De sexualiteit van de mens 2

DE KATHOLIEKE VISIE OP DE SEXUALITEIT

DE LEER VAN SINT AUGUSTÍNUS

De redenering van Sint Augustínus

44. In de kerkelijke benadering van vroeger eeuwen stond men niet onbevangen tegenover de geslachtsgemeenschap van echtelieden. Leest men kerkelijke schrijvers uit die tijden, dan valt een zekere tweeslachtigheid op. Zij lijken zich te bevinden tussen twee vuren. Enerzijds wisten zij heel goed, dat het huwelijk door God is geschapen en door Christus tot het Sacrament van het Heilig Huwelijk is verheven en dat het huwelijksgebruik niet in zich zondig kan zijn, daar de huwelijksgemeenschap noodzakelijk is om Gods opdracht, zich nageslacht te verwerven, te gehoorzamen. Anderzijds kenden zij de praktijk van het leven en de buitengewone invloed van de zondeval juist in het geslachtsleven. Uit allerlei beperkende kerkelijke bepalingen bleek, dat zij de gemeenschap in het huwelijk toch maar onvolmaakt vonden, om niet te zeggen min of meer zondig.

45. De beschrijving van de ontwikkelingen in visie en denkwijze, door de eeuwen heen, begint gewoonlijk met de beschrijving van Sint Augustínus († 430). Enige citaten: « De huwelijksgemeenschap, die verder gaat dan die noodwendigheid [bedoeld is: om kinderen te verwekken], staat niet meer in dienst van de rede [verlicht door het geloof], maar in dienst van de wellust. En nochtans, deze [gemeenschap] niet eisen, maar verlenen aan de wederhelft, opdat die niet door ontrouw dodelijk zou zondigen, [dat] behoort tot de rol van de gehuwde. » En nog: « De gehuwden zijn elkaar de trouw van de sexuele gemeenschap verschuldigd ter wille van het verwekken van kinderen. ... Maar ook terwille van de zwakheid, die zij wederzijds moeten opvangen, een wederkerige dienstbaarheid. »

46. Het vragen van gemeenschap, als hierboven genoemd, heeft betrekking op gemeenschap, als de vrouw al in verwachting is, of als de vrouw onvruchtbaar is door het zogen van een boreling, of als de vrouw boven de jaren is, en ook bij echtparen, die geheel onvruchtbaar blijken. Echter zulke gemeenschap komt voort uit de begeerlijkheid. De begeerlijkheid komt voort uit de erfzonde, en leidt tot (dagelijkse) zonde. In het huwelijk is de begeerlijkheid al ingetoomd, in zoverre, dat ze niet zal leiden tot grote zonden zoals overspel of andere onkuisheid. Aan de begeerlijkheid toegeven is in beginsel altijd zonde. Het vragen of eisen van zulke gemeenschap als boven bedoeld is toegeven aan de begeerlijkheid en is in beginsel altijd licht zondig, zo begint de redenering van Sint Augustínus.

47. Echter, die onmatigheid in de huwelijksomgang (gewoonlijk slechts bij de vragende partij), zo schrijft Sint Augustínus, « ... wordt niet aangerekend door God. », en ook: « ... er wordt door God niet op gelet. » En hij voegt er aan toe waarom dat zo is: Omwille van het goede, dat het huwelijk als instelling met zich brengt, dat zijn de kinderzegen en de trouw, wordt die onmatigheid niet aangerekend. Hij zegt het nog anders: « Het echtelijk verbond verkrijgt vergeving van die onmatigheid. » Sint Augustínus stelt echter één voorwaarde voor die vergeving: « ... indien echter de huwelijksomgang niet zó overdreven [frequent] is, dat hij belet de tijden in acht te nemen, die afgezonderd moeten worden voor het gebed. »

48. Samengevat zegt Sint Augustínus: De huwelijksgemeenschap, die niet tot kinderen leidt, bijvoorbeeld bij onvruchtbaarheid, tijdens zwangerschap, bij ouderen, is slechts een uitvloeisel van de begeerlijkheid en als zodanig af te keuren. Maar, omdat het tweede doel van het huwelijk de trouw aan het verbond inhoudt, wordt deze onmatigheid door God niet aangerekend. Alleen: Men mag niet zo dikwijls gebruik maken van deze tegemoetkoming, dat het gebed der echtelieden er onder zou lijden.

