1. Op de Opinie-pagina van het Vlaamse dagblad De Standaard van 17 october 1995 vraagt Pater Jos Beel, Scheutist, en oud-redacteur van het Vlaamse parochieblad Kerk en Leven, zich af wie in de toekomst de Kerk zullen dragen. Ondanks het feit, dat vele gelovigen voor priesterroepingen bidden, is het aantal eerste jaars seminaristen blijvend laag. Pater Beel geeft enige cijfers daarvoor. Vervolgens breekt hij een lans voor de wijding van gehuwde mannen en vrouwen. Hij deelt nog mede, dat er geen echte theologische bezwaren zijn tegen de priesterwijding van vrouwen.
2. In Vlaanderen zijn in de maand october 1995 maar 13 jongeren aan een seminarie-opleiding begonnen (Gazet van Antwerpen, 9 november 1995, pagina 8). In Brugge 3, in Gent 6, in Antwerpen 0, in Hasselt 2, in Mechelen-Brussel 2. Aan het interdiocesane Centrum voor Priesteropleiding op Rijpere leeftijd (CPRL) te Antwerpen waren toen nog 15 studenten in opleiding. In franstalig België waren er destijds 20 beginners in de seminaries. De Vlaamse seminaries telden tesamen (in 1995) 82 seminaristen, de Waalse 91. Deze cijfers zijn niet wezenlijk verbeterd sedert 1995; de toestand van 2001 is eerder slechter dan die van 1995.
3. Hoewel de bewogen zorg van Pater Beel onmiskenbaar blijkt, wordt het probleem van het priestertekort door hem ongenuanceerd gesteld. Er zijn heel wat aspecten, die hij niet noemt. Zo zijn bijvoorbeeld de diakens, de catechisten en de pastorale werkers de drie grote onbekenden in zijn artikel. Hij beperkt zich ook tot de toestand in Vlaanderen, terwijl er heel wat ervaringen elders in de wereld te rapen zijn. Tenslotte is hij niet volledig wat de sociologie en de theologie van de zaak betreffen. Het onderstaande wil een positieve aanvulling zijn op Pater Beel's artikel.
4. Allereerst over het aantal roepingen voor het celibataire priesterschap. Dit betreft ongehuwde jonge mannen. In Nederland heeft het diocesaan seminarie Rolduc van het bisdom Roermond lange tijd tot een vijftiental aanmeldingen jaarlijks gekend. Nu zijn het er minder, 5 of meer per jaar, omdat studenten uit andere bisdommen, die eertijds in Rolduc priesterstudies volgden, heden in de eigen bisdommen terecht kunnen. In 's-Hertogenbosch is het eigen seminarie sinds de oprichting door Mgr. Ter Schure in 1987 altijd goed bezet geweest. Heden (2001) zijn er een veertigtal studenten, waaronder enkele Vlamingen. Ondertussen is er ook vooruitgang geboekt in het bisdom Haarlem, ook daar zijn nu meerdere priesterstudenten. Maar feit blijft, dat het totaal aantal seminaristen in Nederland in de loop der jaren tot heden (2001) steeds kleiner is geworden, en dat de aanwas altijd veel kleiner blijft dan de vervangingsbehoefte.
5. Men bedenke ook, dat Mgr. Leonard, tegenwoordig bisschop van Namen, in zijn tijd te Louvain-la-Neuve mooie resultaten heeft behaald met de priesteropleiding aldaar. In Namen is de eigen diocesane priesteropleiding langzamerhand op gang gekomen. De huidige moeilijke situatie is sterk streek en land bepaald. Beperkend tot de Westelijke wereld kan men stellen, dat er niet weinig bisdommen zijn, waar wel voldoende roepingen zijn. In de Verenigde Staten zijn er minstens een vijftal, waarvan de seminaries goed gevuld zijn. Het kàn dus wel in de bisdommen, zij het blijkbaar niet in Vlaanderen. Want het aantal priesterstudenten per 100.000 katholieken is in Europa het geringst in Luxemburg (2,43), vervolgens in Frankrijk (3,31), in Nederland (3,37), in België (4,16) [volgens het Annuárium Statísticum Ecclésiæ, dat is het Statistisch Jaarboek van de Kerk, van 1993]. Het tekort is dus vooral in onze streken opmerkelijk.
6. Dan zijn er de congregaties en de kloosters. Generaal ziet men over de hele wereld, dat de strengere contemplatieve kloosters zich het best handhaven. Hoewel de Belgische en Nederlandse Benedictijnen en Trappisten zeker niet mogen juichen over hun aanwas - er is op zijn best een status quo - zijn er elders vele abdijen, die flink groeien. Daar ziet men talrijke jonge gezichten tot 50 of meer per abdij toe. Zo in Frankrijk o.a. te Flavingy-sur-Ozerain [gesticht na 1970, in 1990: 80], Le Barroux [gesticht na 1970, in 1990: 48], Fontgombault [1985-1990: + 14; 1990: 86], Randol [gesticht in 1971, 1985-1990: + 2; 1990: 44], Triors [gesticht in 1984, 1985-1990: + 4; 1990: 22], Solesmes [1985-1990: + 7; 1990: 91]. Een Amerikaanse Benedictijnerabdij in Pennsylvenië telt heden (2001) 180 monniken.
7. De congregaties en instituten van gewijd leven doen het minder goed, maar toch zijn er ook daarbij die relatief veel roepingen kennen. Opvallend is wel, dat het merendeels nieuwere stichtingen zijn. De van ouds bekende priestercongregaties, zoals de Scheutisten, maar zij niet alleen, lijden duidelijk aan bloedarmoede, en beleven een proces van uitsterven. Bij de vrouwelijke religieuzen is het niet veel anders. Wonderlijk is wel, dat vele van die oude congregaties, die in Europa en Amerika aan het uitsterven zijn, in vroegere missielanden een flinke aanwas kennen. Mogelijk is de wat sombere visie van Pater Beel daar door beinvloed. Het is ook waar, dat bloeiende stichtingen in België (en in Nederland) ontbreken. Van de congregaties springen er twee priesterbroederschappen uit. Het zijn die van Sint Pius X, heden niet verenigd met de Paus, welke zo�n 150 seminaristen heeft en tot een 20-tal wijdingen per jaar, over de gehele wereld geteld. De andere is die van Sint Petrus, verenigd met de Paus, met 10 à 15, wijdingen per jaar over de gehele wereld. De Franse Broederschap van Sint Jan telt heden (2001) over de 200 novicen.
