Uit Profetische Stemmen nummer 64 van april 2002
1. Onderstaande tekst is vooral gebaseerd op het laatste nummer van hetKatholiek Maandblad, 14e jaargang, nummer 2, april/juni 2002, waarin de onvolprezen nestor van de katholiekeNederlandse theologie, Pater Prof. Dr. J. P. M. van der Ploeg, o.p., over de voorwaarden voor de geldigheid van de zevenkatholieke Sacramenten schrijft. Wij zijn hem dankbaar voor zijn recente artikelen hierover, vooral dat over de geldigheid van deHeilige Mis, nu er tegenwoordig z� vaak sprake is vanongeldig toegediende Sacramenten, tot zelfs het priesterschap toe. Men weze niet na�ef, en controlere nauwkeurig de handelingen van de celebrerende, of Sacramenten toedienende,priester. Wij kunnen hier niet meer doen dan een overzicht brengen. De aanduiding DS met een nummer verwijst naar een bekendstandaardboek waarin alle belangrijke theologische teksten van het leergezag zijn opgenoemen. Men leze de complete tekst van paterVan der Ploeg in het genoemde nummer van het Katholiek Maandblad, te bestellen bij: A. Bongers, Dorpsstraat 90, NL 5735 EGAARLE-RIXTEL, tel. in Nederland: 0492-38 28 18.
2. Bij het toedienen van de Sacramenten is het vereist, dat de bedienaar "minstens de bedoelingheeft te doen, wat de Kerk doet." Dit is de theologische kernuitdrukking, welke goed moet worden verstaan. Dit is eenvoorwaarde voor de echte, dat is geldige, toediening van het Sacrament. De uitdrukking "doen, wat de Kerk doet" vindt men albij Paus Martinus V in 1418 (DS1247-1279). De volledige leer over de Sacramenten, en de geldigheid daarvan, staat in eendogmatisch decreet, in 1547 uitgevaardigd door het Concilie van Trente, en verwoord in 13 canons (DS1601-1613).
3. Allereerst is van belang te begrijpen, dat een katholiek Sacrament werkzaam is ex �pere oper�to, dat is letterlijk: 'door het verrichte werk'. Het Sacrament z�lf is werkzaam, als instrument van Christus. Wat ook nog wil zeggen, dat het niet werkzaam is,doordat de bedienaar of de ontvanger iets bijzonders doet. De bedienaar moet slechts doen, wat de Kerk wil, dat er gedaan wordt omhet Sacrament geldig te doen ontvangen. Tegenover dit opus oper�tum, letterlijk: 'het verrichte werk', staat het opus oper�ntis, letterlijk: 'het werk van hem, die het verricht', of ook: 'het werk van degene, diehet werk verricht'. Hierbij valt de nadruk op de bedienaar en de ontvanger, en wat z�j doen, of wat z�j er vanvinden. Dit laatste is de protestante, dus valse opvatting. Het verschil tussen beide opvattingen is fundamenteel ! Voor deprotestante hervormers was het Sacrament geen uitwendig teken, waardoor genade wordt aangeduid en wordt gegeven door God, welkegenade wordt verkregen door de ontvanger, geen uit zichzelf werkzaam handelen, waardoor de mens wordt geheiligd (zoals de correctekatholieke uitdrukking luidt), maar slechts een uitwendig teken, dat alleen maar tot het reeds bestaande geloof van de bedienaar ende ontvanger spreekt.
4. Volgens de kerkelijke leeruitspraken is het vereist, dat de bedienaar de bedoeling(int�ntio) moet hebben te doen, wat de Kerkdoet. Er staat niet: te geloven, wat de Kerk gelooft, en evenmin: te bedoelen, wat de Kerkbedoelt. De toediening van een Sacrament houdt een heilige handeling in. De bedienaar verricht een uitwendige, zintuigelijkwaarneembare, handeling, in vereniging met de Kerk. De normale bedienaar van het Sacrament moet de macht hebben hetSacrament toe te dienen. De bevoegdheidsvraag mag niet ontweken worden. Behalve de macht om het Sacrament toe te dienen zijnvan belang de materie en de vorm van het Sacrament. De materie omvat de stof, die gebruikt wordt: water, olie, brood,wijn, e.d. De vorm omvat de handelingen en de woorden, die tegelijkertijd met de handeling, moeten worden gesproken.Bijvoorbeeld: De priester zalft met olie op het voorhoofd, en zegt tegelijkertijd: "Ik zalf u ..."