49. Hier volgt hij Sint Paulus (1Tess.4,4): « Ieder van u moet met zijn vrouw leven in heilige tucht en eerbaarheid, zonder zich door hartstocht te laten meeslepen, zoals de heidenen, die God niet kennen. » Ook het hoofd der Apostelen Sint Petrus spreekt zich op soortgelijk wijze uit (1Pet.3,7): « Gij, mannen, moet op redelijke wijze [dat is volgens de rede van het geloof] met uw vrouwen verkeren, als met het zwakkere vat, en haar in ere houden als mede-erfgenamen van de genade des levens, opdat uw gebeden niet te zeer worden belemmerd. »

50. Van de huwelijksgemeenschap, die niet vereist is voor de vruchtbaarheid, zegt Sint Augustínus, dat zij is veniále peccátum, hetwelk bij hem betekent 'vergeeflijke zonde', en niet 'dagelijkse zonde'. Vénia neemt hij nl. in de zin van 'vergeving' en veniále in dezelfde (klassieke) zin van 'vergeeflijk'. Wat wordt nu bedoeld door Sint Augustínus met deze wat vreemde zonde, die vergeeflijk is, d.w.z. die wordt vergeven als ze bedreven wordt ? Wel, het is een zonde, die er geen is ! Waarom dan deze omslachtigheid ? Waar is zulk een uitleg goed voor ?

51. Wel, het is een goede theologische verklaring, en zij liet Sint Augustínus toe alle geopenbaarde waarheden tegelijkertijd te ver-dedigen tegen ketterse aanvallen, èn zij steunt geheel op en komt overeen met hetgeen Sint Paulus leert, te weten:

  • de voortreffelijkheid van de onthouding omwille van het Rijk der Hemelen, óók in het huwelijk.
  • de weldaden van het huwelijk, ook als het sexueel beleefd wordt.
  • het eerste doel van het huwelijk, nl. de voortplanting.
  • de erfzonde en de daardoor gekomen begeerlijkheid.
  • het ondergeschikte doel van het huwelijk, nl. de vrijwaring van de zonden van ontrouw en onkuisheid.
  • het wederzijds recht van de gehuwden op elkanders lichaam en dus ook hun wederzijdse plicht.

EEN HEILIGE PLAATS

De kerk: Een heilige plaats

52. Ter toelichting van hetgeen volgt: De kerk is het huis van God en een heilige plaats, die men slechts in absoluut zuivere, dat is zondeloze, toestand mocht/mag betreden. Doet men zonde, dan ontstaat schuld ten opzichte van God. God zal elke zonde altijd bestraffen. Óf in dit leven, óf na de dood. Ook kan (vrijwillig) boete worden gedaan. Alle schuld moet worden uitgeboet, óf in dit leven, óf na de dood. In het geval van een kleine zonde, dagelijkse zonde genaamd, kan de schuld worden uitgeboet door (extra) gebed, door het geven van aalmoezen, door vasten, door het doen van het dagdagelijkse werk in een geest van boetvaardigheid, e.d.

53. Door het bijwonen van het Heilige Misoffer en, nog directer, door het ontvangen van de Heilige Communie, komt men in aanraking met het Allerheiligste, wat vrij zijn van schuld vereist. In de praktijk was het in die eerste eeuwen dan ook gewoonlijk zó, dat men enige tijd liet verstrijken tussen de huwelijksomgang en het betreden van de heilige plaats, dat is de kerk. In dat tijdsbestek was een eventuele schuld wel uitgeboet door een van bovengenoemde middelen, zo nam men aan. (De slordige wijze van te Communie gaan en het veelvuldig voorkomende gesol met de Heilige Hostie, die onze dagen veelal kenmerken, was voor de oude Kerkvaders en de middeleeuwse herders onvoorstelbaar).

54. In latere tijden verzwakte het besef van de heilige plaats, die men slechts in schuldeloze toestand mocht binnengaan. En het besef van de heiligheid van de Heilige Mis verzwakte. En ook de noodzaak van schuldeloosheid om de Heilige Communie te mogen ontvangen verzwakte. Toen men biechtstoelen in de kerk ging bouwen, al was het dan achterin, ver van het heiligste gedeelte van de kerk, dat is het priesterkoor waar het hoofdaltaar staat, kon ook een moordenaar de kerk binnen gaan om zijn biecht te spreken, hetgeen in vroegere eeuwen onvoorstelbaar zou zijn geweest. In de loop der eeuwen werd dit besef van heiligheid, dit respect voor de heilige plaats en de heilige handelingen, steeds zwakker, tot in onze dagen op zeer veel plaatsen dat besef vrijwel geheel verdwenen is en men de kerk - in protestantse zin - beschouwt als een vergaderzaal van de gemeenschap in plaats van als het huis van God.

55. Oude kerken kennen ook altijd een overgangsgebied, een overgangsruimte, tussen de buitenwereld en het schip van de kerk, nartex of narthex genaamd, een voorhal. Deze was bestemd voor de catechumenen, de geloofsleerlingen, welke nog niet gedoopt waren, en die daarom de eigenlijke kerk niet mochten binnengaan. De gedoopte christenen konden in deze overgangsruimte alles wat de wereld betrof van zich afschudden, zich geestelijk omstellen, en met hart en gedachten op hemelse zaken gericht de kerk binnen gaan. In oude Romaanse kerken treft men deze narthex altijd aan, gewoonlijk ook voorzien van een groot wijwatervat, zodat men zich met wijwater kon bekruisen alvorens de gewijde ruimte te betreden.

