Uit Profetische Stemmen nummer 63 van maart 2002
Een van de liturgischemoeilijkheden van onze dagen is, dat er in feite twee Latijnse ritussen zijn, nl. I. de Vetus RitusRománus, de oude Romeinse ritus, die van vóór 1965 dateert, altijd in het Latijn is, met officiëleliturgische boeken van 1962, of eerder. En, II. de Novus Ritus Románus, de nieuwe Romeinse Ritus in hetLatijn, welke ritus van 1969 en later dateert.
Van de Novus Ritusis afgeleid een vorm in de landstaal, genaamd vorm III., met officiële liturgische boeken in de landstaal, dusvoor de Lage landen, in het Nederlands, met twee ondervormen, de Noord-Nederlandse, of kortweg Nederlandse, vorm IIINL., ende Zuid-Nederlandse of Vlaamse vorm IIIVL.
Voor elk van beide liturgieën,de oude ritus I. en de nieuwe ritus II., zijn de officiële liturgische boeken in het Latijn. Voor deoude ritus bestaan wel vertalingen in het Nederlands, die door het kerkelijk gezag zijn goedgekeurd, maar die geldenniet als officiële liturgische boeken, daar de liturgie altijd geheel in het Latijn verloopt. Die vertalingen dienen erslechts voor om het Latijn beter te begrijpen.
Voor de nieuwe ritusII. worden de officiële Latijnse boeken, uitgegeven door het Vaticaan. Deze boeken zijn weinig bekend, en de nieuweritus wordt in onze streken slechts zelden in het Latijn uitgevoerd. De boeken voor vorm III., met vertalingen in de landstaal, het Nederlands, worden uitgegeven door de Nederlandse en Vlaamse bisschoppenconferenties. Ook deze liturgischeboeken zijn officiëel. De vertalingen zijn echter doorgaans zeer vrij. Er is meer sprake van bewerken, dan vancorrect vertalen. Droevig genoeg bestaan er ook nog verschillen in woord- en taalgebruik tussen de Nederlandse en Vlaamse vorm vandeze liturgie, die echter beide officiëel zijn.
Tot elk van de drie ritussenbehoren meerdere rituele gedeelten. Deze delen worden allemaal geregeerd door wat genoemd wordt: ß. dekerkelijke kalender. De kalender geeft de indeling van het liturgische jaar, de verdeling van de feesten en degedenkdagen van de heiligen over het jaar, de rangorde van de feesten, allerlei liturgische gebruiken, te veel om op te noemen.
Men onderscheidt voor alle drievormen de volgende gedeelten van de ritus: A. De misliturgie (hoogmis, zondagsmis, weekdagmis, uitvaart, e.d.).B. De Getijden (het Gebed van de Uren, de gebedsdiensten doorheen de dag). C. De Sacramenten (doopsel,vormsel, huwelijk, priesterschap, biecht, oliesel of ziekenzalving, altaarsacrament). D. De Wijdingen en deZegeningen (abtswijding, kerkwijding, huiszegen, e.d.).
In elk van de gedeelten van elkeritus wordt onderscheid gemaakt tussen: 1. Gebeden (wat moet er tot God worden gezegd, door wie, enhoe, en wanneer). 2. Welke lezingen van de Heilige Schrift moeten worden gelezen, door wie, hoe, en wanneer ?3. Rubrieken (welke handelingen moeten hoe, door wie, en wanneer worden verricht).4. Gezangen (wat en hoe moet er worden gezongen, door wie, en wanneer).
De kerkelijke kalender isvoor de oude ritus I. en de nieuwe ritus II. (beide in het Latijn) verschillend. Ook de rituele gedeelten A.tot en met D. van elk der ritussen in het Latijn vertonen aanzienlijke verschillen. En de punten 1. tot en met4. laten in de Latijnse versies eveneens grote verschillen tussen de beide ritussen I. en II. zien.
De nieuwe Nederlandse ritusIII. laat in alle gedeelten, en in alle elementen, ook nog behoorlijke verschillen zien ten opzichte van deofficiële Latijnse versie II. Zoals gezegd is er eerder sprake van bewerken dan van getrouw vertalen, en dat is in alletalen min of meer het geval. In feite zijn er - naast het Latijnse origineel - evenveel ritussen ontstaan als er landstalen, eneigen landelijke gebruiken, zijn (Engels, Duits, Frans, Spaans, Nederlands, enz.) Voor het Nederlands zijn er dan nog deNederlandse en de Vlaamse onderversies IIINL. en IIIVL. Omdat in de oude ritus I. het Latijnseofficiëel maatgevend is, en de vertaling maar een hulpje voor het verstaan is, zijn er daar geen rituele verschillentussen het Latijn en de landstalen. De vertalingen in de landstaal zijn gewoonlijk wat ouder, en zijn merendeels getrouw.