5. Als voorbeeld volgt een ietwat uitgebreidere bespreking van hetHeilig Doopsel. De materie is zo zuiver mogelijk water. De vorm is het laten stromen van het water over hethoofd van de dopeling (of indien dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het hoofd in verband is gewikkeld, over een anderonbedekt lichaamsdeel), waarbij men tegelijkertijd de woorden spreekt: "Ik doop u in de naam van de Vader, en de Zoon, en deHeilige Geest. Amen." De normale bedienaar van het doopsel is de (parochie)priester, maar in tijd van nood mag en moet een iederdopen.
6. Iemand, die het doopsel toedient, precies zoals de Kerk wil, dat dit gedaan wordt, dus met debedoeling te doen wat de Kerk doet, dat is: met de bedoeling de persoon door het doopsel opnemen als lidmaat van de katholieke Kerk(met al de genaden, rechten en plichten daaraan verbonden), die doopt geldig. Die bedienaar kan een ongelovige of afgevallenkatholieke priester zijn, of een ongelovige katholieke leek, of zelfs een niet-katholiek, misschien een protestant, die in feiteeen ander geloof heeft. Zolang de bedienaar maar doet, wat de Kerk doet, is het doopsel geldig. Dat de protestante bedienaar nietgelooft, wat de katholieke Kerk gelooft, nl. dat het doopsel een onuitwisbaar merkteken in de ziel drukt, is niet van belang. Zelfsals de protestante bedienaar van te voren luidop verklaart, dat het Sacrament (volgens hem) geen effect achterlaat in de ziel, dannog is het doopsel geldig, zolang de bedienaar maar de bedoeling heeft de dopeling in de (katholieke) Kerk op te nemen.
7. Een niet-katholiek, een eerlijk man, die meemaakt, dat een katholiek echtpaar dodelijk isverongelukt, terwijl hun pasgeboren, nog niet gedoopte, baby in levensgevaar verkeert, kan weten, dat hij aan de wens van deoverleden ouders voldoet, door op het kindje een nooddoopsel volgens de katholieke ritus toe te passen. Zulk een doopsel is geldig,want de niet-katholiek heeft de bedoeling te doen, wat de Kerk wil, dat er wordt gedaan, en hij doet dat ook ! (Men zie DS3100,DS3126).
8. Men realisere zich, dat de leerstellige uitspraak alleen eist, dat debedienaar de bedoeling moet hebben de correcte sacramentele handeling te stellen, niet dat de wil van de bedienaar nodig is, om ookhet doel, waarvoor het Sacrament is ingesteld, te bereiken. De correcte materie en vorm zijn voor de bedienaar, die de macht heeft,voldoende. Hij hoeft niet de wil te koesteren met het Sacrament te bereiken wat de Kerk weet, en wil, dat er mede wordtbereikt. Zo weet de Kerk dat door het doopsel de erfzonde, en alle andere zonden, worden afgewist van de ziel, en dat deziel deel kan hebben aan het goddelijke leven, en dat is juist wat de Kerk wil bereiken. Maar een bedienaar behoeft niet datzelfdete beogen om geldig te kunnen dopen. Hij hoeft slechts de correcte handelingen te stellen, die de Kerk in zo'n geval vraagt, mitshij natuurlijk de macht heeft om het betreffende sacrament toe te dienen, en de juiste materie en vorm gebruikt.
9. Als het gaat over de geldigheid bij het toedienen van een Sacrament past de vraag of debedoeling (de intentie) van de bedienaar alleen uiterlijk mag zijn, of ook innerlijk zou moetenzijn. Stel: Een ontrouwe priester draagt correct de Mis op, precies volgens de liturgische voorschriften. Aangekomen bij deconsecratiewoorden zegt hij innerlijk: 'Ik wil niet consacreren'. Vervolgens spreekt hij de correcte consecratiewoorden, stelt devereiste handelingen, en be�indigt de Mis volgens de rituelevoorschriften. Wat moet men denken van degene, die wel iets doet, maar in zijn hart zegt, dat hij het niet wil doen ? Welnu: Zoiemand bedriegt zichzelf: hij doet het immers, dus wil hij het ! Het is een tegenspraak iets wat men uit vrije wil doet,tegelijkertijd niet te willen. Als men de handeling vrij stelt, dan wil men het ook ! De rest is stof opwerpen om het zicht tebelemmeren. Men kan natuurlijk iets liever laten, het liever niet willen doen, men kan er geen zin in hebben, maar daarover gaathet hier niet. Men moet dus vaststellen, dat als iemand vrij de handeling stelt, hij ook innerlijk de bedoeling heeft dit te doen.Zie ook nog DS2328 en DS3318.