56. Zo ook met de plaatsing van de doopvont. Oorspronkelijk was er bij de kerk gewoonlijk een apart baptistérium, een doopkapel, zeggen wij nu, met een aparte ingang. Deze kon zelfs helemaal los van de kerk zijn gebouwd. Daar werden volwassen bekeerlingen en de pasgeborenen gedoopt. Het doopsel vergeeft op de eerste plaats de erfzonde, en vervolgens alle zonden, die in het leven zijn bedreven (bij oudere kinderen en volwassenen), alsook alle straffen, die daarom zouden zijn verschuldigd. De boreling, het kind, de jongere of volwassene is pas het doopsel zeker vrij van alle schuld en kan eerst dan de kerk binnengaan. Vandaar de aparte doopkapel voor de niet-schuldeloze, nog te dopen, mens.

57. Edoch, in latere tijden ging men er toe over om achterin de kerk, in een hoek, of in een afgeschoten ruimte, ook doopkapel genoemd, de doopvont te plaatsen. De met de erfzonde beladen dopeling kwam dus toch in de gewijde ruimte, al was het dan helemaal achterin. In onze dagen ziet men zelfs de doopvont op het priesterkoor geplaatst, omgeven door zitbanken, hetgeen bij een oude christen van de vroege middeleeuwen - een echte christen dus - rillingen van afschuw zou oproepen. Dit alles wordt veroorzaakt door het vrijwel verloren gaan van het besef, enerzijds van schuld door de (erf)zonde, anderzijds van de heiligheid der plaats (de kerk, vooral het priesterkoor met het altaar).

58. Voor alle duidelijkheid: Men moet een katholieke kerk niet vergelijken met een Joodse synagoge uit Jezus’ tijd of van tegenwoordig, noch met een protestantse kerk van onze dagen. Die beide gebouwen zijn op de eerste en enige plaats gemeenschapsruimten, waar men zingt en uit de Schrift leest. Alle katholieke kerken (waar het Heilig Sacrament des Altaars nog werkelijk tegenwoordig is) moeten worden vergeleken met de Tempel te Jeruzalem, alwaar het Allerheiligste aanwezig was. In die dagen was er maar één plaats alwaar Jahweh aanwezig was, nl. de Tempel te Jeruzalem, maar na de stichting van de katholieke Kerk is elke katholieke kerk het Huis van God (mits het Heilige Sacrament des Altaars daar aanwezig is).

LERINGEN VAN PAUS GREGÓRIUS I

De brief van Paus Gregórius de Grote

59. De heilige Paus Gregórius I (Paus van 590-604), genaamd Gregórius de Grote, heeft eens een brief geschreven aan de Heilige Augustínus van Kantelberg, waarin een belangwekkend gedeelte over de huwelijksgemeenschap gaat. De Paus weegt alle mogelijkheden, die kunnen voorkomen bij de huwelijksgemeenschap ten opzichte van het betreden van een kerk, hetwelk men destijds gewoonlijk deed om de Heilige Mis bij te wonen en te Communie te gaan. Daarvoor moe(s)t men nl. in schuldeloze toestand zijn.

60. De Heilige Paus Gregórius I schrijft: « Ofschoon verschillende volkeren hieromtrent verschillend oordelen, en sommigen andere gebruiken onderhouden dan anderen, is het te Rome sinds oude tijden gebruik geweest, om zich door wassing te reinigen, na gemeenschap met zijn vrouw te hebben gehad, en ook enige tijd, uit eerbied, een kerk niet binnen te gaan. Wanneer wij dit zeggen, betekent dit niet, dat wij het huwelijk als iets schuldigs beschouwen. Maar omdat de geoorloofde gemeenschap der echtgenoten niet kan plaats vinden, zonder dat het lichaam er lust bij ondervindt, moet men er zich van onthouden gewijde plaatsen te betreden, daar deze lust niet vrij van schuld zou kunnen zijn. ... »

61. De Paus vervolgt: « De geoorloofde sexuele omgang moet dus geschieden met het oog op [met als doel] het verwekken van kinderen, en niet omwille van [met als doel] de lust. Indien iemand dus gemeenschap heeft met zijn echtgenote zonder in wellust gevangen te zijn, doch slechts om kinderen te verwekken, moet men het aan zijn eigen oordeel overlaten, of hij nu in een kerk zal binnen gaan, en of hij het ... Lichaam en Bloed des Heren zal ontvangen. Wij moeten het nuttigen daarvan niet verbieden aan iemand, die in staat is niet te branden, terwijl hij in het vuur staat. Maar indien niet het verlangen naar kinderen, die geboren zouden kunnen worden, doch de wellust overheerst in de huwelijksomgang, hebben de echtgenoten met betrekking tot deze huwelijksomgang een grond om spijt te hebben. »

62. Men mag aannemen, dat Paus Gregórius de kerkelijke leer van rond het jaar 600 verwoordt. Samengevat zegt de Paus het volgende:

