ART09100101 -- Versie 1 october 2009
Over Demografie en Sedentatie
Auteur: Ir. Ing. Jan A. A. van der Wulp
Postadres: Maxburgdreef 41, B 2321 Hoogstraten-Meer
Email: ioco@skynet.be
=============================================-
OVER DEMOGRAFIE EN SEDENTATIE
DEMOGRAFISCHE BEREKENINGEN
Modellen van bevolkingsgroei
1. De demografie is de leer van de bewoning der aarde door de mensen. Het gaat om de bewoonbare streken, het klimaat, de voedselvoorziening, de ziektes, de oorlogen, en alle factoren welke de aantallen mensen en de plaatsen van verblijf hebben beïnvloed, tot op heden toe.
2. Een vakgebied als de demografie houdt zich bezig met de bevolkingsontwikkeling. Gaat men de bevolkingsgroei op aarde na aan de hand van de bekende geschiedenis van de mensheid, rekening houdend met oorlogen, besmettelijke ziekten, klimaatverstoringen, voedselschaarste, kindersterfte, en wat niet al, dan komt men tot de conclusie, dat de mens hoogstens 10.000 jaar op aarde kan hebben rondgelopen. Demografische computermodellen van de groei van de aantallen mensen op de aarde gaan uit van de huidige ruim zes miljard mensen, en rekenen dan terug naar het verleden.
3. Rekening houdend met rampen, oorlogen, voedselschaarste, ziekten en plagen, en met de klimatologische verschillen, bepaalt men per streek een gemiddeld groeipercentage, wat nog variëert met de tijd, afhankelijk van de bekende geschiedkundige perioden. Dergelijke zeer complexe computermodellen (die stammen uit de operationele analyse) komen uit - vertrekkende van ruim zes miljard mensen nu - op één eerste ouderpaar, levend ongeveer zes- à zevenduizend jaar geleden.
De groeifactor
4. De huidige gemiddelde groeifactor van de wereldbevolking is ongeveer 1,7% per jaar. Op iedere 100 miljoen mensen komen er jaarlijks 1,7 miljoen bij (dit is de balans van de geboortes en de sterfgevallen). De plaatselijke groeifactor variëert sterk met de landen en streken. En wel van 3% per jaar (in sommige Zuid-Amerikaanse en Afrikaanse landen) tot minder dan 0,5% in geindustrialiseerde Westerse landen. Hoe was de groeifactor in het verleden ?
5. In Australië tussen 1800 en 1850 wel 4%. In Quebec, Canada, tussen 1760 en 1790 ook 4%. Gaat men uit van de Zondvloed ongeveer 4.500 jaar geleden met acht overlevenden, en de huidige ruim zes miljard mensen, dan is de gemiddelse groeifactor minder dan 0,5% per jaar.
6. Toch levert napluizen van de bijbelse gegevens voor het Joodse volk in de eeuwen direct na de Zondvloed een veel hogere groeifactor, en wel 3,7%. Onderzoekingen hebben de wereldbevolking ten tijde van Jezus Hemelvaart bepaald op 300 miljoen mensen. Gerekend vanf de Zondvloed is de gemiddelde bevokingsgroei dan 0,75% per jaar. Men weet ook, dat de bevolkingsgroei in de Europese Middeleeuwen laag was.
7. Het Joodse volk stamt af van Jacob (ook Israël genaamd). Het aantal Joden werd in 1930 wereldwijd geschat op 18 miljoen. Dit komt neer op een gemiddelde groei van 0,44% per jaar. Ook de groeifactor van de wereldbevolking als geheel vanaf de Zondvloed ligt gemiddeld op 0,45%. Dit wijst er op, dat de Bijbel de wereldgeschiedenis juist weergeeft.
8. Een eenvoudiger berekening, die van grovere aannamen uitgaat, neemt slechte tot catastrofale levensvoorwaarden aan (weinig voedsel, ongezonde leefomstandigheden), en schat de gemiddelde jaarlijkse bevolkingsgroei op 0,1 % (wat niet met de realiteit overeenkomt, ze is te laag). Dan komt men, terugrekenend van de huidige ruim zes miljard mensen, uit op een ouderdom van hoogstens 23.000 jaar. Bij iets hogere, meer reële groeicijfers, ook nog gedifferentiëerd naar gebieden op aarde en verschillende historische tijdperken, komt men vanzelfsprekend op een kortere verblijftijd dan 23.000 jaar uit en wel op zes- à zevenduizend jaar.