8. Het is duidelijk niet overal zo somber als het ons in Vlaanderen toe schijnt. In het bestek van dit artikel kan geen uitputtende analyse van het waarom worden gegeven. Heel algemeen blijkt, dat de aanmeldingen voor het celibataire priesterschap vooral daar te zien zijn, waar het bestendige katholieke geloof en de traditionele devotionele gebruiken correct worden doorgegeven - correct, dat is volgens de leringen van Vaticanum II en volgens de Katechismus van de Katholieke Kerk - èn waar een behoorlijke interne tucht bestaat, èn waar een goede spirituele - christologische en mariale - vorming wordt gegeven. Met name komen er meer roepingen voor, daar, waar - in de parochies en de seminaries - veel waarde wordt gehecht aan een verzorgde misliturgie volgens de officiële boeken, waar regelmatig aanbiddingen van het Heilig Sacrament worden gehouden, en waar het Rozenhoedje regelmatig wordt gebeden. Er is blijkbaar niets wat idealistische jongeren zó afschrikt als de liturgische vrijheden en de theologische wanorde, die op vele plaatsen heersen. En een biddende en aanbiddende thuisbasis in de parochies is onontbeerlijk.
9. Indien de Vlaamse bisschoppen dezelfde beleidslijnen zouden volgen als de - in dit opzicht - meer succesvolle bisschoppen in de Verenigde Staten en in Nederland, dan lijkt het mogelijk te zijn - gezien de overeenkomsten in aard en tradities tussen de respectievelijke volkeren - in enkele jaren tijds tot wellicht 5 of meer wijdingen van celibataire priesters per bisdom en per jaar te komen. Om dit te bereiken zullen de Vlaamse bisschoppen niet alleen de gelovigen tot vurig dagelijks privé gebed als boven aangegeven, èn de pastoors tot wekelijks gebed in de kerken in alle missen moeten oproepen, eveneens als boven aangegeven, zij zullen óók organisatorische wijzigingen moeten doorvoeren in de bestaande opleidingen.
10. Van 1975 tot 1993 daalde het percentage katholieken, dat in het weekeinde naar de kerk ging, van 31,1 % tot 12,6 %. In 1975 werd 35,9 % van alle huwelijken in de katholieke kerk gesloten, in 1992 nog 18,7 %. Tussen 1975 en 1993 daalde het aantal priesters (in dienst van bisdommen) van 4008 tot 2006. In 1975 waren er per priester gemiddeld 1371 katholieken, in 1993 waren dat er 2756. Het percentage katholieken van de gehele bevolking daalde van 40,0 % in 1975 tot 36,3 % in 1993.
11. Tussen 1975 en 1993 nam het aantal pastorale werkers en werksters toe van 143 tot 596. Diakens komen vanaf 1984 (sic !) in de kerkelijke statistieken voor. Nota Bene: Dat is ongeveer 20 jaar na het Tweede Vaticaans Concilie, waarbij het permanente diakenschap (ook voor gehuwden) werd hersteld. Welk een vooruitstrevend beleid blijkt daar niet uit ! In 1993 waren er 164. Het totaal aantal pastorale krachten (priesters, diakens en pastorale werkers en werksters) is echter afgenomen van 4151 in 1975 tot 2766 in 1993. Het bestand van pastorale krachten bestond in 1975 voor 96,6 % uit priesters. Dat aandeel daalde tot 72,5 % in 1993. In 1993 is 21,5 % van het bestand pastoraal werker of werkster, en slechts 5,9 % (resic !) is diaken.
12. In 1977 waren er 14 pastorale werksters in Nederland en was 8,9 % van de pastorale werkers en werksters een vrouw. In 1987 waren er 87 pastorale werksters, 21 % van het totaal. Hun aandeel in het totaal groeide tot 34,9 % in 1993. Binnen het totale bestand van alle pastorale krachten is het percentage vrouwen natuurlijk veel kleiner. In 1977 was het 0,3 %, in 1987 2,9 % en in 1993 was het 7,5 %. Het aantal vrouwelijke theologen, dat af gaat studeren bij theologische faculteiten zal nog toenemen, zodat - bij ongewijzigd beleid - het percentage pastorale werksters in het totaal aantal pastorale krachten eveneens zal toenemen.
13. In 1975 was in Nederland het aantal katholieken per pastorale kracht (priesters en pastorale werkers en werksters; diakens waren er toen nog niet) gemiddeld 1324. In 1992 was dat opgelopen tot gemiddeld 2034 en in 1993 daalde het tot 1999. Als het aantal gelovigen per pastorale kracht verder zou dalen, dan wordt dat - bij ongewijzigd beleid - alleen veroorzaakt door de toename van het aantal mannen en vrouwen pastorale werkers en het aantal diakens. Bij ongewijzigd beleid zal het aantal pastorale werkers en werksters blijven toenemen, het aantal diakens eveneens, het aantal priesters zal nog sterk afnemen (door sterfte, niet gecompenseerd door voldoende wijdingen), en het aantal katholieken zal verder afnemen door kerkverlating. Inderdaad tonen de laatste cijfers van 2000 aan, dat deze trends zich zó hebben voortgezet.
14. Uit al deze statistieken komt niet duidelijk naar voren, dat de term 'pastorale kracht' een verzamelnaam is voor personen met sterk verschillende sacramentele en pastorale bevoegdheid, met verschillend opleidingsniveau, en met verschillende omvang van de weektaak (voltijds/deeltijds). Een kwantitatieve verbetering, bijvoorbeeld door vergroting van het aantal pastorale werkers, geeft niet direct een verbetering van de inzetbaarheid, gezien de verschillen in sacramentele en pastorale mogelijkheden.
15. Een tweede punt, wat uit deze Nederlandse statistieken niet naar voren komt, is het geloof van de betreffende priesters en pastorale werkers. Onderzoek in het einde van de negentiger jaren heeft aan-getoond, dat ongeveer de helft van de priesters niet (meer) gelooft in de transsubstantiatie, dus ook niet (meer) in hun eigen sacramenteel priesterschap. Zij beschouwen zichzelf in feite zoals een protestantse dominee zichzelf beschouwt. Bij de pastorale werk(st)ers is het erger, daarvan gelooft zo�n 70 % niet meer in de transsubstantiatie. Zij zien dus geen enkel theologisch verschil (meer) tussen de priester en zichzelf.
16. Een derde onduidelijk punt is, in welk geloof de seminaristen op de Nederlandse seminaries en in de convicten worden opgevoed. Bekend is, dat er een tamelijk groot verschil bestaat tussen de filosofische en theologische vorming van, zeg, vóór 1965, en die van heden (2001). Onderrichte men destijds de zg. klassieke theologie, tegenwoordig is dit gewoonlijk �la nouvelle théologie�, de nieuwe theologie. De verschillen daartussen zijn niet onbelangrijk, en werken door in alle aspecten van de priesterlijke bediening.