  • De huwelijksomgang is op zichzelf beschouwd niet slecht en zal als zodanig geen schuldgevoelens oproepen.
  • De geoorloofde omgang is die, waarbij men kinderen wil verwekken.
  • Huwelijksomgang (uitsluitend) omwille van de lust is niet geoorloofd en levert een grond op voor spijt.
  • De geoorloofde gemeenschap wordt naar haar aard gewoonlijk begeleid door gevoelens van lust.
  • Deze lust kan al of niet vrij zijn van schuld.
  • Het betreden van gewijde plaatsen (zoals de kerk) moet vermeden worden als men niet vrij van schuld is (waardoor dan ook ontstaan).
  • Indien de lust, ervaren bij de huwelijksomgang, niet vrij van schuld is, moet men (dus) vermijden gewijde plaatsen (zoals kerken) te betreden.
  • Indien men niet weet, of de (ervaren) lust vrij van schuld is, kieze men de voorzichtiger weg en blijve (enige tijd) weg uit de heilige plaatsen (zoals kerken).
  • Indien men meent, dat de (ervaren) lust vrij is van schuld, kan men de kerk binnen gaan.

MIDDELEEUWSE EN LATERE THEOLOGIE

Vroeg-middeleeuwse theologen

63. De theologen hebben vele eeuwen lang de inzichten van Sint Augustínus vrijwel geheel en ongewijzigd overgenomen. Dit is goed te begrijpen, daar ze zo goed aansluiten bij de Heilige Schrift en de mondelinge Overlevering. Om de vergeving van de zonde, die geen zonde is, waarover Sint Augustínus spreekt, te verklaren, wordt later een nieuwe term gebruikt, nl. verontschuldiging. De huwelijksgemeenschap, die niet op de voortplanting is gericht, bijvoorbeeld bij onvruchtbaren en bij ouderen, heeft een verontschuldiging nodig om niet laakbaar te zijn.

64. De theoloog Petrus Lombárdus († 1160), die de theologische kennis van de tijden vóór hem, heeft samengevat, zegt het zó: « De huwelijksgemeenschap uit begeerlijkheid is laakbaar, tenzij ze verontschuldigd is door het goede, dat het huwelijk als instelling heeft. »

De leer van Sint Thomas van Aquíno

65. De visie van Sint Gregórius vindt men ruim 600 jaar later terug bij Sint Thomas van Aquíno (1225-1274), die het nog duidelijker heeft gezegd: «  Slechts op twee wijzen kunnen echtgenoten sexuele gemeenschap hebben, zonder dat zij daarbij op enigerlei wijze zondigen, namelijk wanneer zij dit doen met het oog op het verwekken van kinderen, of wanneer het geschiedt om aan de huwelijksplicht te voldoen; anders is er minstens sprake van dagelijkse [vergeeflijke] zonde. » In de originele Latijnse tekst staat weer veniále peccátum, hetgeen mogelijk weer met 'vergeeflijke zonde' in plaats van met 'dagelijkse zonde' zou moeten worden vertaald.

66. En Sint Thomas zegt nog: « De huwelijksgemeenschap met het inzicht ontrouw voor zichzelf te vermijden, kent een zekere overtolligheid [nl. in het aanvaarden van de sexuele voldoening, omdat er andere middelen zijn om de zonde te vermijden] en diensvolgens is er peccátum veniále. Het huwelijk is daartoe niet ingesteld, tenzij volgens de tegemoetkoming (indulgéntiam) die de peccáta veniália betreft. » Peccáta veniália is het meervoud van peccátum veniále.

67. Als het doel is kinderen te willen verwekken, is de lust blijkbaar niet zondig, volgens Sint Thomas. Het klinkt een beetje alsof het (goede) doel de middelen (hier: de lust) heiligt, maar zo mag het niet worden verstaan. De lust als lust is in zichzelf indifferent, d.w.z niet in zichzelf goed of kwaad, dat is niet in zichzelf onheilig. En indifferente zaken kunnen, al naar gelang de bedoeling, waarmede zij worden aangewend, slecht of goed worden. Op het eerste gezicht is het niet duidelijk of Sint Thomas bedoelt dagelijkse dan wel vergeeflijke zonde(n). Het schijnt toch wel dit laatste te zijn, want in het volgende nummer zegt hij: « Als het genot gezocht wordt binnen het huwelijk ... is er peccátum veniále. » Modern denkende theologen zeggen, dat God de lust bij de huwelijksgemeenschap heeft gegeven, opdat de mensen inderdaad tot gemeenschap, om nageslacht te verwerven, zouden overgaan. De lust behoort dan als iets goeds bij het huwelijk. Indien dit echter juist zou zijn, hoe kan er dan sprake zijn van peccátum veniále ? Daarom is die moderne opvatting vals.