10. Paus Leo XIII heeft in 1896 verklaard: Als iemand om een Sacrament tot stand te brengen en toe te dienen, de vereiste stofen vorm ernstig en juist heeft gebruikt, wordt door dit feit zelf verondersteld, dat hij bedoelt te doen, wat de Kerk doet.
En ook zegt dezelfde Paus nog: De Kerkoordeelt niet over de bedoeling of de intentie (de mente vel intenti�ne), die uit de aard der zaak iets innerlijks is; zij moet er over oordelen in zoverre zij naar buiten treedt.
11. Was dit niet zo, dan zou de geldigheid van de Sacramenten op losseschroeven komen te staan. Een priester zou zich angstig kunnen afvragen: Heeft de bisschop mij wel geldig gewijd, heeft diebisschop wel de innerlijke bedoeling gehad mij te wijden, of heeft hij die bedoeling wellicht in zijn hart teruggetrokken. Hetantwoord kan slechts 'ja !' luiden, indien de bisschop (die immers deze wijdingsmacht heeft) depriesterwijding heeft verricht als de heilige bediening van een Sacrament, volgens de riten van de Kerk, met volle kennis en vrijewil (wordt de bisschop gedwongen iets te doen door gewapende soldaten, dan is die handeling niet geldig; evenmin is dat het geval,als hij handelt onder invloed van hem gedwongen toegediende medicijnachtige middelen, die zijn kennis en vrije wil veranderen).
12. Immers, de bedienaar is slechts instrument van Christus, hij dient de wijding niet toe uit eigenzelfstandige kracht. Christus heeft de Sacramenten aan de Kerk gegeven, niet aan individuele personen. De individuelebisschop - om bij dit voorbeeld te blijven - heeft de macht priesters te wijden, �mdat hij bisschop van de Kerk is, niet omdat hij meneer zus of zo is. Als hij dusdoet, wat Christus van de Kerk verlangt, en daardoor van de bedienaren der Kerk verlangt, wijdt hij, de bisschop, geldig. Was hetanders, dan zou men er eerst zeker van moeten zijn, wat er in het hart van de mensen, de priesters, de bisschoppen, omgaat,alvorens men een uitspraak over de geldigheid van de sacramenten zou kunnen doen. Dit is natuurlijk een totaal onwerkbare situatie.Het zou een totale rechtsonzekerheid geven.
13. Alleen bij de Heilige Mis is er een zekere onduidelijkheid, omdat, bijde Consecratie, door de priester moet worden gezegd: "Dit is Mijn Lichaam", en: "Dit is Mijn Bloed." Maar watbetekent 'Dit' precies ? Dat moet door de priester correct, en in feite innerlijk, op dat moment worden bepaald. Daaromheeft de Kerk altijd ge�ist, dat het te consacreren brood, ende kelk met de te consacreren wijn, door de celebrant worden vastgenomen met beide handen, en dat de blik van de consacrerendepriester gericht is op de te consacreren speci�n,terwijl hij de betreffende consecratiewoorden uitspreekt. Indien een priester het brood op de pateen laat liggen, en dan deconsecratiewoorden spreekt, terwijl hij kijkt naar de vergaderde gelovigen, is er gerechtvaardigde twijfel aan de geldigheid.Analoog, als de priester de kelk laat staan, en de betreffende woorden spreekt, kijkend 'ins Blaue hinein', dat is kijkendnaar 'de mooie blauwe lucht', is er gerechtvaardigde twijfel aan de geldigheid der Consecratie.
14. Volledigheidshalve: De staat van genade van de bedienaar is niet noodzakelijk voor het totstand komen van een sacrament. Een priester, die in staat van zonde doopt, of de Mis opdraagt, kan beide geldig doen, als aan debesproken voorwaarden is voldaan. Maar zijn daden zijn dan wel heiligschennend. De staat van zonde be�nvloedt slechts zijn eigen zieletoestand, niet die van de ontvanger van hetSacrament. De reden is, dat de geldigheid van een Sacrament niet afhankelijk is van de heiligheid, of het geloof, of dezielestaat, van de bedienaar. Door Christus ingesteld, en op geldige wijze bediend, is het uit eigen kracht werkzaam, alseen instrument van Christus, werkend door zijn (gemachtigde) bedienaar.