Een verdere moeilijkheid is, dater al in de zestiger jaren van de twintigste eeuw een streven was in de Kerk om de toenmalige liturgie (volgens de oude ritusI. in het Latijn) lichtjes te wijzigen. De nà Vaticánum II, dat is nà 1965, vervaardigde nieuwe ritusII., die van kracht werd in 1969 (en later), ging echter qua wijzigingen veel verder, en vertoont dermate grote verschillen -in alle opzichten, en voor elk gedeelte - met de oude ritus, dat met recht van een geheel nieuwe ritus kan wordengesproken. Wat door de overgang naar de diverse landstalen (vorm III.) nog sterker zichtbaar werd, omdat de verschillennog groter werden.
Heden is op maar weinig plaatsenin Europa de oude ritus I. (bedenk: altijd in het Latijn) in gebruik, maar het gebruik ervan neemt langzaam toe. Meeren meer jongeren voelen zich er toe aangetrokken, vooral vanwege de sacraliteit, en de sfeer van godsdienstigheid en gebed. Ook deGregoriaanse zang (altijd in het Latijn), die vast bij deze ritus hoort, draagt bij aan de stijgende belangstelling. Toch wordtdeze ritus wel als star en vormelijk ervaren, vooral omdat de rubrieken heel precies zijn geformuleerd, en geen afwijkingen, nocheigen inbreng van celebrant en gelovigen, toelaten. Ook zijn de vormen vaak die van eeuwen geleden, wat niet iedereeen van onzedagen aanspreekt.
Van de nieuwe ritusIII. in de landstaal - Nederlands en Vlaams - bestaan onderhand evenveel vormen als er pastoors, paters, en parochies zijn.Door het gebrek aan duidelijke rubrieken, door een overvloed aan keuzemogelijkheden in de officiële boeken, door de groeiendeeigenzinnigheid bij parochiepriesters en liturgiegroepen, door een gebrek aan liturgische kennis en vorming bij priesters en leken,heeft heden elke parochie en klooster welhaast een eigen vorm van liturgie, vooral van de Mis, maar evenzeer van de Sacramenten ende Getijden. Vaak is de plaatselijke liturgie van week tot week onvoorspelbaar, wat tot onrust leidt onder de gelovigen, enontbreekt het aan waardigheid en sacraliteit, wat gelovigen tegensteekt, waardoor zij weg gaan blijven. Immers, als een Mis isverworden tot een godsdienstig theaterspel, dan is het theater op de televisie gewoonlijk van betere kwaliteit. De min of meervoorgeschreven zangstukken (in de landstaal) zijn een voortdurend punt van kritiek, omdat vele liederen, zowel qua dichtkunst entaalgebruik, als qua melodie, van laag nuzikaal en godsdienstig peil zijn. Het Gregoriaans mag en kan worden gezongen bij delandstalige Mis, vorm III., en dit gebeurt ook wel, maar het Gregoriaans wordt gewoonlijk gereserveerd voor de belangrijkerefeesten.
Nu is er de laatste tijd eentendens onder sommige hoge clérici, ook in het Vaticaan, om de oude (Latijnse) liturgie (met officiële boeken van 1962en eerder) lichtjes aan te passen in de richting van de nieuwe (officiële Latijnse) liturgie (van 1969 enlater). Men wil dan in de misliturgie vooral de vormen invoeren, die enige tijd in 1965 van kracht zijn geweest, plus enigeelementen van de nieuwe ritus. De door die hoge geestelijken gewenste wijzigingen gaan in feite grotendeels terug op de vereisten,die door Vaticánum II werden geformuleerd in de Constitutie voor de Liturgie. Maar het gaat wel iets verder ook, want menwil eveneens gebruik maken van de pastorale ervaringen met de nieuwe liturgie van de laatste dertig jaar, en ook een aantalelementen daarvan overnemen. Dit zou leiden tot weer een andere, nieuwe vorm, in feite een mengvorm van de oude en de nieuwemisliturgie. Er zijn al proeven genomen in een Franse abdij met die nieuwste tussenvorm van de Mis (die door ons hier IV.wordt genoemd).
Dan zijn er nog de acties vanmodernistische hoge clerici, en vooral van liturgisten, welke op basis van de nieuwe liturgie - vooral voor de misliturgie -een nog meer vereenvoudigde liturgie willen invoeren. Deze zou nog meer de cultus van de mens moeten benadrukken, vooral de gemeenschap vieren , en de eredienst aan God zou er practisch uit verdwenen zijn. Ontwerpen van dezeallernieuwste vorm circuleren al in de middens van beroepsliturgisten. Hemelse boodschappen laten weten, dat deze riten zo ververwijderd zijn van het wezenlijke waarvoor de Katholieke Kerk staat, dat men er de Heilige Mis niet meer geldig mee kanopdragen. De verwachting is, dat deze modernistische vorm door de Antipaus zal worden ingevoerd.
Allereerst gaat het hier overde liturgie van de Heilige Mis, waarbij de gezangen een aparte plaats innemen. Hier spreken we dusover: 1. de gebeden, 2. de lezingen, 3. de rubrieken, 4. de gezangen, van A. de HeiligeMis. De andere drie ritengroepen: B. de Getijden, C. de Sacramenten. D. de Wijdingen en Zegeningen, komenlater aan de orde.