68. De huwelijksplicht is de plicht, die elk van de echtelieden heeft, om op vraag van de ander tot gemeenschap over te gaan, behoudens ernstige redenen om te weigeren. In de praktijk is het gewoonlijk de man, die de vrouw om gemeenschap verzoekt, die vraagt, of die dwingt. De man zou in zo'n geval minstens een dagelijkse zonde doen, maar de vrouw gaat vrijuit. Bij het voldoen aan de huwelijksplicht - in de praktijk gewoonlijk door de vrouw - is de eventuele lust blijkbaar zonder schuld. De huwelijksgemeenschap terwille van de trouw lijkt niet dezelfde morele classificatie te krijgen als die omwille van het genot. Maar erg helder is Sint Thomas niet op dit punt.

69. De Heilige Thomas van Aquíno meende ook, dat men in de heilige tijden (waartoe de hoogfeesten behoren) geen geslachtsgemeenschap mocht vragen. En hij schreef, dat het beter was, hoewel niet noodzakelijk, om niet te Communie te gaan als men [kort tevoren] sexuele gemeenschap had gehad. Uit beide regels blijkt weer, dat zodra door het mogelijke streven naar lust, de gemeenschap wellicht niet vrij van schuld is, men moet vermijden met het heilige in aanraking te komen.

70. Sint Thomas leert, dat, aan de ene kant, het God is, die de wil van de mens naar het goede beweegt, en dat de duivel, aan de andere kant, de wil van de mens naar het kwade, de zonde, duwt. En God leidt alle zielen van de rechtvaardigen naar hun laatste einde door ze een objectieve wegwijzer te geven in de vorm van zijn Wet (de natuurwet) en door ze een persoonlijke hulp te verschaffen middels zijn genade. Sint Thomas zoekt in feite naar iets, wat de huwelijksgemeenschap eerzaam maakt (honesteert), want hij schrijft: « De waarden van het huwelijk maken de vleselijke begeertes eerzaam. » Hij verstaat dan onder 'waarden van huwelijk' ongeveer hetzelfde als de latere theologische handboeken 'goede bedoelingen' noemen.

Het oude Romeins missaal en de Romeinse Catechismus

71. Het oude Romeins missaal van Paus Pius V (1504-1572) zegt, dat de priester aan het einde van de huwelijksmis de zojuist gehuwden moet vermanen op verschillende tijden onthouding te beoefenen, vooral in tijden van gebed, op vastendagen en op hoogfeesten. Onthouding in tijden van gebed is zeer bijbels. Men denke bijvoorbeeld aan de geschiedenis van Tobías en Sara. Op vastendagen past sexuele onthouding bij de kastijding van het lichaam, die ook door het niet eten van vlees en het minder en soberder eten dan gewoonlijk, wordt bereikt. Het eerste punt sluit aan bij Sint Paulus. Deze schrijft in 1Kor.7: « Weigert elkaar de gemeenschap niet. ... tenzij met onderling goedvinden, en voor een bepaalde tijd, om u aan het gebed te wijden. »

72. Maar waarom geslachtelijke onthouding op hoogfeesten als Kerstmis en Pasen ? Dat hing samen met het feit, dat men in die eeuwen zelden te Communie ging en dat de Heilige Communie vrijwel uitsluitend op de hoogfeesten, zoals Kerstmis en Pasen, werd ontvangen. Men stelt wederom vast dat de Heilige Communie en de huwelijksgemeenschap moeilijk verenigbaar lijken, door het mogelijk beladen zijn met enige zondeschuld. Anderzijds is het zó, dat de Heilige Paus Pius X, die de veelvuldige Heilige Communie heeft aanbevolen, daar niet over heeft gesproken in zijn brieven en decreten. Misschien, omdat in zijn tijd de eerbied voor het Allerheiligste Sacrament nog vanzelfsprekend was en men algemeen nog de Middeleeuwse theologie van het huwelijk aanhing en volgde.

73. De Romeinse Catechismus is in opdracht van het Concilie van Trente samengesteld in 1563-1566 en plechtig door de heilige Paus Pius V afgekondigd. Dit boek was bestemd voor de pastoors en parochiepriesters, en werd ook Ad párochos, dat is 'Tot de pastoors gericht', genoemd. De bedoeling was de pastoors een leidraad te geven betreffende de leer, die aan de gelovigen moest worden voorgehouden. In hoofdstuk VIII worden de leer en de gebruiken van het huwelijk uiteengezet. Onder punt 33 gaat het over 'Het gebruik van het huwelijk'. Men leest in deze Romeinse Catechismus: « Twee dingen vooral moeten aan de gelovigen worden geleerd: ten eerste, dat zij in het huwelijk geen wellust of vleselijke voldoening moeten zoeken, maar dat zij er gebruik van moeten maken binnen de grenzen, die God zelf vastgesteld heeft, ... Zij moeten zich de vermaning van de Apostel herinneren: "Dat zij, die een vrouw hebben, leven alsof zij er geen hadden". » En nog: « En [zij moeten zich herinneren] het woord van de Heilige Hierónymus: "De wijze man moet zijn vrouw beminnen met oordeel, niet met drift; hij zal de bewegingen van de wellust bemeesteren, en geen onbeteugeld gebruik van het huwelijk maken. Niets is schandelijker, dan zijn vrouw te beminnen als een overspeelster". »

