ongehuwd blijven ?

Ongehuwd blijven ?

1. Ongehuwd zijn, en ongehuwd willen blijven, staan tegenwoordig niet in zo'n beste reuk. Als voorafje van het huwelijk, of het samenwonen, kan het ongehuwd zijn er nog wel mee door, zo vindt men gewoonlijk. Maar degene, die bewust en blijvend on-gehuwd wil blijven om hogere motieven, zoals dat heet, zal meestentijds maar weinig waardering voor zijn keuze ondervinden. Want dàn gaat het om de geestelijke staat, om (toekomstige) priesters en mannelijke en vrouwelijke kloosterlingen, die de celibaatsgelofte hebben afgelegd, of zullen afleggen.

2. En heden schijnt iedereen, of bijna iedereen, tegen het celibaat en vóór het gehuwde priesterschap te zijn. Is deze mening nu wel gefundeerd op de juiste (christelijke) inzichten, zo is de vraag, die hier wordt beantwoord ? Het is daarvoor nodig om in alle duidelijkheid over sexuele zaken te spreken, ook over de meer behoudende opvattingen daarover. En het is nodig om vergelijkingen te maken met andere levensstaten. Is het (traditionele) standpunt van de kerkelijke overheid, die het celibaat voor priesters en kloosterlingen wil handhaven, wel zo verouderd en zo dwaas ?

3. Niemand is verplicht te trouwen. Men mag ongehuwd blijven. Dan echter moet men afzien van alle geslachtelijke aanrakingen, handelingen en genoegens, zo zegt de oude christelijke leer. Immers alle sexuele handelingen en gevoelens leiden tot, en vinden normalerwijs hun hoogtepunt in, de algehele geslachtelijke vereniging van man en vrouw. Zij zijn het voorspel daartoe. Zij omkaderen de volledige gemeenschap. En die geslachtsgemeenschap leidt natuurlijkerwijze tot het kind, vrucht van de liefde en van het verbond tussen de echtgenoten.

4. Daarom is elke geslachtsgemeenschap voor de niet-gehuwde man of vrouw ontuchtig, zo zegt de ouderwetse katholieke moraaltheoloog. Dus zijn ook alle sexuele handelingen, zoals die gewoonlijk aan de gemeenschap vooraf gaan, en er op volgen, ontuchtig, als men niet getrouwd is, volgens de traditionele christelijke opvatting. Veel hedendaagse moraaltheologen en gelovigen denken daar echter anders over.

5. Hier worden vanzelfsprekend niet de gewone soort kussen, aanrakingen en liefkozingen bedoeld, zoals men die in het openbaar met familieleden, en in zijn vriendenkring, ook uitwisselt. Het gaat om de meer sexueel gerichte, intieme, handelingen.

6. Sommige (normale) jonge en oude ongehuwde mensen vinden overigens dit gemis aan sexuele bevrediging helemaal niet zo erg. Zij zijn bijvoorbeeld gauw moe, of hun geslachtsdrift is zwak. Lang niet iedereen verlangt er naar voortdurend sexueel actief te zijn, al doen de media ons geloven van wel. Of mensen zijn door de toevallige levensomstandigheden er buiten hun schuld op over geschoten. Of men heeft gewoon de ware partner nooit gevonden.

7. Er zijn talloze gewone, gezonde, jongere en oudere, mensen, mannen en vrouwen, die gelukkig en celibatair leven. Al kozen zij niet bewust voor die levensstaat, maar werden zij door de on-gunst der omstandigheden er toe gebracht, zij klagen niet, en zij zijn evenwichtige en geestelijk gezonde mensen. Zij leven gewoonlijk (al) vele jaren in de toestand van geslachtelijke onthouding. Op practisch psychologische gronden blijkt er niet veel tegen het celibataire leven in te brengen.

8. Een bijzonder geval vormen degenen, die ongehuwd zijn, die echter een lief hebben, die verkering hebben, of die verloofd zijn. Hiervoor geldt, volgens de oude katholieke opvatting, in beginsel hetzelfde als voor alle andere ongehuwden. Maar door de langzamerhand tussen partijen groeiende intimiteit, door hun opgang naar het voorgenomen huwelijk, kan de verleiding om een voorschot op het huwelijk te nemen wel eens (te) groot worden. Men moet dit echter vermijden, zo wil de christelijke traditie. Vele geestelijken en gelovigen denken daar heden echter anders over.

9. Het ongehuwd samenwonen en de slaapkamer regelmatig delen, is, voor jong en oud, een vorm van ontucht, wederom volgens de oude christelijke leer. Velen menen tegenwoordig, dat deze vorm van samenzijn moreel geoorloofd is, omwille van de wens der partijen een vaste relatie te onderhouden. Voor behoudende christenen kan dat echter nooit rechtvaardiging genoeg zijn. Die houden vast aan het gehuwd zijn als noodzakelijke voorwaarde voor samenwonen met geslachtsverkeer. Vanzelfsprekend kan men samenwonen, en de huishouding delen, zonder de slaapkamer te delen en zonder geslachtsgemeenschap te onderhouden, zoals vele bejaarden, die niet alleen willen zijn, wel weten. Geen enkele behoudende katholiek zal daar bezwaren tegen hebben.