17. Met de mogelijke vergroting van het aantal jonge celibataire priesters is de bezetting van alle pastorale plaatsen op termijn niet verzekerd. Er moet dus op korte termijn meer gebeuren. Dan komt op practische gronden het eerst de uitbreiding van het aantal diakens in aanmerking. Er zijn (zeer weinig) ongehuwde celibataire diakens van minstens 23 jaar oud, en vergroting van dit aantal is moeilijk, zo niet vrijwel onmogelijk. En er zijn gehuwde diakens van minstens 35 jaar oud. Hun aantal neemt, generaal gezien, langzaam toe. Diakens zijn gewijd, het zijn geestelijken, zij behoren tot de clerus van de Kerk. Zij hebben rechtens deel aan de goddelijke eredienst.
18. Diakens mogen, kerkrechtelijk gezien, veel doen: preken tijdens en buiten de Mis, dopen, communie uitreiken, het Heilig Sacrament uitstellen en daarmede zegenen, huwelijken sluiten, sacramentaliën bedienen, zoals gebouwen en voorwerpen zegenen, en bijvoorbeeld de Blasiuszegen geven. De diaken mag ook op Aswoensdag de as opleggen, hij mag Lof en Vespers celebreren en daarbij de zegen geven, en hij mag uitvaartplechtigheden leiden. Natuurlijk kan hij ook allerlei catechetisch en pastoraal werk verrichten (doopselcatechese, vormselcatechese, huwelijksvoorbereiding, ziekenbezoek, avondwake). Diakens kunnen ook met het feitelijk bestuur van een parochie worden belast, al zal de formele leiding altijd aan een priester toekomen. Diakens kunnen voltijds of deeltijds (naast hun beroepsbezigheden) voor de Kerk werken. Rome staat zeer positief tegenover de gehuwde diaken.
19. Sommige bisdommen, zoals Roermond, hebben al vele jaren een opleiding (vier tot vijf jaar meestal in de weekeinden) voor gehuwde diakens. Hun aantal is daar dan ook aanzienlijk. Gewoonlijk worden zij in de thuisparochie geplaatst. Zij zijn een grote steun voor de parochiepriesters. De meeste gehuwde diakens in Nederland werken deeltijds en komen financiëel slechts gedeeltelijk ten laste van de parochies. In sommige Nederlandse bisdommen (bijvoorbeeld Breda) en in Vlaanderen is het aantal diakens duidelijk veel te klein.
20. In bepaalde bisdommen (zoals Breda) is er (bewust ?) gekozen voor meer (jongere) pastorale werkers in plaats van voor gehuwde diakens, daarmede ingaande tegen de, door het Concilie gewenste, vernieuwing. In andere bisdommen (zoals Antwerpen) heeft men de werving van gehuwde diakens maar wat op zijn beloop gelaten. Dit te verbeteren is tot op heden niet met voortvarendheid aangepakt. De opleiding is ook te lang (vijf jaren) om het huidige tekort in de parochies op kortere termijn op te vangen, en sommige opleidingen voldoen niet aan de eisen, zoals boven gesteld voor de celibataire priesters.
21. Men zou goed ontwikkelde en gehuwde viri probáti (beproefde mannen) moeten kiezen van 45 à 55, ja tot 60, jaar. Elke pastoor kan er zo minstens één of twee aanbrengen. Goed opgeleide mannen van die leeftijd hebben in hun jeugd gewoonlijk ook goed godsdienstonderwijs genoten, zodat de opleiding tot diaken tot een half à hoogstens één jaar kan worden teruggebracht. Kerkelijke richtlijnen staan dat heden niet toe, maar als de nood hoog genoeg is - dat is plaatselijk nu al op vele plaatsen het geval, en het zal binnen enkele jaren algemeen worden - moeten er ook noodmaatregelen genomen kunnen worden.
22. En viri probáti van 50 of meer hebben gemiddeld een stabiel huwelijksleven van minstens 25 jaar achter de rug, hetgeen een zeer groot voordeel is in deze woelige tijden. Hun kinderen zullen al groter zijn, waardoor de eisen van het eigen gezin gemiddeld gezien minder zwaar zullen zijn, en meer tijd en energie beschikbaar zal zijn voor het diakenschap. Mannen van die leeftijd met goede vooropleidingen hebben gewoonlijk in hun beroep en in maatschappelijke organisaties al grote verantwoordelijkheden gedragen. Dat zal zeer van pas komen bij het leiding geven in de parochies. Natuurlijk is een bestendig en intensief katholiek geloofsleven de belangrijkste factor bij de keuze van deze oudere gehuwde mannen.
23. De financiële consequenties verschillen aanzienlijk van land tot land. In België komen diakens (voltijds zowel als deeltijds) ten laste van de staat, juist zoals alle priesters. In Nederland moet de parochie de diakens zelf betalen, evenals de priesters. Ook in dit opzicht kan de keus van oudere mannen als gehuwd diaken een voordeel zijn. Want velen van hen zijn ten gevolge van hun beroepsbezigheden geheel of gedeeltelijk financiëel onafhankelijk, wat de lasten voor de parochies mogelijk kan beperken.
24. De pastorale werker heeft gewoonlijk een (universitaire) opleiding godsdienstwetenschappen op hetzelfde niveau als de priesters gevolgd. Ook al wordt hij door de bisschop aangesteld, hij is geen cléricus, hij wordt niet gewijd, hij blijft een leek. Hij mag geen sacramenten toedienen (behalve in noodgevallen het doopsel, maar dat mag iedereen). Hij mag niet preken tijdens de Eucharistie. Men bedenke, dat de grond voor het kunnen en mogen vervullen van liturgische en sacramentele functies niet gelegen is in de theologische opleiding, noch in de aanstelling door de bisschop als pastoraal werker voor parochie X of Y. De enige rechtmatige basis daarvoor is de wijding tot priester of diaken. Toch zijn er voor werkelijke noodgevallen enige uitzonderingen op dit beginsel.
25. Het kerkelijk wetboek bepaalt, dat individuele bisschoppen aan pastorale werkers kunnen toestaan te dopen in bepaalde omstandigheden. Dat betreft dan niet een nooddoop - die mag iedereen doen - maar slaat bijvoorbeeld op missielanden en op afgelegen gebieden, waar maar zelden een priester komt, en waar kinderen anders te lang ongedoopt zouden blijven. Sommige (Nederlandse) bisschoppen hebben dit doopverlof voor bepaalde gevallen gegeven, hoewel men zich af kan vragen of de in het wetboek bedoelde omstandigheden in onze landen wel aanwezig zijn.
26. Volgens het kerkelijk wetboek kan een bisschoppenconferentie aan Rome verlof vragen, dat pastorale werkers namens de Kerk aanwezig zijn bij een huwelijkssluiting. Ook deze bepaling is duidelijk bedoeld voor missiegebieden en voor katholieken levend in de verstrooiing. De Nederlandse bisschoppen hebben deze goedkeuring dan ook niet gevraagd.