74. Onder punt 34 in hetzelfde hoofdstuk van de Romeinse Catechismus leest men nog over de onthouding: « ... zal men ten tweede aan de gelovigen leren, dat zij zich soms van het gebruik van het huwelijk moeten onthouden om tot God te bidden. Zij zullen dit vooral doen ten minste drie dagen vóór dat zij de heilige Eucharistie ontvangen, en nog meer tijdens de [Grote] Vasten [de Veertigdagentijd], volgens het wijze en vrome voorschrift van onze Vaders. »

75. Men bedenke, dat de veelvuldige Heilige Communie destijds niet voorkwam. De doorsnee gelovige ging slechts enkele malen per jaar eerst te biecht, en daarnà pas te Communie, gewoonlijk bij de Hoogfeesten, zoals Kerstmis en Pasen. Dit hing samen met de grote nadruk die er altijd werd gelegd op de heiligheid van het Altaarsacrament. Iedereen (behalve een bedlegerige zieke) ging altijd geknield te Communie en men ontving de Hostie altijd op de tong uit de handen van de priester of diaken. Staande de handcommunie ontvangen, zoals tegenwoordig als normaal schijnt te worden beschouwd, werd in die dagen als een godslasterlijke heiligschennis gezien (en zou tegenwoordig óók zó moeten worden beschouwd). Zou het toeval zijn, dat het verlies aan eerbied voor de Heilige Hostie, hetwelk onze tijd zo duidelijk vertoont, samenvalt met het verlies aan eerbied voor alles wat met het leven en het doorgeven daarvan te maken heeft ?

76. De Romeinse Catechismus herhaalt in feite de leer van de Kerkvaders. Deze catechismus is ongewijzigd in gebruik gebleven tot ver in de twintigste eeuw. Vanaf de regering van de heilige Paus Pius X in het begin der 20e eeuw werd de veelvuldige, ja, dagelijkse, Heilige Communie bevorderd. Het voorschrift betreffende de onthouding van het huwelijksgebruik gedurende de drie dagen voorafgaand aan de Heilige Communie, raakte daardoor langzamerhand in onbruik. De dringende raad zich in de Vasten, ten minste af en toe, te onthouden van de huwelijksgemeenschap, werd echter nog tot halfweg de 20e eeuw aan de gelovigen voorgehouden. Toen het echte vasten in het kielzog van het Tweede Vaticaans Concilie (1963-1965) in feite werd afgeschaft, verdween ook dit onthoudingsvoorschrift definitief, waar het al eerder in de praktijk was verdwenen.

OVER LUST EN SCHULD

Latere theologische handboeken

77. Heel veel theologen hebben, in navolging van de Kerkvaders, in de loop der eeuwen gemeend, dat de geslachtsgemeenschap iets verdachts heeft, niet helemaal zuiver op de graad is. In een theologisch handboek van 1950 vindt men die gedachte ook: De huwelijksgemeenschap is op zichzelf wel waardig en eerzaam, maar vooral omdat, en als, zij wordt gesteld met eervolle bedoelingen. Op zichzelf zijn die daden goed, maar het verlangen van de echtgenoten moet voortkomen uit goede bedoelingen. Ouderwets gezegd: De goede bedoelingen honesteren (maken eerzaam) de gemeenschap.

78. Goede bedoelingen zijn dan, nog steeds volgens het handboek van 1950: Een kind willen verwekken, te voldoen aan de huwelijksplicht (want men mag de gemeenschap, waar de ander om vraagt, niet weigeren zonder ernstige redenen), om de echtelijke liefde te bevorderen, om eventuele zondige andere sexuele daden (van de partner) te voorkomen (de partner zou bijvoorbeeld zijn gerief elders kunnen zoeken, of bij zich zelf). Hier wordt ook het bevorderen van de echtelijke liefde als goede bedoeling genoemd, hetgeen betrekkelijk modern is.

79. Latere handboeken van de moraal gewagen gewoonlijk van een matig nastreven of aanvaarden van de sexuele bevrediging. Matig is dan: in zoverre de bevrediging dienstig is aan de huwelijkstrouw. Waar echter, zo staat er dan, geen van beide doeleinden, te weten: 1. het verwerven van nageslacht; 2. de trouw bevestigen en de begeerlijkheid blussen, een rechtvaardiging biedt voor de huwelijksgemeenschap, omdat deze slechts om de wellust plaats heeft, is er inderdaad schuld door dagelijkse zonde.