10. Alle natuurlijke sexuele gevoelens en daden zijn altijd gericht op het andere geslacht, dat is voor de man op de vrouw-echtgenote, en voor de vrouw op de man-echtgenoot. De geslachtelijkheid is van aard her ingebed in de relatie met de partij van het andere geslacht. Daarom is elke sexuele interesse en elk geslachtelijk gevoel ten opzichte van iemand van hetzelfde geslacht, altijd verwerpelijk, zo is de vele eeuwen oude christelijke opvatting, die men overigens al terug vindt in de Pentateuch, de bijbelse boeken van Mozes, geboren zo'n 1500 jaar vóór Christus.

11. Daar wordt de uitdrukking tegen-natuurlijke ontucht gebruikt als het gaat over lichamelijke betrekkingen van mannen met mannen, en van vrouwen met vrouwen. Maar ook hierover denken vele mensen tegenwoordig heel anders. Velen zien echter het feit over het hoofd, dat men in de hogere dierenwereld geslachtelijk gedrag ten opzichte van exemplaren van hetzelfde geslacht, vrijwel niet kent (behoudens abnormale leefomstandigheden).

12. Omdat alle natuurlijke sexuele gevoelens en daden uit de aard her altijd op het andere geslacht zijn gericht, is elke sexuele interesse en elk geslachtelijk gevoel ten opzichte van zichzelf verwerpelijk, zo is de oude katholieke mening. En elke sexuele handeling, aan het eigen lichaam verricht, is altijd onkuis en zondig, zo is de traditionele opvatting. Men spreekt gewoonlijk van onanie (in engere zin) of masturbatie (zelfbevrediging). Echter ook over dit punt denken vele theologen en gelovigen heden anders. Zij bagatelliseren deze vormen van sexueel gedrag, beschouwen deze meer als een stadium op weg naar de volledige geslachtelijke gemeenschap (voor jongere mensen), òf zij menen dat deze daden gewoon aanvullend zijn op die volledige gemeenschap (voor jongeren zowel als ouderen) zonder verder consequenties daarvoor te hebben.

13. Echter, een bijzonder kwalijk psychologisch effect van veelvuldige masturbatie is, dat de jongen of de man, het meisje of de vrouw, zich te veel op zichzelf richt, waardoor langzamerhand fixatie (verstarde gerichtheid) op de eigen persoon ontstaat. Dit leidt er in heel wat gevallen toe, dat men weinig, of veel minder - in erge gevallen helemaal niet meer - in staat blijkt te zijn om een gezonde relatie met iemand van het andere geslacht op te bouwen. Door de fixatie op zichzelf zoekt men niet meer het welzijn van de ander, niet meer diens geluk; de eigen bevrediging is hoofdzaak geworden. Door deze zelfgerichtheid zijn relatieproblemen haast niet te vermijden, als men (toch) een relatie aangaat.

14. Een apart geval vormen de celibatairen. Sommigen blijven celibatair, dat is ongehuwd en maagdelijk, omwille van het Koninkrijk Gods. Daartoe behoren in beginsel alle priesters, al zijn er ook wel enkele gehuwde priesters, dat zijn priesters, die met toestemming van de kerkelijke overheid huwelijk en priesterschap mogen combineren. Daartoe, tot de celibatairen, behoren ook mannelijke en vrouwelijke kloosterlingen: geestelijken, monniken, monialen, religieuze zusters en broeders.

15. Zij allen dienen (met uitzondering van de gehuwde priesters) van alle geslachtelijke gevoelens en handelingen, in de breedste zin te verstaan, af te zien, zo is de alleroudste opvatting in de katholieke Kerk. Toch zijn er tegenwoordig heel wat mensen, die hier anders over denken. Zij pleiten voor meer gehuwde priesters, en willen niet veel weten van het celibaat van de kloosterlingen.

16. Maar, priesters en kloosterlingen zijn vrije mensen, die ten tijde van hun wijding, of ten tijde van de aflegging van hun geloften, zelfstandig en in alle vrijheid hebben kunnen beslissen, en die toen voor het celibaat hebben gekozen, of minstens dit vrijwillig hebben aanvaard. Niemand is heden verplicht priester of kloosterling te worden, noch het celibaat tegen zijn goesting te aanvaarden.

17. De praktijk leert, dat er altijd priesters en kloosterlingen zijn geweest, die moeilijkheden hebben ondervonden met het maagdelijke bestaan en met het leven in geslachtelijke onthouding. Al mag dat heden meer voorkomen dan vroeger, het is niets nieuws. De katholieke Kerk heeft hiervoor altijd de oplossing gekend van het tot de lekenstand terugbrengen van die personen, dat wil zeggen, het beëindigen van de geestelijke staat, gepaard gaande met het ontslaan van de plicht tot celibaat. Niemand werd ooit door de Kerk verplicht om in een onmogelijke toestand te volharden.