27. Volgens canon 230 van het kerkelijk wetboek kunnen mannelijke leken worden aangesteld tot lector en acoliet. Waar de nood der Kerk dit wenselijk maakt, kunnen ook leken, die geen lector of acoliet zijn, sommige taken van lector of acoliet waarnemen. In de bijbehorende opsomming staat o.a. genoemd: � ... de bediening van het woord uitoefenen, ... , in liturgische gebeden voorgaan, ... � Het betreft hier liturgische taken, dat zijn taken tijdens de liturgie, waarbij lector en acoliet normaal aanwezig zijn.
28. Als priester en diaken werkelijk in de onmogelijkheid verkeren om te komen, èn als er geen lector of acoliet daar ter plaatse is aan-gesteld, als er dus echte nood is, kan de pastorale werker de liturgische taak van de lector of acoliet waarnemen, maar elke andere geschikte leek kan dat ook. Natuurlijk kan een pastorale werker zelf óók als lector of/en acoliet zijn aangesteld (maar dit schijnt weinig voor te komen).
29. De pastorale werker kan verder, zoals elke leek, de leiding nemen van sommige gebedsdiensten, zoals bijvoorbeeld een vesperdienst of een avondwake in het sterfhuis (niet in de kerk). Men zie voor een nadere uitwerking betreffende de uitvaart de brochure De Uitvaartliturgie: Réquiem of Communiedienst, Priester of Pastorale werker ? met nummer LT202 - 2e druk van juni 1994 - die verkrijgbaar is bij Ioánnes Courlísius, Domus Editória v.z.w.
30. Echter, als het gaat om directe verkondiging, liturgie of pastoraat, dan is een zending van de bisschop nodig, wegens de verbondenheid met het hiërarchisch ambt. De aanstelling van de pastorale werker door de bisschop is mogelijk wel als zo'n zending te interpreteren, hoewel het kerkelijk wetboek (codex) de pastorale werker niet kent [Men zie pp. 19-22 van: Dr. J. Hendriks, Parochierecht, Uitgeverij Tabor, Brugge, 1987]. Toch zegt canon 230 onder p.33, dat het leiden van gebedsdiensten alleen aan leken wordt overgelaten als er niet voldoende geestelijken zijn. Of dit in onze streken heden geldt is een grote en open vraag.
31. Het dichtst bij de pastorale werker komt in het wetboek de omschrijving van de catechist. De codex omschrijft in canon 785 deze als de christengelovige leek, die op de vereiste wijze is opgeleid, die uitmunt door een christelijke levenswijze, en die, onder leiding van de missionaris, zich inzet voor de uiteenzetting van de christelijke leer en het regelen van de liturgische oefeningen en van de liefdewerken. Uit de tekst blijkt duidelijk, dat catechisten voor missiegebieden zijn bedoeld, en niet voor onze streken. Want in die streken zal een man met een (universitaire) theologische opleiding zoals de pastorale werker nimmer catechist worden.
32. De pastorale werker kan natuurlijk (zoals elke daartoe geschoolde leek) doopsel-, eerste-communie-, vormsel-, bijbel- en volwassenencatechese geven, zieken bezoeken, de rozenkrans voorbidden, huwelijksvoorbereidingen leiden, aan rouwbegeleiding doen, e.d. Ook allerlei administratieve en leidinggevende activiteiten in de parochie kunnen bij de pastorale werker (zoals bij elke daarin kundige leek) in goede handen zijn.
33. In Nederland worden pastorale werkers en werksters gewoonlijk opgeleid aan theologische faculteiten. Die van Tilburg telt een kleine 300 studenten, waarvan ca. 50 % vrouwen. De meesten zijn jong, al is het percentage ouderen niet onbelangrijk. In Nederland hebben sommige bisdommen, o.a. het bisdom Breda, veel ervaring met pastorale werkers, meer dan met gehuwde diakens. Zij worden daar gewoonlijk als jonge gehuwde pastorale werker (of werkster) aan-gesteld in een parochie, welke formeel ook nog een priester als pastoor heeft. De jongeren onder hen zijn dan, na een ca. zesjarige dagstudie, tussen de 25 en 30 jaar oud.
34. Als de gehuwde pastorale werker de leeftijd van 35 jaar heeft bereikt, kan hij tot diaken worden gewijd. Dit schijnt echter maar weinig voor te komen, met name in Nederland, terwijl het toch voor de hand ligt, omdat daardoor de inzetbaarheid van deze personen sterk wordt vergroot. Men vergelijke de beide - hierboven gegeven - lijsten van mogelijke en toegestane taken. Dit is een hoogst opmerkelijk feit. Waarom is het geen vaste beleidslijn van de (Nederlandse) bisschoppen om de theologische faculteiten in beginsel (gehuwde) diakens te laten opleiden in plaats van pastorale werkers ? Waarom vraagt men Rome geen toestemming om (de) (jongere) gehuwde mannen tot diaken te mogen wijden op 28- tot 30-jarige leeftijd ? De voordelen van diakens boven pastorale werkers zijn immers evident !
35. In de praktijk blijkt in Nederland, dat vast aangestelde voltijds werkende (gehuwde) pastorale werkers zich nog al gemakkelijk allerlei handelingen toeëigenen, die aan priester en diaken zijn voorbehouden. Dit is geen uitzondering. Usurpatie van taken en verantwoordelijkheden is zeker geen zeldzaamheid. Als voorbeeld: In vier parochies in het bisdom Breda werken pastorale werkster en pastorale werkers. Zij leiden in feite de gehele woorddienst van de zondagse Eucharistie, inclusief het preken. Alleen bij de canon treedt even een (gepensioneerde) priester op, die vaak niet eens mee de communie uitreikt. Sommige pastorale werkers zijn gespecialiseerd in zg. woord-communiediensten (nodeloos ingevoerd ter vervanging van de zondagse Mis, nodeloos, omdat er ter plaatse best een gepensioneerde priester te vinden is), welke zodanig worden uitgevoerd, dat de argeloze toeschouwer meent een gewone Eucharistie bij te wonen. Slechts de deskundige liturgist is in staat deze �viering� te onderkennen als pseudo-eucharistische dienst, inclusief pseudo-consecratie, en pseudo priesterlijke zegen. Tegenwoordig is dit niet uitzonderlijk meer, het geval staat geenszins op zichzelf. Talrijke pastorale werkers (en werksters) eigenen zich meer of minder toe van de taken en handelingen, voorbehouden aan priesters en diakens. Dit loopt van kleinigheden tot volledige usurpatie (wederrechterlijke toeëigening) van priesterlijk werk.