De samenhang tussen lust en schuld

80. De Heilige Augustínus (354-430) zegt, dat de schuld samenhangt met de vervoering, met de roes, met het welhaast autonome verloop van de gemeenschap, welke zich bijna op instinctmatige wijze afwikkelt, als zij eenmaal op gang is gekomen. De geest komt er niet meer aan te pas, het verstand is even uitgeschakeld. Eigenlijk blijft de mens gedurende de korte tijd van de vereniging beneden zijn menselijke waardigheid en handelt ongeveer zoals de dieren op het moment van de vereniging. Sint Augustínus zegt: « De mens wordt in deze handeling geheel vlees, » hetgeen betekent: zonder geest. Paus Sint Gregórius de Grote lijkt wel te willen zeggen: Sexuele gemeenschap is goed, maar zij zou eigenlijk zonder gevoelens van bevrediging moeten plaats vinden. Of minstens: Die gevoelens zouden niet zo veel moeten betekenen voor degene, die ze ondergaat.

81. Ook Sint Thomas van Aquíno (1225-1274) spreekt als de Heilige Augustínus: « Bij de vereniging van man en vrouw treedt er verlies aan redelijkheid op, zowel, omdat vanwege de hevigheid van de lust, de rede in beslag wordt genomen, zodat de mens ondertussen niet iets met zijn verstand kan verstaan, ... alsook vanwege de bekommernissen van het lichaam ... met het oog op de zorg voor tijdelijke zaken. » 'Verlies aan redelijkheid' betekent, dat men minder volgens de rede, dat is minder met verstand, handelt.

82. Paus Innocéntius XI heeft in 1679 onomwonden gezegd, dat de geslachtelijke gemeenschap, die wordt gezocht 'ob solam voluptátem', dat is 'louter om de lustbeleving', minstens met dagelijkse zonde is behept. Let op: Er staat: louter om de lust. Zijn volledige uitspraak luidt: « Het is minstens ergerniswekkend en in de praktijk verderfelijk te beweren, dat de huwelijksdaad, verricht om de lust alleen, vrij is van alle schuld en gebrek aan dagelijkse zonde. » (DS2109). Deze wat moeilijke manier van zeggen sluit geheel aan bij de traditie van alle eeuwen ervoor.

83. Op zichzelf genomen is de lust zedelijk gezien onverschillig. Lust is moreel goed of slecht afhankelijk van de daad of handeling, die de lust begeleidt. Is de daad waardevol en wordt zij ordelijk gesteld, anders gezegd, is de daad zedelijk goed, dan is ook de lust, die er mede gepaard gaat, goed en verantwoord. De lust mag dan ervaren en genoten, ja, soms zelfs gezocht, worden. Dit geldt algemeen voor alle daden, die met lust gepaard gaan: eten, drinken en huwelijksgemeenschap. Volgens de orde van de geschapen natuur is de lust er om de daad, niet de daad om de lust. De lust vergezelt en vervolmaakt de daad, want draagt bij tot het verwezenlijken van het doel van de daad in kwestie. Zo is het doel van eten en drinken het behoud en de groei van de mens. Maar de goede bedoeling kan de eventueel twijfelachtige daad veranderen. De goede bedoeling kan in een bepaald geval de eventuele schuld verminderen of geheel wegnemen.

INZICHTEN VOOR ONZE DAGEN

84. De geslachtsdaad is zedelijk goed in het geval van normaal verlopende geslachtsgemeenschap, als het echtpaar de mogelijkheid kinderen te krijgen niet bij voorbaat uitsluit, en als het niet bij voorbaat alleen op de lust uit is. Ook het genot is dan goed. Is de daad zedelijk slecht, bijvoorbeeld omdat men opzettelijk de kinderzegen uitsluit, of opzettelijk de ander pijn doet, dan deelt het vergezellend genot in deze slechtheid. Zo is de buitenechtelijke gemeenschap altijd slecht, dus ook de daarbij ervaren lust is dat.

85. Sommigen zeggen: Als beide echtgenoten bewust de lust bij elkaar zoeken en bevorderen en als zij beiden vervuld zijn van lust bij de gemeenschap, gebeurt er niets ten koste van de ander. Dat kan dan toch niet zondig zijn, zo zegt men, omdat er niets gebeurt ten koste van de ander. Beiden zijn zij het dan immers eens over deze handelwijze. Echter: Zó handelend wordt de door God gegeven orde ontaard, omdat alleen de lust wordt gezocht, zelfs als de mogelijke ontvangst van nageslacht niet wordt uitgesloten. Zelfs in het geval van oudere echtgenoten, waarbij de vrouw door haar leeftijd onvruchtbaar is geworden, is eveneens het uitsluitend zoeken van de lust niet in overeenstemming met Gods bedoeling. Anders gezegd: De daad mag niet wanordelijk worden gesteld, dat is uitsluitend omwille van de lust.