9. Of men nu uitgaat van de twee eerste mensen Adam en Eva, of van Noë (Noach) en zijn vrouw, met kinderen en hun dienaars (ongeveer 35 personen), de enigen, die overbleven na de Zondvloed (volgens de Bijbel), als de verblijftijd langer zou zijn dan 6000 à 10.000 jaar, dan zou het huidige aantal mensen veel en veel groter moeten zijn, ondanks de aangenomen ongunstige leefomstandigheden. Dat is het niet, dus kan de verblijftijd niet zo lang zijn geweest.
De groep sterft uit
10. Evolutionisten beweren, dat de mens ongeveer een miljoen jaar geleden is ontstaan uit een aapachtige. Zelfs al zou de groeifactor slechts 0,01% per jaar zijn geweest, dan nog zou deze ultralage groeifactor tot een onmogelijk groot aantal mensen hebben geleid, en wel tot 10exp43, dat is een één met 43 nullen er achter. Dit is vanzelfsprekend onzin.
11. Om dit probleem op te lossen beweren de aanhangers van het evolutionistisch scenario, dat de mensheid vele eeuwen lang constant in aantal bleef, in feite vrijwel op het punt van uitsterven stond. Maar voor de juistheid van die aanname is er geen bewijs, integendeel. Want, als de reproductiegraad te laag is, worden de schadelijke mutaties niet geëlimineerd. Bij een te geringe reproductie zou de mutatiebelasting alleen al voor het uitsterven hebben gezorgd. Bij een hogere reproductiegraad blijven er na het uitvallen van zieke, zwakke, mismaakte, en verongelukte wezens nog voldoende exemplaren over om de groep zich te doen voortplanten. Bij een te lage reproductiegraad is dit niet mogelijk, en sterft de groep uit.
De steentijdbewoners
12. Neemt men slechte tot catastrofale levensvoorwaarden aan (weinig voedsel, ongezonde leefomstandigheden), dan is de jaarlijkse bevolkingsgroei hoogstens 0,1%. Die uiterst lage groeifactor geeft echter na 15.000 jaar toch al een bevolking van 8 miljoen mensen van de steentijd. Gaat men uit van 30.000 jaar of 50.000 jaar, dan zou het aantal mensen in de steentijd nog veel groter moeten zijn dan 8 miljoen, ondanks de vele groeibeperkingen in de loop der eeuwen door ziekten, gebrek aan voedsel, oorlogen, en dergelijke.
13. Nu beweren de evolutionisten dat er zo'n 100.000 jaar geleden een stenen tijdperk was met een bevolking van tussen de één en de tien miljoen mensen. Van zo veel steentijdbewoners werden nooit voldoende restanten gevonden, bedoeld worden werktuigen uit de steentijd, en bewijzen van bewoning op plaatsen van vestiging, dus restanten van bouwsels en van stenen werktuigen en voorwerpen. Dus kan de bewoning nooit zo lang zijn geweest.
14. Uit het onderzoek van fossiele resten weet men, dat de mensen hun doden begroeven, samen met allerlei artefacten (voorwerpen). Verbranden van dode lichamen was nooit een universele praktijk. Zouden er inderdaad 100.000 jaar geleden één miljoen mensen hebben geleefd, dan zou men in het tijdsbestek tot heden toch wel zo'n 4 miljard mensen hebben moeten begraven.
15. Waren er toen 10 miljoen mensen, dan zou men 40 miljard mensen moeten hebben begraven, samen met hun artefacten. Men zou dan dus vandaag-de-dag zeer veel skeletten met hun artefacten moeten vinden, nog grotendeels intact na 100.000 jaar. Zelfs als de lichamen grotendeels zouden zijn vergaan, zou men toch enorme hoeveelheden artefacten moeten vinden.
16. Welnu, de zeer beperkte hoeveelheid menselijke fossielen en bijbehorende artefacten tonen aan, dat de menselijke verblijftijd veel korter met zijn geweest dan 100.000 jaar. De aantallen skeletten, die wel werden gevonden, duiden eerder op een steentijd van enkele honderden jaren. De aanname van een gedurende vele eeuwen constante groeifactor is gewoon een verzinsel.
