1. In het Vlaamse parochieblad Kerk en Leven, nummer 19 van 10 mei 1995 staat op de vierde pagina een artikel van Peter Gordts, getiteld: Bang zijn, bevrijd worden. Over het Vlaamse parochieblad Kerk en Leven moet eerst het volgende worden verteld. In heel nederlandstalig België verschijnt maar één parochieblad. De oplage is ca. 700.000 exemplaren per week ! Het eerste katern is algemeen, en is overal hetzelfde. Het tweede katern verschilt van bisdom tot bisdom, waarbij het achterste blad verschilt van parochie tot parochie. In een later jaar zijn de katernen verwisseld, en is de locale parochiepagina voorop komen te staan. Dit weekblad komt overal in Vlaanderen, omdat de mensen er zeer aan gehecht zijn de plaatselijke parochieberichten te ontvangen met mededelingen over de Heilige Missen, de uitvaarten, de bedevaarten, enz.
2. Het gewraakte artikel in nummer 19 van 10 mei 1995 gaat over uitingen van volksgeloof: heiligenverering, bedevaarten, processies, zegeningen, e.d., en dan vooral de visie daarop van een zekere Pater Paul Robbrecht, die zichzelf volkspredikant noemt. De delen, die letterlijke citaten zijn van Pater Robbrecht, zijn duidelijk te herkennen door het gebruik van aanhalingstekens. In de tekst van het artikel wordt weliswaar in het algemeen positief gesproken over de vele volksdevoties, maar er komen in de citaten van Pater Robbrecht een aantal betreurenswaardige theologische fouten en vergissingen voor. Deze betreffen vooral de plaats van de Heilige Maria in de heilsgeschiedenis.
3. In de derde kolom van de tekst gaat het over de vurige Maria-devotie van vele volkse Vlamingen, die zich uit in Mariale bedevaarten. Pater Robbrecht deelt dan over de menswording van de Zoon van God mede: � Dat Maria allerminst een zebedeezeke was dat braafjes knikte toen God zijn engel zond. Dat ze schrok, zelfs met Hem vocht - zoals alle mensen die door God worden geraakt - en pas door de knieën ging toen ze die geraaktheid ervoer. Dat Maria de Onbevlekt Ontvangene is, zoals wij allen die in de moederschoot naar beeld en gelijkenis van God zijn verwekt. En dat Maria model staat voor wat ons allen wacht: verrijzenis en hemelse glorie op de koop toe. � Tot zover het letterlijke citaat uit het parochieblad Kerk en Leven.
4. Indien men zich baseert op de Heilige Schrift - bijvoorbeeld op het kindheidsevangelie van de evangelist Lucas - èn op de vaststaande geloofswaarheden, èn op de bekende eeuwenoude kerkelijke tradities, dan is de bovenstaande 'uitleg' van Pater Robbrecht vrijwel geheel bezijden de waarheid.
5. Volgens de Grote Van Dale is zebedéus - zonder hoofdletter - een kwalitatieve persoonsnaam, en betekent zoiets als 'een weerloze tobber', in het Zuidnederlands eerder 'sul', dat is iemand, die alles goedvindt, die alles verdraagt, ook wel sukkel, domkop, stumper. De vrouwelijke vorm zebedeezeke zal zoiets als 'sulleke' betekenen. Het is weinig vriendelijk Onze Lieve Vrouw, de Moeder Gods, Koningin van hemel en aarde, te vergelijken met een 'sulleke', al zegt de eerwaarde schrijver dan, dat zij dat niet is. Echter, zo'n vergelijking maakt men doodeenvoudig niet.
6. Inderdaad schrok Maria, toen zij van de Engel Gabriël te horen kreeg, dat zij 'vol van genade' was. In Lucas 1,29 leest men daarover: � Zij verschrok van dit woord, en vroeg zich af, wat die groet kon beduiden. � Zij wist natuurlijk al wel, dat zij zonder persoonlijke zonden was, maar dat men dat kon uitdrukken als 'vol van genade' was klaarblijkelijk nieuw voor haar.
7. En verderop in Lucas 1,34 staat over het te verwachten moederschap: � ... Hoe kan dit geschieden, daar ik geen man beken ? � De schrik van Maria werd duidelijk veroorzaakt door het niet begrijpen van wat gezegd werd door de Engel, door het niet inzien hoe dit moederschap mogelijk zou kunnen zijn. Want Maria had een gelofte van altijddurende maagdelijkheid afgelegd. En bij de voorafgaande verloving met Sint Jozef was deze - die zelf ook maagdelijk wenste te leven - hiermede accoord gegaan, terwijl volgens de Joodse wet de man recht had op de huwelijksgemeenschap met zijn vrouw.