86. Het is een uiting van verdorvenheid als de huwelijksgemeenschap is ontaard tot een uitsluitend zo veel mogelijk lust en genot bevorderende tijdspassering. Als beide partners daaraan mede werken zijn zij inderdaad één, maar dan wel in de zonde van onkuise onmatigheid, of van onmatige onkuisheid. Zoals het gezegde luidt: 'men moet eten om te leven, niet leven om te eten', zo kan men naar analogie verwoorden: 'de sexualiteit bestaat vooreerst omwille van de voortplanting, de voortplantingsorganen bestaan niet in de eerste plaats omwille van de sexuele lusten en genoegens'.

87. De samenvattende conclusie van al deze leringen moet luiden: Bij de echtelijke gemeenschap ligt de zondigheid, met de daardoor ontstane schuld, in het (vooral of uitsluitend) zoeken van de eigen lustbeleving, in het egoïsme dus van het allereerst zichzelf willen bevredigen, ten koste van de ander, kan men er aan toevoegen. Theoretisch kan men spreken over het ideale geval, waarbij de huwelijksgemeenschap niet en nooit omwille van de lust wordt gezocht, en ook niet anderszins met schuld behept zal raken. Dit bestaat, al is het zeldzaam. Er zijn heilige echtparen, die dit weten te realiseren. Wij zagen reeds het voorbeeld van de Heilige Joáchim en de Heilige Anna, de ouders van de Heilige Maagd María. Maar het blijven kleine aantallen, zo weet de ervaren zielzorger.

De praktijk van het huwelijksleven

88. Toch moet men uit het voorgaande niet concluderen, dat de beleving van de sexualiteit altijd iets van de onderwereld is. Nee, dat is zij niet, maar zij is tegenwoordig niet meer zo mooi als God het had bedoeld vóór de zondeval. "God zag dat het goed was," - jazeker, totdat de eerste mensen het met hun oerzonde gingen bederven. De vaste leer betreffende de gevallen staat van de mens stond de oude Kerkvaders en de latere herders en theologen voor ogen. Zij waren gewoonlijk nuchtere zielzorgers, die de praktijk van het leven kenden, ook de levenspraktijk van hun christenen. Zij wisten, hoe de mensen in feite pleegden te leven, ook in hun huwelijken. Hun godsdienstige leringen waren gebaseerd op de bestendige leer van hun voorgangers-zieleherders. En deze leringen werden bevestigd door hun pastorale ervaringen. Want, mensen, goede katholieken, hebben gewoonlijk een heel huwelijksleven nodig om hun sexuele en andere driften voldoende onder controle te krijgen. En tot het zo ver is, zijn die driftbelevingen helemaal niet zondeloos. "Niet vrij van schuld," is een goede omschrijving voor het overgrote deel der geslachtsgemeenschappen in de huwelijken van de meeste katholieke christen-mensen en meer dan hoogstwaarschijnlijk ook bij de niet-christenen.

89. Er bestaat een vorm van genieten, bijvoorbeeld bij het eten en drinken, waarin lust en begeerlijkheid geen rol spelen. Stel, men heeft na een karig ontbijt een daglang buiten zwaar werk gedaan en eet dan 's-avonds een eenvoudig maal van bruin brood met boter en kaas. Het maal dient slechts om weer op krachten te komen, niet om de tong te strelen. Het eten is goed, niet overdadig, van schransen of gulzigheid is geen sprake. Men eet smakelijk in grote dankbaarheid voor de goede gaven Gods en met de bedoeling nadien het werk weer te kunnen doen. Het genieten bij het eten zal dan vrij van schuld zijn. Men eet met de goede innerlijke gesteldheid.

90. Zo ongeveer is het ook met de huwelijksgemeenschap. Als man en vrouw na enige tijd onthouding omwille van bijvoorbeeld het gebed voor een ziek kind, weer in alle rust en sereniteit, vol liefde, zonder bijzondere lustbevorderende daden te stellen, zonder drift of overdreven hartstocht, gemeenschap hebben, zonder daarbij de mogelijkheid tot het verwerven van nageslacht opzettelijk uit te schakelen, dan zal de daarbij genoten lust echt wel vrij van schuld zijn. In die omstandigheden geschiedt de gemeenschap immers met de juiste innerlijke gesteldheid. De lust wordt schuldig genoemd, niet omdat de huwelijksdaad zelf dit zou mede brengen, maar omdat de huwelijksbeleving van veel echtgenoten zodanig is, dat dit subjectieve, dat is mensafhankelijke, element de schuld meebrengt. Het is de innerlijke gesteldheid van de mens, die de schuld teweegbrengt. Gewoonlijk is dit als de begeerlijkheid de overhand krijgt.

91. De vraag blijft dan ook in hoeverre dit ideale geval in de huwelijkspraktijk van de overgrote meerderheid van de echtparen kan en zal worden gerealiseerd. Wederom zal de ervaren zielzorger moeten zeggen: zelden, te zelden. Dit mag echter niet betekenen, dat het ideaal dan maar moet worden opgegeven. Beslist niet. Dit ideaal moet steeds aan de gelovigen worden voorgehouden en zij behoren er altijd met kracht naar te streven en dit te blijven doen, gans hun leven.