36. Pastorale werkers en werksters eigenen zich niet slechts een deel van de priesterlijke bevoegdheden toe, zij laten zich ook graag 'pastor' noemen. Omdat zij per saldo toch gewone leken zijn, doet dit merkwaardig aan. Te meer zo, als het een vrouwelijke 'pastor', een pastorale werkster betreft. De correcte vrouwelijke vorm zou immers pastrix zijn. In het Directorium voor het ambt en het leven van de priesters, gedateerd 31 januari 1994, zegt Onze Heilige Vader Paus Johannes-Paulus II duidelijk, dat alleen de priesters 'pastores' zijn. Citaat (nr 19): � Een middel om niet in de bekoring van democratis-me te vervallen, bestaat hierin, dat men een zekere clericalisering van de leken, waardoor afbreuk wordt gedaan aan het ambtelijk priesterschap van de priester, vermijdt. Want, hij is de enige, die na de bisschop, krachtens het bij de wijding ontvangen priesterlijk ambt, in stricte en eenduidige zin de naam van pastor verdient. ... Overigens moet er op worden gewezen, dat dergelijke tendensen niet echt bevordelijk zijn voor de plaats van de leek [in de Kerk]; zij leiden er vaak toe, dat de ware roeping en de kerkelijke opdracht van de leken in de wereld worden vergeten. �
37. Dit het zich toeëigenen van taken en bevoegdheden door pastorale werk(st)ers hangt o.a. ook samen met het opleidingsniveau. Zij zijn meestal op priesterlijk niveau opgeleid, hebben Latijn, (enig) Grieks en (wat) Hebreeuws geleerd, allerlei takken van de theologie op wetenschappelijk niveau bestudeerd, en willen daarom hoogwaardig (lees: priesterlijk) werk doen. Hun opleiding is in feite te hoog voor het werk, dat zij kerkrechterlijk mogen doen. In de praktijk blijkt tevens, dat talrijke pastorale werkers, en vooral werksters, te weing begrip, of een verkeerd begrip, hebben van de sacramentaliteit verbonden met de wijding tot diaken en priester. Het lijkt er op, dat er in hun geest een weinig duidelijk inzicht bestaat in de verschillen tussen hun eigen aanstelling en de sacramentele wijding van de diaken en de priester. De meest recente enquetes bevestigen dit ondubbelzinnig.
38. Dit alles leidt tot verwatering van het zuivere begrip van de priesterlijke bediening. Want, het komt regelmatig voor, dat pastorale werkers zich liturgisch kleden als priester (althans voor het weinig kritische oog van het volk, dat het verschil tussen een kazuifel, een dalmatiek, een moderne toga, of een gebedsmantel niet ziet) en zich tijdens woord- en communiediensten min of meer als priester gedragen, waardoor het volk nauwelijks meer het verschil ziet tussen de Eucharistie en de namaak-mis van de pastorale werker. Vanzelfsprekend geeft dit onrust en ongenoegen in de parochies. Hetgeen verergert, als het een pastorale werkster, een vrouw dus, betreft. Want, men bedenke, dat het vooral de ouderen zijn, die de zondagse kerkgang trouw zijn gebleven, en dat zijn juist degenen, die de katholieke liturgische gebruiken van bijna 2000 jaar oud - waarin de vrouw geen rol van betekenis speelt - met zich mee dragen.
39. Een groot probleem bij alle gehuwde pastorale werkers is de financiering. Want zij worden in Nederland meestal voltijds aan-gesteld. Zij zijn immers opgeleid als theoloog, hebben een (universitair) diploma behaald, en willen als theoloog hun brood verdienen. En dan komen zij geheel ten laste van de parochie. Dat geldt óók voor de (ongehuwde) priesters, ook die komen in Nederland geheel ten laste van de parochie. Maar de ongehuwde priesters kunnnen behoorlijk leven van een lagere beloning dan de gehuwde pastorale werkers met kinderen. Tegenwoordig klagen Nederlandse kerkbesturen dan ook steen en been over de te zware financiële lasten, die gehuwde pastorale werkers en hun gezinnen meebrengen. Pastorale werkers worden onbetaalbaar, zo zeggen Nederlandse kerkbesturen [in België: kerkfabrieken].
40. Als men nu weet, dat een der grote Nederlandse protestantse kerken, genaamd de gereformeerde kerk, drie maal zo veel predikanten met gezinnen onderhoudt, als de katholieken ongehuwde priesters, dan vraagt men zich af waarom katholieke kerkbesturen zo klagen over de te hoge lasten van pastorale werkers. Op deze terechte vraag is maar één redelijk antwoord: De pastorale werkers zijn, voor wat zij de parochie kosten, te weinig inzetbaar. Want het kerkbestuur moet óók nog priesters en diakens (indien beschikbaar) zoeken en die dan betalen voor de sacramentele vieringen en handelingen.
41. In België is dit soms óók het geval. Pastorale werkers worden, als zij zg. pastoraal assistent zijn, betaald door de staat, zoals priesters en diakens. Zijn zij geen pastoraal assistent, voltijds of deeltijds, dan komen zij ten laste van een dekanaal fonds of van een of meer parochies. Zakelijk gezien kost zo�n voltijds pastorale werker de parochiegemeenschap te veel voor wat hij opbrengt (lees: gezien de taken, die hij mag vervullen). Ten opzichte van de (gehuwde) diaken is de pastorale werker ver, ja, zeer ver in het nadeel voor de parochiegemeenschap, zowel pastoraal als financiëel. Voor de pastorale werkster geldt dit in nog sterkere mate, want de mogelijke en toegestane inzet van haar is liturgisch en pastoraal nòg geringer dan die van de pastorale werker.
42. Godsdienstsociologen in Nederland hebben de neiging om te spreken over pastorale krachten. Daaronder verstaan zij dan (celibataire) priesters, al of niet gehuwde diakens, ongehuwde en gehuwde pastorale werkers en werksters. Zij tellen deze in hun statistieken allemaal als gelijkwaardig en als (pastoraal) verwisselbaar mede. De kerkelijke situatie lijkt zó veel minder slecht, want het totaal aantal pastorale krachten is ten opzichte van het aantal parochies nog heel aardig. En zij wijzen dan op het behoorlijke aantal studenten, dat heden aan theologische faculteiten studeert. Die mensen zullen echter - zoals het er nu bijstaat - slechts het corps pastorale werkers en werksters versterken.
43. Daarom doet deze voorstelling van zaken geen recht aan de sacramentele verschillen tussen priesters, diakens en pastorale werkers en werksters. Zo'n benadering - allen samengevat onder de noemer 'pastorale krachten' - zou op kunnen gaan voor een protestantse kerk, waar men slechts één type pastorale bediening, genaamd dominee, kent (daarvan zijn ook vrouwelijke exemplaren). Maar elke rooms-katholiek, die zijn Kerk kent, zal zulk een oververeenvoudiging afwijzen, af moeten wijzen, omdat er geen recht wordt gedaan aan de verschillende taken in het pastoraat, te weten bediening der sacramenten en der sacramentaliën, liturgie en verkondiging, catechese, armen- en ziekenzorg, bestuur en beheer.