18. Weinigen beseffen tegenwoodig, dat priesters en kloosterlingen een speciale band met God hebben. Want, zij zijn door hun levenskeuze uitsluitend op God gericht. Nu is God zuiver geest. In die geestelijke relatie spelen de sexuele vermogens van het menselijk lichaam geen enkele rol. Elke geslachtelijke gedachte of handeling introduceert daardoor een wezensvreemd element in die relatie van de godgewijde mens, trekt de persoon in kwestie af van God, en is in feite een vorm van ontrouw.

19. Men begrijpe, dat de relatie tussen twee gehuwden gewoonlijk zowel lichamelijke als geestelijke aspecten heeft. Al zijn er huwelijken, waarin de echtelieden zich voortdurend sexueel onthouden en waarin de geestelijke elementen van de relatie hoofdzaak zijn (traditioneel altijd Jozef-huwelijk genoemd). In nagenoeg 100 % der gevallen echter zijn de lichamelijke en geestelijke betrekkingen tussen de gehuwde man en vrouw niet te scheiden. Zoekt een der partners uitsluitend de lichamelijkheid, en verwaarloost deze de onderlinge geestelijke betrekkingen, dan prostitueert deze in feite de andere partij.

20. Heel anders is dit bij de celibataire priesters en kloosterlingen. Het is in feite onbelangrijk of een priester of kloosterling een sexuele neiging heeft, en welke dit dan wel mag zijn. Men kan gericht zijn op zichzelf, gericht op iemand van hetzelfde geslacht, of op iemand van het andere geslacht, dat maakt voor de celibataire priester en kloosterling niets uit. Elke lichamelijkheid, welke dan ook, past niet in de zuiver geestelijke relatie met God, en als men die ernstig neemt, en zijn celibaatsgelofte gestand wil doen, moet men die lichamelijke geneigdheid tot zichzelf of tot medemensen onderdrukken.

21. Men kan heden nu wel ach en wee roepen over de situatie van celibataire priesters en kloosterlingen, maar in een gezond christelijk huwelijk is de situatie niet veel anders. Ondervindt een der echtelieden een lichamelijke of geestelijke geneigdheid tot een buitenstaander, van welk geslacht dan ook, en wil deze partner de belofte van huwelijkstrouw gestand doen, dan moet die persoon evenzo die speciale lichamelijke of geestelijke geneigdheid onder-drukken. Dat is oude katholieke huwelijkspraktijk.

22. Lichamelijk en geestelijk trouw zijn aan het eens gegeven woord is voor priester en kloosterling niet wezenlijk anders dan voor de gehuwden. Priester en kloosterling moeten lichamelijk en geestelijk trouw zijn aan God (door het celibataire leven en de blijvende gerichtheid op God). De echtelieden moeten lichamelijk en geestelijk trouw zijn aan elkaar (door al hun lichamelijke en hun belangrijke geestelijke betrekkingen slechts tot elkander te beperken). Dat is oude christelijke leer en ervaring.

23. In beide situaties wordt van de personen een flinke inspanning gevraagd, en het is een vervalsing te menen, dat vele priesters met de afschaffing van het celibaat en het algemeen invoeren van het gehuwde priesterschap zeer gebaat zouden zijn. Want de gehuwde priester krijgt er twee relaties bij ten opzichte van de ongehuwde staat. Hij moet drie relaties koesteren, te weten, de lichamelijke en geestelijke relaties met zijn echtgenote, en ook nog - als hij zijn priesterschap ernstig neemt - de geestelijke relatie met God.

24. Lang gehuwde katholieke echtparen weten hoe moeilijk het is om de ware christelijke geestelijk-lichamelijke eenheid te bereiken en te bewaren door de jaren heen. En de ervaren priester weet maar al te goed hoe zwaar het is om met God in een goede betrekking te staan, en deze te doen groeien in de loop der tijd, en om de geestelijke relatie met Hem niet te laten verzanden in sleur en formalisme.

25. Het is heel goed mogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat de priester, die mag huwen, van de regen in de drup zal blijken te zijn gekomen. De hedendaagse roep om het gehuwde priesterschap houdt weinig of geen rekening met de hoge eisen, ook op sexueel gebied, welke het ware christelijke huwelijk aan de echtelieden stelt. Als veel van de energie van de priester in de echtelijke relatie moet worden gestoken, kan de aandacht voor de betrekking met God gemakkelijk te kort schieten, of andersom, als God de meeste aandacht krijgt, zal de vrouw zich misschien te kort voelen gedaan.

26. En dàt is precies de ervaring van de Oosterse Kerken, die dit gehuwde priesterschap al eeuwenlang kennen, en waar men weet, dat vele gehuwde priesters innerlijk worden verscheurd door de tegengestelde eisen, die huwelijk en priesterschap mede brengen. Want de echtgenote eist (overigens terecht) lichamelijk en geestelijk de aandacht en de energie van de man-priester op. Dan zijn er gewoonlijk nog de kinderen als vrucht van dit liefdesverbond. En God eist - eveneens terecht - van Zijn priester ook de nodige aandacht en gerichtheid. Men moet wel een zeer bijzonder man zijn om op evenwichtige wijze aan al deze eisen van de Heer, zowel als van de vrouw, te kunnen voldoen.

Jan A. A. van der Wulp