15. Het Concilie van Trente plaatst allen buiten de Kerk, die beweren(zoals de protestanten), dat men bij het bedienen der Sacramenten, de door de Kerk aanvaarde, en door haar goedgekeurde riten(ceremonies, handelingen plus woorden) zonder zonde mag achterwege laten, of minachten. Hetzelfde geldt voor hen, diebeweren, dat elke 'herder van een kerk' deze ceremonies door andere mag vervangen. Deze dogmatische bepaling lijkt wel invergetelheid geraakt bij de tegenwoordige priesters. Want de meesten van hen veranderen de voorgeschreven liturgische riten derSacramenten, de Heilige Mis inbegrepen, naar eigen inzicht en naar hartelust, of stellen eigen riten en aparte ceremonies voorSacramenten, de Heilige Mis inbegrepen, samen, ceremonies, die hen in feite buiten de Kerk plaatsen. Helaas schijnt niemand vandeze priesters en leken, leden van zg. liturgische werkgroepen, zich d��rom als door Trente ge�xcommuniceerd te beschouwen.
16. De leer van de Kerk over de Sacramenten kan als volgt kort worden samengevat.Er zijn zeven Sacramenten, niet meer, niet minder, door Christus ingesteld, en van elkaar onderscheiden: doopsel, vormsel, biecht,Heilige Eucharistie, priesterschap, huwelijk, oliesel (laatste zalving). Zij bevatten, en geven de genade, die zij betekenen, endie er door ex �pere oper�to, door het verrichte werk, wordt gegeven en toegediend. Ditgebeurt niet door het geloof van de ontvanger alleen. Noch alleen door de persoonlijke werkzaamheid van de bedienaar.
17. Bij elk Sacrament moet aan de vereisten van vorm en materie worden voldaan. Debedienaar moet de vereiste macht tot toediening bezitten. En de ontvanger moet in staat zijn het Sacrament te ontvangen. Isaan de vereisten van vorm en materie voldaan, en is aan de eis tot het bezitten van de bedieningsmacht bij de bedienaar voldaan, enis de ontvanger gerechtigd het betreffende Sacrament te ontvangen, dan, en slechts dan, wordt dat Sacrament geldig toegediend.
18. De bedienaar moet minstens de bedoeling hebben te doen wat de Kerk doet. Zijn geloofen zijn innerlijke intentie, of de mening van zijn hart, doen niet ter zake. Evenmin is de zieletoestand van de bedienaar vanbelang voor het geldig ontvangen van een Sacrament. Daarom kan ook een onwaardige bedienaar, die de wijdingsmacht heeft,Sacramenten geldig toedienen, als hij maar de bedoeling heeft te doen wat de Kerk doet. Doopsel, vormsel en priesterschap laten eenonuitwisbaar merkteken achter in de ziel, en kunnen daarom niet worden herhaald. Bij de bediening moet iedereen, priester en leek,bedienaar en ontvanger, zich aan de liturgische riten van de Kerk houden, op straffe van excommunicatie.
19. Hieronder een lijstje met de gewone en buitengewone bedienaars van de zeven Sacramenten. Daarwaar priester staat kan men ook lezen bisschop.
| Sacrament | Gewone bedienaar | Buitengewone bedienaar |
|---|---|---|
| Doopsel | priester, diaken | iedereen |
| Vormsel | bisschop | gedelegeerde priester |
| Biecht | priester | --- |
| H.Eucharistie | priester | --- |
| Priesterschap | bisschop | --- |
| Huwelijk | man en vrouw | --- |
| H.Oliesel | priester | --- |
20. Men lette er op, dat het Heilig Oliesel, de Laatste Zalving, deZiekenzalving, slechts geldig kan worden toegediend door de priester (of de bisschop), niet door een diaken, noch door eenleek. Op veel plaatsen is de praktijk gegroeid, dat zieke bejaarden een soort zalving of zegening krijgen van een pastorale werkerof werkster, soms van een diaken. Die handelingen hebben geen enkele sacramentele waarde ! Zij zijn zelfsheiligschennend, omdat het een opzettelijke vervalsing, een misleidende nabootsing, betekent van een katholiek Sacrament. Men letteer ook op, dat het Heilig Oliesel slechts (geldig) mag worden toegediend als er werkelijk stervensgevaar is. Ziek zijnalleen, bejaard zijn alleen, ernstig ziek zijn alleen, volstaat niet; er moet stervensgevaar zijn.
21. Men lette er verder goed op, dat de priester, waarbij men biecht, inderdaad decorrecte absolutie geeft, dat wil zeggen de correcte vorm van het Sacrament gebruikt. Op veel plaatsen geloven depriesters niet meer in de zondenvergeving middels de biecht, maar willen dit niet aan de gelovigen laten merken. Zij spreken daneen of andere zegenformule in plaats van de gewone absolutiewoorden. Hoe waardevol een priesterlijke zegenformule op zich ook is,men knielt niet d��rvoor neer in de biechtstoel.