan onder �algemene theologie� de titels van meerdere boeken en brochures over evolutie vermeld. Men kan ook klikken op de verwijzing Evolutie of Creatie ? alwaar men de titels van meerdere artikelen vindt.

26. Men zie vooral onze uitgave, het boek BR314 Evolutie: Zin en Onzin ! - ca. 160 pagina's A5 - voor een gedetailleerde uitleg van alle (natuur)wetenschappelijke argumenten tegen evolutie en vóór creatie. Dit boek is verkrijgbaar bij Ioánnes Courlísius, Domus Editória v.z.w. Besteladres: Maxburgdreef 41, B 2321 Hoogstraten-Meer. Gaarne vooraf betalen, in contanten, of per bank. Zie de internetsite voor alle bestelgegevens. Af is de prijs afgehaald, Pp is de prijs per post franco huis.

Titel en Schrijver

BR314 - Ir. Ing. Jan A. A. van der Wulp

Evolutie: Zin en Onzin !

Aangevulde uitgave juli 1997 - B

164 blz. A5 Prijs: Af: BF 420 / f 23,- - Pp: BF 490 / f 28,-.

Bespreking

Het doel van dit werk is het verschaffen van duidelijkheid betreffende de zg. Big-Bang theorie, het darwinisme, het neo-darwinisme, en de alles samenvattende evolutietheorie of het evolutiemodel.

De belangrijkste moeilijkheid bij het beoordelen van het evolutiemodel is, dat deze theorie niet tot één duidelijk afgepaald gebied van wetenschap behoort. Het neo-darwinisme en de evolutietheorie kennen natuurwetenschappelijke elementen, maar evenzo wordt een beroep gedaan op de oudheidkunde, de psychologie, de demografie, de taalkunde, de anthropologie (volkenkunde), de wijsbegeerte, ja, op de theologie, vooral op de exegése (bijbeluitleg).

Voor het natuurwetenschappelijk beoordelen van het evolutiemodel zijn vooral van belang: de wiskunde (vooral de wiskundige statistiek), de natuurkunde (fysica), de scheikunde (chemie), de biologie (vooral de biogenetica en de microbiologie), sommige ingenieurswetenschappen (zoals de waterbouwkunde), de geologie (aardkunde of delfstofkunde), de cosmologie (kennis van de wereldruimte), de paleontologie (fossielkunde of oudheidkunde van de fossielen).

Het evolutiemodel ondervindt concurrentie van het scheppingsmodel. Beide modellen betreffen voornamelijk de oorsprong van de hemellichamen, planten, dieren en mensen. Het evolutionisme is de tegenhanger van het creationisme.

Creatie veronderstelt de Schepper-God en het creationisme zoekt een wetenschappelijke onderbouwing van de schepping en poogt (natuur)-wetenschappelijk vast te stellen, dat de beschrijving van het ontstaan van wereld, aarde en levende wezens volgens de Bijbel, overeenkomt met de fysieke werkelijkheid.

Om door de bomen het bos te blijven zien, is het nodig om de grootst mogelijk orde te betrachten bij de beschouwingen. Daarmede is dan hèt kenmerk van dit werkje genoemd: Een strakke, ordelijke, streng wetenschappelijke, behandeling van evolutiemodel en creatiemodel, waarbij de inbreng van de aparte vakgebieden goed wordt afgebakend.

Dit werk is geschreven voor de geïnteresseerde niet-specialist. Maar opdat de specialisten in de aparte vakgebieden hun eigen vak zouden blijven herkennen, is niet geschuwd de vaktaal van de betreffende vakgebieden te gebruiken.

INHOUD BOEK BR314

EVOLUTIE: ZIN EN ONZIN !

Big-Bang, darwinisme, neo-darwinisme, evolutiemodel, evolutietheorie, creationisme en creatiemodel kritisch beschouwd 1

VOORWOORD 3

HYPOTHESEN, THEORIEËN EN MODELLEN 7

Begripsafbakening 7

Modelbouw en theorievorming 9

Verificatie en toetsing 12

Samenvatting 14

DE EVOLUTIETHEORIE EN HET CREATIEMODEL 17

Het evolutiemodel 17

Een wetenschappelijke theorie ? 18

Het creatiemodel 19

Creatie of evolutie ? 20

Een voorlopige conclusie 21

DE EVOLUTIETHEORIE NADER BESCHOUWD 22

Schepping en evolutie vergeleken 22

Het darwinisme 25

Het neo-darwinisme 26

Mengvormen tussen evolutie en creatie 30

NATUURWETENSCHAPPELIJKE BENADERING 32

De behoudswetten en de entropie 32

Vóóronderstellingen 36

Het ontstaan van de hemellichamen 39

Chaos of orde 40

Afstand en tijd 41

Te veel toevalligheden ? 42

Een oude of een jonge aarde ? 44

Insecten in barnsteen 48

De aarde, een open systeem: het ozon-dilemma 49

Radio-actieve datering 50

Het ontstaan van het leven 52

De oersoep 54

Het ontstaan van hogere planten en dieren 57

Selectie en mutatie 59

De nek van de giraffe 61

Erfelijkheidsleer en microbiologie 62

De wiskundige statistiek 63

Het ontstaan van de mens 66

Is theïstische evolutie mogelijk ? 67

Specialisatie en orgaanvorming 68

Het hart van de menselijke vrucht 69

Eén ouderpaar 71

De hoge leeftijden van de eerste mensen 72

Raskenmerken van menselijke rassen 74

Een experimentele bevestiging 76

Programmeren om te leven 77

Verdere statistische overwegingen 79

Ecologie en evolutie 82

OUDHEIDKUNDIGE BENADERING 84

Fossiele getuigen 84

 

Oudheidkundige vondsten 85

PSYCHOLOGISCHE BENADERING 88

Verschillen tussen mens en zoogdier 88

DEMOGRAFISCHE BENADERING 93

Het demografisch model 93

Eenvoudige demografische berekeningen 95

LINGUÏSTISCHE BENADERING 96

Van rijke naar armere talen 96

Drie hypotheses (veronderstellingen) 98

De spraak 100

WIJSGERIGE BENADERING 101

Gemeenzame trekken 101

Wat is evolutie wijsgerig ? 102

De Uitgebreide Tweede Hoofdwet 104

Niemand geeft wat hij niet heeft 107

Gevolgen van het evolutieve denken 109

THEOLOGISCH-EXEGETISCHE BENADERING 116

Welke præmisse is nodig ? 116

Welke filosofisch-theologische basis ? 117

Welke exegetische benadering past ? 119

Tekstanalyse van het boek Génesis 121

De eerste mensen volgens het boek Génesis 124

De ouderdom van de mens volgens de Schriften 126

THEOLOGISCH-DOGMATISCHE BENADERING 128

Leerstellige uitspraken 128

Gevolgen van de erfzonde 131

Graden van zekerheid 132

Geloofswaarheden over de menselijke ziel 133

Geloofswaarheden over de schepping 134

Geloofswaarheden over de erfzonde 136

Geloofswaarheden over het bestaan van God 138

THEÏSTISCHE EVOLUTIE 142

Diachrone of synchrone creatie 142

Is Adam uit een hominide of uit klei geschapen ? 144

Samenvatting theïstische evolutie 146

THEOLOGISCH-MYSTIEKE BENADERING 149

Een mystieke grondstelling 149

Anna-Katarina Emmerick 151

Maria Valtorta 152

Leonie Van Den Dijck 156

INHOUD 159