8. Maria's schrik en haar niet begrijpen werden dan ook slechts ingegeven door de algemeen menselijke ervaring, dat een kind ontvangen zonder medewerking van een man niet mogelijk was. Voor haar zou deze medewerking echter in strijd zijn geweest met haar gelofte van maagdelijkheid, die tevoren door God was aanvaard. Hier was dus een tegenstelling, die zij met haar kennis op dat ogenblik niet kon overbruggen. Vervolgens legt de Engel Gabriël haar uit hoe dit dan wel zou kunnen gebeuren (zie toch bij Lucas 1,35-38) en eindigt met: � ... want niets is onmogelijk bij God. � Nu is Maria gerustgesteld, en geeft haar FIAT.
9. Al zal zij niet alles, wat zou gaan geschieden, direct geheel hebben begrepen, en al kon zij moeilijk de toekomstige gebeurtenissen allemaal voorzien, zij had voldoende uitleg gekregen en voldoende inzicht verworven om verantwoord te kunnen toestemmen. God toont altijd een buitengewoon respect voor de menselijke vrije wil, en wenst altijd de vrije toestemming van de mens, die gegeven moet worden met volle verstand en met vrije wil, en daarvoor is altijd een zekere minimale kennis nodig. Zo ook in het geval van Maria.
10. De bedoelde schrik en het eerstaanwezige onbegrip hadden absoluut niets te maken met innerlijk en geestelijk verzet tegen de goddelijke mededeling, dat is tegen de wil van God, zoals de eerwaarde heer Robbrecht zegt (en impliceert). En dat zij 'met Hem vocht' - zoals Pater Robbrecht schrijft - is een pertinente leugen. En dat zij pas 'door de knieën ging' - wat een denigrerende en banale uitdrukking in dit verband ! - nadat zij door God 'was geraakt' is eveneens fout.
11. Want Maria was zonder de erfzonde en zonder de gevolgen van de erfzonde. En zij kon daardoor geen enkele persoonlijke zonde doen, zelfs niet de allerkleinste. Zij bezat de volheid van het goddelijk leven - van de heiligmakende genade - vanaf haar conceptie, wat uitgedrukt wordt in de formule 'vol van genade'. Verzet tegen God, dat betekent zich tegen God's wil verzetten, was haar geheel onmogelijk. Want haar wil was één met God's wil. En 'geraakt worden' - door de genade - en zich dan tot God (be)keren, zoals wij wel zeggen van zondaars, is een geheel foutieve zegswijze als het over Maria gaat. Want zij bezat al die genade altijd al, anders kon zij niet 'vol van genade' zijn.
12. Nu is het vaststaande geloofsleer, dat alle kinderen van Adam de erfzonde met zich mede dragen. In beginsel hoort Maria daar ook bij. De erfzonde of de erfschuld behoort tot de menselijke natuur, zoals wij die kennen. De gevolgen van de erfzonde zijn vierledig:
13. Maria was óók een afstammelinge van Adam, dus droeg óók zij in beginsel iets van de gevolgen van de erfschuld mede. Maar God maakte voor persoonlijke zonden en voor pijnen gepaard gaande met ziekte en dood een uitzondering: Maria kende die niet. God maakte geen uitzondering voor het lijden en het ver-driet: Maria kende die ook. Zij wordt niet voor niets de Moeder van Smarten genoemd. Theologisch drukt men dit alles uit door te spreken van de Onbevlekte Ontvangenis, wat wil zeggen, dat zij, bij haar eigen conceptie in de schoot van haar moeder, de Heilige Anna, voor de erfzonde en voor de gevolgen daarvan werd gevrijwaard.
14. Pater Robbrecht is er geheel naast, als hij zegt, dat wij allen Onbevlekt Ontvangen zijn, omdat wij allen geschapen zijn naar Gods beeld en gelijkenis. En hij is echt aan het fantaseren, als hij zegt, dat Maria model staat voor wat ons allen te wachten staat, nl. de verrijzenis en de hemelse glorie.
15. Want deze woorden van de eerwaarde Pater impliceren, dat alle mensen, omdat zij beeld van God zijn, geen zonden doen, of toch minstens slechts vergeeflijke zonden kennen, en dus automatisch - en wel alleen op grond van hun menszijn - de hemelse glorie zullen krijgen, die ook Maria heeft gekregen. Dit is de meest baarlijke onzin, die er bestaat !
16. Want de Pater 'vergeet' dan maar eventjes, dat wij allen verlossing nodig hebben, wij allen, Maria inbegrepen. Het is zeker, dat zonder de verdiensten van Christus geen mens zou zijn verlost. Het is eveneens zeker, dat Maria is verlost, al geschiedde dat 'intúitu meritórum Christi', dat is 'door het uitzicht op de verdiensten van Christus', die Hij immers pas later in de tijd op het kruis verwierf. De bekende theoloog Pater Tromp noemt Maria dan ook præredémpta, dat is vóórverlost.