Een land om goed in te leven
17. Toen de Europeanen in 1788 Australië begonnen te bevolken werd het aantal aboriginals geschat op 300.000. Stel dat, enige tijd na de Zondvloed, de eerste groep van 20 aboriginals zich zou hebben gevestigd op dit grote continent. Dit zal dan zo'n 3.500 jaar vóór 1788 zijn geweest. Om te komen tot de 300.000 personen in 1788 moet de jaarlijkse bevolkingsgroei 0,28% zijn geweest. Heden beweren de evolutionisten, dat de aboriginals al 60.000 jaar in Australië verblijven. De lage groeiratio van 0,28% zou echter in 60.000 jaar meer mensen hebben opgeleverd dan er sterren zijn aan de hemel. Iedereen die Australië kent, zal inzien dat dit continent rijk genoeg is aan mogelijkheden om goed te kunnen leven, om een normale groeifactor te mogen aannemen, zelfs als men meerekent, dat 1/3 van het land woestijn is. Aannemen, dat de groep aboriginals in vele tienduizenden jaren niet zou zijn gegroeid is gewoon een belachelijke veronderstelling.
18. Samenvattend: Gaat men uit van de wereldbevolking van heden, zes miljard mensen, en een jaarlijks groeipercentage wegens ongunstige omstandigheden van 0,1%, dan bereikt men dit aantal van 6 miljard aardbewoners al na 23.000 jaar. Het is duidelijk, dat de lange bewoningstijden van miljoenen en honderdduizenden jaren niet juist kunnen zijn. Daarbij komt, dat de bevolkingsgroei niet altijd werd beperkt door slechte leefomstandigheden, er waren ook perioden waarin meer en beter voedsel te krijgen was, en er minder mensen stierven door ziektes, oorlogen en ongevallen. Dus werd in werkelijkheid het aantal van zes miljard bij een jaarlijkse groeifactor van rond de 0,45% al bereikt na veel minder dan de berekende 23.000 jaar en wel in nog geen 10.000 jaar.
19. Gevolg: De mensheid bewoont de aarde hoogstens tienduizend jaren, waarschijnlijk korter, eerder 6.000 à 7.000 jaar. Bewoningstijden van tienduizenden of honderdduizenden jaren of langer zijn onzin !
OVER SEDENTATIE
Over artefacten en sedentatie
20. Als de mens veel meer dan 6.000 jaar op aarde zou hebben rondgelopen, dan zou het aantal artefacten (opgegraven voorwerpen) vele malen groter moeten zijn dan men heden bij opgravingen vindt. Denkt men bijvoorbeeld aan 30.000 jaar, dan zou het aantal opgegraven stenen bijlen, stenen priemen en ijzeren voorwerpen vele malen groter moeten zijn, dan nu het geval is. Men zou werkelijk moeten struikelen over de stenen en metalen artefacten, en over de gefossiliseerde (houten) voorwerpen. Dat is echter niet het geval. Dus kan de verblijftijd van de mens op aarde nooit zó lang zijn.
21. Dit wordt nog duidelijker als men het totaal aantal vestigingsplaatsen (sedentatie in dorpen en, gehuchten) in de oudste tijden probeert af te schatten door geografisch en aardkundig onderzoek. Dan blijkt dat dit aantal plaatsen, waar tekens van gemeenschappelijk menselijk leven te vinden zijn, veel kleiner is, dan men zou verwachten op grond van de veronderstelde lange verblijftijden. Men kan slechts concluderen, dat de verblijftijd van de mens op aarde nooit zo lang kan zijn als de evolutionisten graag willen, gezien de relatief geringe aantallen uitgegraven gehuchten en dorpen.
22. Archeologische onderzoeken naar artefacten (stenen en andere gebruiksvoorwerpen) en de sedentatie (vestigingsvormen in dorpen) tonen aan, dat de verblijftijd van de mensheid op de aarde niet meer dan hoogstens tienduizend jaar kan zijn. Het aantal opgegraven artefacten, en het aantal uitgegraven dorpen, is veel te klein om een langere verblijftijd aan te kunnen nemen. Zou de mensheid meerdere tienduizenden jaren op aarde verblijven dan zouden wij overal moeten struikelen over de artefacten en de restanten van bewoning. Dit doen wij niet, ergo kan de verblijftijd nooit zo lang zijn. Men komt globaal gesproken een factor 1.000 tekort. Het aantal wel gevonden artefacten en plaatsen van bewoning en verblijf is ruwweg duizendmaal te klein om zeer lange verblijftijden aan te kunnen nemen.
23. Samenvattend: Een verblijftijd van de mensheid op aarde veel langer dan 6.000 à 10.000 jaren is onzin. Het is een verzinsel, want de demografische en de archeologische feiten spreken anders.