44. Om de heersende tekorten op korte termijn op te vangen zouden de (Vlaamse en Nederlandse) bisschoppen met kracht de selectie van oudere gehuwde mannen (45 à 60 jaar), bestemd om te worden gewijd tot gehuwd diaken, ter hand moeten nemen. Beproefde mannen, die kunnen wijzen op een bestendige katholiciteit, op een stabiel huwelijksleven, op leidinggevende ervaringen in hun beroepsleven, op gedragen verantwoordelijkheden, op een goede godsdienstige opleiding in hun jonge jaren. Dán zal een opleiding tot diaken van � to 1 jaar maximaal volstaan. Aanstelling in elke parochie voltijds of deeltijds, naar gelang de persoonlijke en de financiële mogelijkheden.
45. Voortgaande aanstelling van universitair opgeleide theologen tot pastorale werkers en werksters in het basispastoraat, in de parochies dus, kan het best direct worden beëindigd. Zij zijn te hoog opgeleid en te duur in verhouding tot de sacramentele en pastorale prestaties, die hun zijn toegestaan, en hun inschaling leidt tot verwarring en onrust bij de (oudere) gelovigen. Er is vanzelfsprekend geen bezwaar tegen het inzetten van (toekomstige) afgestudeerden van theologische faculteiten in andere takken van pastoraal dan het basispastoraat, zoals bijvoorbeeld het geven van godsdienstonderricht op scholen, waar het bezit van een hoger diploma voor onderwijsgevenden normaal is.
46. De bisschoppen zouden de heden in parochies aangestelde (al of niet gehuwde) pastorale werkers, die ouder zijn dan 35 jaar, dringend moeten aanraden zich op zeer korte termijn tot diaken te laten wijden. Die wijding vergroot en verbreedt onmiddellijk hun sacramentele en pastorale inzetbaarheid. Degenen, die dit niet wensen, zou de raad moeten worden gegeven op korte termijn naar andere bezigheden (dan het basispastoraat) uit te zien. Deze laatste raad zou óók aan pastorale werksters aangesteld in parochies moeten worden gegeven. Deze dames kunnen immers niet tot diaken of priester worden gewijd.
47. En, de bisschoppen zouden aan Rome moeten verzoeken de minimale leeftijd van 35 jaar voor gehuwden, vereist om tot diaken te kunnen worden gewijd, voor reeds aangestelde pastorale werkers, éénmalig te verlagen tot zeg 25 of 30 jaar. Dit zou inhouden, dat de status van al de reeds in het basispastoraat werkzame pastorale werkers éénmalig, in één grote actie, zou kunnen worden geregulariseerd. Daardoor zouden in één klap een groot aantal, meer en breder dan pastorale werkers inzetbare, diakens beschikbaar komen.
48. Het is waar, dat er theologisch niet veel tegen gehuwde priesters valt in te brengen. Maar het is óók waar, dat er theologisch en practisch veel vóór de celibataire priester spreekt. Zo staan er twee, schijnbaar conflicterende, waarheden tegenover elkaar en komt men niet verder. De oplossing is die van de Oosterse kerken: Aan het celibataire priesterschap altijd de voorkeur blijven geven, en dit met kracht blijven bevorderen, èn, daar waar echte priesternood bestaat, gehuwde priesters inzetten. Want, Rome heeft in beginsel geen bezwaar tegen gehuwde priesters. Oók in de Latijnse Kerk kwamen en komen - zij het sporadisch - gehuwde priesters voor.
49. Rome heeft wèl bezwaar tegen het streven van sommigen om het celibataire priesterschap geheel af te schaffen en alle priesters in feite min of meer 'verplicht' te laten huwen. Dan zou de ene verplichting (niet huwen) worden vervangen door de andere verplichting (wel huwen). Dat zou zeker een te grote verandering zijn gezien de ervaring van vele eeuwen. Gewoonlijk pleit men voor de algehele loskoppeling van de celibaatsverplichting en het priesterschap. Dit betekent, dat men voor de vrije keuze van de (ook jonge) aanstaande priester is. Toch is dat niet wat hier wordt bepleit.
50. Rome lijkt evenmin te willen toegeven aan de druk van die bisschoppen, die niet genoeg ijveren voor (jonge) celibataire priesters, en die niet genoeg doen om gehuwde diakens in te passen in hun bisdommen, en dan, omwille van het, gedeeltelijk zelf veroorzaakte, tekort aan celibataire priesters en diakens, Rome vragen de wijding van gehuwde mannen tot priester toe te staan.
51. De meest aangewezen gedragslijn voor de (Vlaamse en Nederlandse) bisschoppen is duidelijk: het één doen, en het ander niet laten. Dus:
52. tegelijkertijd:
53. Want het gaat hier om oudere viri probáti, beproefde mannen, die kunnen wijzen op een bestendige katholiciteit, op een stabiel huwelijksleven, op leidinggevende ervaringen in hun beroepsleven, op gedragen verantwoordelijkheden, op een goede godsdienstige opleiding in hun jonge jaren. Dán zal een opleiding tot priester van � to 1 jaar maximaal volstaan. Aanstelling in de parochies voltijds of deeltijds, naar gelang de persoonlijke en de financiële mogelijkheden.
54. Men mag verwachten, dat als het verzoek oudere gehuwde mannen tot priester te mogen wijden, wordt ingebed in een veel groter plan, zoals hier bedoeld, de mogelijke weerstand van Rome gemakkelijker overwonnen zal kunnen worden.
55. Rest nog het probleem van de vrouw in het ambt. De Reformatorische kerken in Noord-Nederland hebben er na de Reformatie enkele eeuwen overgedaan voordat zij er aan toe waren vrouwen als dominee te accepteren. De gereformeerde kerk in Nederland kent sinds 1969 vrouwelijke predikanten; in 1988 was daar 4,5 % van het aantal predikanten een vrouw. Bij de hervormde kerk is het beroepen van vrouwen sinds 1966 mogelijk en in 1988 was 5,4 % van de predikanten vrouwelijk. Het is bekend, dat het aantal geregistreerde Nederlandse protestanten (hervormden en gereformeerden) al heel lang afneemt. De toelating van vrouwen tot het predikantschap heeft de globale achteruitgang niet kunnen afremmen, ook al nam bij sommige denominaties en in sommige perioden het totaal aantal predikanten (mannen plus vrouwen) per 100.000 gelovigen van die soort (tijdelijk) wat toe.