17. Haar Onbevlekt Ontvangen zijn houdt daarom, practisch gezien, tevens in, dat zij niet meer verlost behoefde te worden, zoals wij allen, nadat zij in de schoot van haar moeder Anna was ontvangen. Omdat zij de heiligmakende genade altijd in alle volheid bezat, en dus de noodzaak van verlossing op grond van God's rechtvaardig oordeel altijd erkende, kon zij ten hemel worden opgenomen met ziel en lichaam. Maar wij kunnen slechts naar de hemel gaan, naar de hemelse glorie, als en nádat wij, elk persoonlijk, dat is ieder voor zich, bij onze dood en bij ons persoonlijk oordeel, de verlossing door de kruisdood en de daaropvolgende verrijzenis van Jezus Christus zullen hebben erkend, èn als wij de rol van de Sacramenten van de katholieke Kerk, met name het Heilig Doopsel, zullen hebben erkend (extra Ecclésiam nulla salus, dat is: buiten de Kerk is er geen heil), èn als wij spijt hebben over onze zonden en boete daarvoor willen doen.
18. Al is Jezus inderdaad voor alle mensen gestorven, en heeft Hij daardoor in beginsel voor allen de hemel geopend, dit houdt niet in, dat allen daar ook terecht zullen komen, en allerminst slechts op grond van het blote menszijn, zoals Pater Robbrecht suggereert. Elk van ons moet, door onze persoonlijke instemming met de noodzaak van verlossing door Christus Jezus, de weg voor onszelf naar de hemel vrij maken. Deze instemming houdt in: besef van eigen zondigheid, berouw over onze zonden, de bereidheid tot het doen van boete, de wil niet meer te zondigen, en aanvaarding van de genademiddelen van de katholieke Kerk. En als wij sterven en geoordeeld worden en wij hebben nog straffen tegoed van eerder gedane zonden, dan moeten wij deze uitboeten in het vagevuur, alvorens wij de hemel kunnen binnengaan. Oók dat wordt door Pater Robbrecht vergeten.
19. Al is het waar, dat wij allen zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, de zondeval van Adam en Eva heeft ons de erfzonde of erfschuld gebracht, waardoor wij niet meer een getrouw beeld zijn van God, en waardoor wij persoonlijk lijden en zonde en de dood hebben leren kennen, omdat de gelijkenis met God is verstoord: Wij missen bij onze geboorte de heiligmakende genade, het deelhebben aan het goddelijk leven.
20. Door het Heilig Doopsel wordt ons dit goddelijk leven weer geschonken. Door onze zware zonden wordt ons dit goddelijk leven weer ontnomen. Hebben wij berouw, biechten wij, doen wij boete, en beteren wij ons, streven wij een geheel leven naar het goede, en verafschuwen wij voortdurend het kwade, dan blijft de heiligmakende genade in ons. Sterven wij in die toestand, dan, ja, dan, wacht ons dezelfde heerlijkheid, die Maria bezit (op het verrezen lichaam na, wat pas veel later ons deel zal zijn). En zelfs als wij een klein omweggeske moeten maken langs het vagevuur, om daar nog straffen uit te boeten, dan wacht ons nadien toch de Mariale heerlijkheid (in het algemeen voorlopig nog zonder verheerlijkt lichaam).
21. Keren wij ons echter gedurende ons ganse leven af van het goede, stapelen wij zonde op zonde, en berouwen wij ons niet op het moment van onze dood, dan gaan wij niet naar de hemel, maar naar de hel. Ook dat wordt door de eerwaarde Pater Robbrecht maar liefst vergeten.
22. Het is verder waar, dat wij allen zullen verrijzen. Maar Pater Robbrecht doet het voorkomen, alsof wij allen zullen verrijzen in heerlijkheid zoals de Heilige Maria, omdat wij allen beeld en gelijkenis van God zijn. Dit is echter geenszins het geval. Want, dit is valse leer. Degenen, die in de hemel zijn, zullen inderdaad in alle heerlijkheid verrijzen. Degenen, die in de hel zijn, zullen echter verrijzen als levende en stinkende en afschuwwekkende lijken.
23. Pater Robbrecht deelt mede, dat hij geschoold is in bijbelwetenschap en moderne theologie. Wij weten niet, hoe oud de Pater is, maar wij moeten, op grond van zijn onkatholieke uitspraken in het bedoelde artikel (waarvan maar een deel hier is besproken), helaas wel vaststellen, dat zijn scholing erg modern is geweest, en flinke manco's vertoont, als men als maatstaf de vaststaande katholieke geloofsleer aanhoudt.
24. En wat te denken van de geloofskennis van de redactie van Kerk en Leven, die dit alles maar weer publiceert alsof het de geopenbaarde waarheid is. Nu dat laatste is het zeker niet. Wanneer zullen de bisschoppen toch eens hun verantwoordelijkheid opnemen en een einde maken aan de voortgaande geloofsafbraak door officiële organen van de kerkprovincie ?
Jan A. A. van der Wulp