In de gemeenschappen van de Rest-Kerk kan men in beginsel kiezen voor òf: I. de oude Latijnse misliturgie met de officiële boeken van 1962en eerder. Òf voor: II. de nieuwe misliturgie van 1969 en later volgens de officiële Latijnse boeken. Dekeuze hangt af van de beschikbare priester, de aanwezige boeken, en andere plaatselijke omstandigheden. Het Latijn en hetGregoriaans hebben duidelijk de voorkeur.
Een moeilijkheid geeft dekerkelijke kalender. Bij keuze I. behoort de oude kerkelijke kalender (van 1962). Bij keuze II.behoort de nieuwe kerkelijke kalender van 1969. De ordening van het liturgische jaar, de rangorde van de feesten, hetleesrooster van de schriftteksten, en de benamingen van tijden, vieringen en feesten verschillen aanzienlijk tussen beidekalenders. Sinds ca. 1965 werden aan de oude kerkelijke kalender officiëel geen nieuwe feesten, bijvoorbeeld van nieuweheiligen, toegevoegd, wat een tekort is.
Men bedenke, dat de Pausen na 1965(met Paus Johannes-Paulus II voorop) vele nieuwe heiligen hebben gecanoniseerd. De vermeldingen in de kalender en demisformulieren van deze nieuwe heiligen ontbreken in de oude kalender. Men kan echter met wat goede wil en met wat schipperen - zomen wil - de oude kalender volgens keuze I. volgen, en voor de nieuwe heiligen de gegevens en de misformulieren van denieuwe kalender aanhouden. Volgt men de nieuwe kalender van keuze II. dan passen de nieuwe feesten daar naadloos in.
Voor de (altijd Latijnse) vormI. kan men vrijwel elk oud altaarmissaal of handmissaal van tussen 1955 en 1962 gebruiken. De meeste oude handmissaals zijntweetalig Latijn-Nederlands, waardoor men het Latijn goed kan volgen. Deze missaals bevatten ook altijd de lezingen. Er zijn inNederland en België tesamen heden misschien nog wel een twaalftal plaatsen alwaar men wekelijks deze vorm I. vande Mis kan bijwonen. Al geschieden alle gebeden en gezangen in het Latijn, gewoonlijk draagt men de lezingen in het Nederlandsvoor.
De Latijnse vorm II. van demisliturgie is de vorm, die in Nederland bekend is als de Latijnse Missen van de Vereniging voor Latijnse Liturgie.In sommige steden van Nederland kan men wekelijks deze vorm van de Heilige Mis bijwonen. Daarbij worden de schriftlezingen in hetNederlands voorgedragen. Voor deze vorm bestaan ook tweetalige volledige handmissaals Latijn-Nederlands, één voor dezondagen en feesten, en één voor de weekdagen, welke eveneens de lezingen volgens het rooster II. bevatten. InBelgië is deze (Latijnse) vorm vrijwel onbekend, en heeft men evenmin de beschikking over volledige tweetalige missaals Latijn-Vlaams voor de eigen Vlaamse ondervorm.
Een derde keuzemogelijkheidIII. voor de misliturgie is die volgens de nieuwe liturgie, maar dan gemengd Latijn-Nederlands,dus gedeeltelijk, of geheel, in de eigen taal, het Nederlands. Dan is er direct het probleem van de ondervorm: NederlandsIIINL., of Vlaams IIIVL. Het Latijn is hetzelfde voor beide ondervormen. Omdat nu eenmaal de beide tweetaligehandmissaals van de Vereniging voor Latijnse Liturgie bestaan, die volledig zijn, verdient voor de Rest-Kerk de Nederlandsevorm de voorkeur boven de Belgisch-Vlaamse vorm. Bovendien kan men met die tweetalige boeken naar keuze het Latijn of hetNederlands kiezen, of beide talen mengelen. De lezingen zijn altijd in de landstaal.
Een vierde mogelijkheid is demengvorm of tussenvorm IV., die tussen de Latijnse versies I. en II. inligt. Het Latijn heeftweer de voorkeur. Voor deze vorm IV. bestaan een Latijnse kalender, en een Latijns boekje voor de Orde van de Mis. Ook bijdeze vorm zijn de lezingen in de landstaal.
De vormen I., II.,en III. zijn alle drie officiële liturgische vormen voor de misliturgie. Zij zijn alle drie goedgekeurd door deApostolische Stoel en door de plaatselijke bisschoppen. Dat wil echter niet zeggen, dat elke priester, waar ook ter wereld,elk van die drie vormen altijd zou mogen kiezen volgens eigen wens en inzicht. Er zijn bepaalde restricties van kracht. Soms moetaan de plaatselijke bisschop, of de eigen hogere overste, toestemming worden gevraagd (met name is dat heden overal zo voorvorm I.). Vorm IV. is (nog) niet officiëel, en is (nog) niet goedgekeurd door Rome. Er mag echter -volgens de hemelse boodschappen - worden verwacht, dat de Paus (voor zijn verwijdering en verdwijning uit Rome) minstens vormI., II., en III., wellicht ook vorm IV., zal toestaan voor elke priester, waar ook terwereld, waardoor de aparte toestemming van welke bisschop of hogere overste dan ook, niet meer nodig zal zijn.