56. In de Anglicaanse kerk van Engeland heeft men er, na de losscheuring van Rome door Hendrik VIII, meer dan 450 jaar over gedaan voordat de vrouw tot het ambt werd toegelaten. Men kende daar al vrouwelijke �diakens� toen er nog steeds fel werd gedebatteerd over vrouwelijke �priesters�. De weerstand kwam vooral, naar men zegt, van de mannelijke �priesters�, waar �bisschoppen� en leken meer voorstanders telden van de vrouw in het ambt. Sedert die toelating, enkele jaren geleden onder vele protesten, werd goedgekeurd, zijn er een kleine 300 Anglicaanse 'priesters' en 3 Anglicaanse 'bisschoppen' overgegaan naar de katholieke Kerk in Engeland. Zij fungeren nu, na een katholieke wijding te hebben ontvangen, als katholiek gehuwd priester. Ruim 1100 vrouwen zijn in diezelfde periode toegelaten tot het �priesterambt� in de Anglicaanse kerk, maar deze netto sprongsgewijze toename van een kleine 800 personen is natuurlijk slechts éénmalig. Bovendien waren de meesten daarvan al vrouwelijk �diaken�, zodat de netto toename van pastorale krachten gering was.
57. Enkele protestantse groepen in de Verenigde Staten kenden in de tweede helft van de 19e eeuw al vrouwelijke bedienaars. De grotere kerken in dat land (presbyterianen, methodisten, lutheranen) zijn er echter eerst na 1956 toe overgegaan, met als laatste de Episcopal Church in 1977. Andere Anglicaanse kerken in eertijds Britse gebieden liepen met de toelating van vrouwen vóór vergeleken met de stamkerk in Engeland. De eerste Anglikaanse vrouw werd in 1944 in Hong-Kong 'gewijd'. De ervaringen van al deze Anglikaanse en andere protestantse kerken zijn echter niet hoopgevend, waar het de toekomstige bezetting met ambtsdragers betreft en vooral niet waar het gaat om het stopzetten van de daling van het aantal gelovigen. Toelating van de vrouw tot het ambt blijkt bij de protestante kerken helemaal niet de oplossing te zijn voor de geestelijke malaise. De kerkverlating en de verwereldlijking hebben zich gewoon doorgezet.
58. Het is opmerkelijk, dat in de Oosterse christelijke kerken - de orthodoxe zowel als de geüniëerde - de vraag om toelating van de vrouw tot het diakenschap of het priesterschap zich in de 2000-jarige kerkgeschiedenis nimmer heeft voorgedaan. Ook heden is dit voor alle Oosterse christenen, welke dan ook, een absoluut taboe.
59. In de Latijnse Kerk van het Westen, die van Rome, is de roep om vrouwelijke diakens en priesters hoogstens enkele tientallen jaren oud en dateert ongeveer van 1965. Al de vele eeuwen daarvoor is er nooit sprake van geweest, ook niet in tijden van priestertekorten, en evenmin in landen met kleine groepen katholieken, of in missiegebieden.
60. Al deze eeuwenoude ervaringen in alle, niet-protestante, christelijke kerken wijzen er op, dat er op de een of andere manier in het christendom een ingebakken weerstand bestaat tegen vrouwelijke diakens en priesters. Hiet wordt niet gevraagd naar het waarom. Dit wordt slechts geconstateerd op empirische gronden [proefondervindelijke gronden].
61. Overigens kennen ook talrijke andere wereldgodsdiensten slechts mannelijke bedienaren. In de Islâm is een vrouwelijke imman onbekend en ondenkbaar. In het Jodendom zijn priesters altijd mannen, al sedert Mozes (ca. 1250 vóór Christus). En voor Oosterse niet-christelijke godsdiensten geldt in het algemeen hetzelfde. Men moet welhaast concluderen, dat er in alle grote religies, en al heel duidelijk in de drie grote monotheïstische godsdiensten, een ingebouwde afkeer bestaat van vrouwelijke priesters en bedienaren. Wederom: hier wordt niet gevraagd naar het waarom. Het betreft slechts de constatering van historische feiten.
62. Sommige exegeten (bijbeluitlegkundigen) beweren, dat enkele passages in de Heilige Schrift wijzen op het bestaan van vrouwelijke diakens in de jonge Kerk, dat is de Kerk van de eerste paar eeuwen. Sommige bijbeluitleggers beweren zelfs, dat vrouwelijke diakens de leiding hadden over een parochie-achtige huisgemeenschap.
63. Oudere exegeten halen als mogelijke vrouwelijke priester in de Heilige Schrift aan de vrouwelijke naam Júnia in Rom.16,7. Jongere exegeten menen echter, dat die naam een afkorting is van het mannelijke Júnias. Júnias wordt overigens in het Latijn volgens de declinatie der vrouwelijke woorden verbogen. Dit is niets bijzonders. Ook de naam van de apostel Thomas behoort tot die declinatie. De Latijnse Neo-vulgaat, de Engelse Douay-Reims vertaling en de Nederlandse Willibrordvertaling geven alle drie in Rom.16,7 de naam als Júnias.
64. Dan haalt men, als bewijs voor het bestaan van vrouwelijke priesters, aan Kol.4,15 (ook Col.4,15), waarin de (vrouwelijke) naam Nympha of Nymfa zou voorkomen. Hedendagse exegeten menen echter, dat de naam het mannelijke Nymphas moet zijn, een afkorting van Nymphodórus. De Willibrordvertaling geeft Nympha. De Douay-Reims geeft Nymphas. De Latijnse Neo-Vulgaat geeft � Salutáte fratres, ..., et Nympham, ... � hetgeen wijst op de mannelijke naam Nymphas. Ook Nymphas behoort weer tot de mannelijke Latijnse woorden, zoals Thomas, welke volgens de declinatie van de vrouwelijke woorden worden verbogen.
65. Het sterkste argument vóór vrouwelijke diakens of priesters, maar niet overtuigend, is de tekst van Rom.16,1. Het betreft Ph�be, of Phebe, of Febe. De Willibrordvertaling geeft: � Ik beveel u onze zuster Febe aan, diakones van de gemeente te Kénchreæ. �
De Douay-Reims geeft echter: � ... Phebe, our sister, who is in the ministry of the church, that is in Cenchræ. �
De Vulgaat geeft: � ... Ph�ben, sorórem nostram, quæ est in ministério Ecclésiæ, ... �
De Neo-Vulgaat geeft: � ... Ph�bem, sorórem nostram, quæ est ministra Ecclésiæ, ... �
66. De originele Griekse tekst heeft 'diákonos', en daarom leest men dat in onze taal graag als 'diakones'. Dat mag, als men er dan maar wel bij vertelt wat dat woord in de samenhang betekent. Toch zijn de Engelse en de Latijnse vertalingen taalkundig en historisch meer verantwoord. Want 'diakones' suggereert meer, dan kerkhistorisch verantwoord is. Als wij het woord 'diakones' horen, denken wij namelijk aan de vrouwelijke pendant (tegenhanger) van de gewijde mannelijke diaken, lid van de katholieke clerus.
67. En dat is geheel vals. Want het Griekse diákonos, correct vertaald met het Latijnse minístra, betekent zoiets als 'dienares', 'helpster', 'medewerkster'. En het Latijnse 'in ministério' betekent zoiets als 'ingepast in het dienstwerk' of 'bedrijvig in de dienst van de Kerk'. In de eerste dagen van de Kerk had het woord diaken een veel bredere betekenis dan nu bij ons het geval is, nu de betekenis is verengd tot gewijde bedienaar van de Kerk.
68. In de latere literatuur van de Oosterse en, vanaf de 5e eeuw, ook in die van de Westerse Kerk, worden de diakonessen vaak genoemd. Zij onderrichten en dopen de vrouwen. Men bedenke, dat in die eeuwen het doopsel werd toegediend door volledige onderdompeling van de vrijwel geheel ontklede persoon in een soort vijver of kuip. Dat was vanzelfsprekend niet welvoegelijk voor mannelijke priesters en diakens, weshalve deze taak aan speciaal daar voor aan-gestelde vrouwen, genaamd diakonessen, toeviel.
69. Uit geen van die oude teksten kan men dus met zekerheid afleiden, dat het woord diakones een priesterlijke bediening betreft van dezelfde aard, die wij heden diaken noemen. Men bedenke, dat diaken, priester en bisschop personen zijn, die opvolgend in meerdere mate deel hebben aan de volheid van een en hetzelfde sacrament van het gewijde priesterschap. Het woord 'diaken' kon in die oude tijden, behalve als aanduiding voor mannelijke gewijde diakens (in onze betekenis), in de vorm van 'diakones', heel wel óók nog zijn gebruikt als aanduiding voor vrouwen, die het huishouden van priesters verzorgden, die aan zieken- en armenzorg deden en - zoals gezegd - die bij de doopselvoorbereiding en het doopsel meewerkten.
70. Het behoort tot de standaard rooms-katholieke opvatting, dat, behalve door de Heilige Schrift, óók middels de Traditie, dat is de Mondelinge Overlevering, belangrijke apostolische geloofswaarheden en gebruiken zijn doorgegeven aan latere generaties. Als de Heilige Schrift dus niet duidelijk is, zoals in deze zaak, dan moet elke katholiek de Overlevering onderzoeken, om uitsluitsel te verkrijgen. Welnu, er bestaat niet de minste twijfel over, dat vrouwen nimmer tot diaken of priester zijn gewijd, zoals wij dat heden verstaan. Dit feit is onloochenbaar. Al kan men over de theologische basis daarvoor twisten, het feit zelf staat onwrikbaar vast.
71. Dit alles betekent, dat men in de katholieke Kerk buitengewoon voorzichtig moet zijn met het introduceren van de vrouw in het ambt, tenminste indien men onrust en wanorde in de kerkgemeenschap wil vermijden, èn indien men nog verdere achteruitgang van het kerkelijk leven wil voorkomen. De eerste problemen hebben zich al aangediend daar, waar men pastorale werksters als medeverantwoordelijke in de eigenlijke parochiepastoraal introduceerde.
72. Het is niet overdreven te stellen, dat de doorgedreven en algemene invoering van vrouwen in pastorale bedieningen - niet slechts als pastoraal werkster, maar ook als diakones en als vrouwelijke �priester� - zou kunnen leiden tot scheuring in de katholieke kerkgemeenschap. Dat is in feite in de Engelse Anglicaanse kerk óók gebeurd, al wil niemand graag dat zware woord gebruiken.
73. Er zijn overigens geen kwantitatieve gronden om te pleiten voor vrouwelijke �diakens� en vrouwelijke �priesters�, mits men de boven voorgestelde maatregelen neemt. Immers bij een voortvarende aanpak zullen er binnen enkele jaren voldoende gehuwde diakens en (al of niet gehuwde) priesters zijn. In buitenlandse bisdommen is dit al bewezen.
74. Een psychologisch opmerkelijk punt is nog, dat talrijke vrouwen, die zich aanbieden om �diaken� en �priester� te worden en die daarvoor strijden, weinig sympathiek overkomen. Dit was heel duidelijk te zien bij de beeldverslagen van het optreden van de destijds in het ambt geplaatste Engelse Anglikaanse vrouwen. Vele mannen werden afgeschrikt door de bitsige wijze van spreken en het verbeten optreden van die vrouwen. Waar een mater famílias nodig is, lijkt zich eerder een carrière-zoekende Kenau aan te bieden. Dit roept vragen op betreffende de zuiverheid van de motivering van de betreffende dames en ook betreffende de geschiktheid voor dit specifieke ambt.
75. Pater Beel voornoemd schrijft in zijn artikel, dat er geen enkel theologisch argument is tegen de priesterwijding van vrouwen. Even in het midden latend, of dit juist is of niet, er zijn meer dan voldoende anthropologische, sociologische en historische bezwaren tegen de vrouw in het ambt. Vanuit het vakgebied van (B:) het industriëel beleid (NL:) de bedrijfsorganisatie kan men nog het volgende zeggen: Speelde een soortgelijk probleem in een grote industriële onderneming, dan zou beslist geen enkele (B:) afgevaardigd beheerder (NL:) president-directeur het wagen een stelsel voor het personeel door te voeren waartegen op practische en historische gronden zoveel ernstige bezwaren zijn aan te voeren. De risico's zouden veel te groot zijn ! Anders gezegd en op de Kerk toegepast: Zoekt u grote moeilijkheden, streef dan vooral naar de wijding van vrouwen tot �diaken� en �priester� !
76. Er zijn ook geen aanwijzingen, dat massa's vrouwen staan te dringen om diakones of vrouwelijk �priester� te worden. Moet men dan voor een zeer beperkt aantal - overwegend weinig sympathieke en mogelijk ook weinig geschikte - vrouwen, zulke grote risico's lopen ? De vraag stellen is haar beantwoorden.
77. Volledigheidshalve moet nog worden gezegd, dat meerdere bekende Europese theologen - zoals Pater Mag.Dr.J.P.M. van der Ploeg, O.P. - van mening zijn, dat de uitspraak van Paus Johannes-Paulus II in de encycliek Ordinátio Sacerdotális (dat betekent: de priesterwijding), inhoudende dat vrouwen niet geldig tot priester kunnen worden gewijd, een definitieve en onfeilbare uitspraak is. Die zou dan gebaseerd zijn op de wil van de Stichter van de Kerk, die aan vrouwen een andere levensopdracht dan het priesterschap meegaf. En, als vrouwen niet geldig tot priester kunnen worden gewijd, dan evenmin tot diakones, daar het diakenschap deel uitmaakt van het ene en ondeelbare priesterschap.
Ir. Ing. Jan A. A. van der Wulp
Gepensioneerd adviseur industriëel beheer