1. De katholieke Kerk, en zij alleen, heeft echtscheiding altijd afgekeurd. Nooit kan de Kerk een sacramenteel gesloten en lichamelijk voltooid huwelijk ontbinden. Slechts God zelf kan dit doen, maar Hij doet dit hoogst zelden. Er is één vermoedelijk geval van bekend uit het Oude Testament (de profeet Hosea), en één geval uit de tijd van het Nieuwe Testament (de profeet Little Pebble). Dit staat in sterke tegenstelling tot de praktijk van de hedendaagse, vrijwel geheel ontkerstende, en geseculariseerde wereld, waarin burgelijke rechters aan de lopende band echtscheidingen uitspreken.
2. In het huidige wetboek van canoniek recht (1983) wordt dit zeer duidelijk verwoord (canon 1141): � Een huwelijk, dat aangegaan en voltrokken is, kan door geen enkele menselijke macht en door geen enkele oorzaak, behalve de dood, ontbonden worden. � Men bedenke, dat dit wetboek geldt voor de katholieke Kerk en dat er sprake is van het huwelijk tussen twee (geldig) gedoopten, hetwelk onder de rechtsmacht van de Kerk valt. Dit geldt ook voor protestanten, die geldig zijn gedoopt.
3. Opdat echter de huwelijksband werkelijk tot stand zou komen, anders gezegd: opdat het huwelijk geldig zou zijn, moet aan verscheidene voorwaarden voldaan worden. En er zijn kerkelijke voorschriften betreffende de vorm van de huwelijkssluiting. Volgens canon 1108 van het kerkelijk wetboek zijn alleen die huwelijken geldig, die gesloten worden ten overstaan van de bevoegde priester, gewoonlijk de pastoor van een der partijen, of een gedelegeerde priester.
4. En er zijn voorschriften betreffende de gesteldheid van partijen. Men moet bekwaam zijn om te huwen. Mentaal gehandicapten, bijvoorbeeld, zijn niet bekwaam. Nu is dit vooraf niet altijd bekend. Als dit vooraf bekend is, dan kan dat huwelijk niet gesloten worden. Maar dit is niet altijd het geval. Een verkeerde gesteldheid of een onbekwaamheid, kan pas nà de huwelijkssluiting aan het licht komen.
5. Dan kan men de kerkelijke rechter de zaak voorleggen. Deze kan op verzoek van een, of van beide, partijen de zaak onderzoeken en officiëel vaststellen, dat er geen huwelijk is en dat er nooit een huwelijk is geweest. Dit noemt men nietigverklaring, niet te verwarren met (de onmogelijke) echtscheiding.
6. Trouwen voor de Kerk is geen kinderspel. Er worden strenge voorwaarden opgelegd om geldig te kunnen huwen. Het Kerkelijk Wetboek vermeldt dat er onbekwaamheid tot het sluiten van een huwelijk is, als men niet beschikt over voldoende verstand, als men lijdt aan een ernstig gebrek aan oordeelsvermogen betreffende de rechten en plichten van het huwelijk, en als men wegens psychische redenen de wezenlijke (essentiële) verplichtingen van het huwelijk niet op zich kan nemen.
7. De wezenlijke rechten en plichten, die hier bedoeld worden, zijn de rechten en plichten zoals de Kerk die ziet, maar wat 'wezenlijk' is, is niet altijd duidelijk. In beginsel moet, vóórdat het huwelijk wordt gesloten, worden nagegaan of er mogelijk sprake is van onbekwaamheid. Het is altijd de taak van de pastoor/priester, voor wie het huwelijk zal worden gesloten, om goed te onderzoeken tijdens enkele huwelijksvoorbereidingsgesprekken of ongeldig makende redenen of inzichten bij partijen bestaan.
8. Gebrek aan verstand is er bij debiele en imbeciele personen. Dit is gewoonlijk vooraf gemakkelijk vast te stellen. Maar er zijn grensgevallen, bijvoorbeeld van mensen, die niet de basisschool hebben kunnen afmaken, maar zich toch, middels eenvoudig werk, goed in de maatschappij kunnen handhaven. In de wat beschermde en rustige leefomgeving van een dorp, in de nabijheid van familie, kunnen zij wellicht de gestelde voorwaarden wel vervullen.
9. Gebrek aan oordeelsvermogen is er bijvoorbeeld als een man niet inziet dat hij geen andere sexuele partners mag hebben naast zijn toekomstige echtgenote, en als hij van plan is om regelmatig 'vreemd te gaan' na de huwelijkssluiting. Of als een man en een vrouw van te voren weten, en dit misschien ook afspreken, dat men niet trouw wil blijven en aan partnerruil wil doen. In dergelijke gevallen kan men niet geldig kerkelijk trouwen.
10. Het is soms moeilijk om dit gebrek aan oordeelsvermogen van te voren vast te stellen, vooral als een der partijen dergelijke meningen vooraf verzwijgt voor de ander, en zij later aan het licht komen. Een zeer grondige huwelijksvoorbereiding door de priester kan uitsluitsel geven. Maar als men zwijgt tegenover de priester, of zich mooi voordoet, is het altijd mogelijk, dat dit verborgen blijft tot kortere of langere tijd na de huwelijkssluiting.
11. Als men om psychische redenen de essentiële (wezenlijke) verplichtingen van het huwelijk niet op zich kan nemen, kan men evenmin geldig huwen. Ernstige geestelijke stoornissen, zoals depressies, manisch-depressieve psychosen, verschillende neurosen en ook verslavingen (aan alcohol of verdovende middelen, dat zijn drugs) zijn altijd onbekwaam makend. Echter psychisch ziek betekent niet (alleen), dat men in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, of een langdurige psychiatrische behandeling ondergaat.
12. Psychische redenen zijn ook aanwezig als iemand afwijkend sexueel gedrag vertoont, zoals homosexualiteit bij mannen en lesbisch gedrag bij vrouwen, of frigiditeit, dat is een ziekelijke afkeer van sexuele zaken, en allerlei andere vormen, zoals bijvoorbeeld travestie, dat is het zich willen kleden als iemand van het andere geslacht. Iemand, die duidelijke homosexualiteit bij zichzelf constateert, gauw trouwt met de gedachte 'het zal in het huwelijk wel overgaan', is niet geldig getrouwd.
13. Een psychische reden is bijvoorbeeld ook aanwezig als een der partijen (gewoonlijk de man) veelvuldig woede-aanvallen met geweldpleging vertoont. Met zo iemand is een normale samenleving in gezinsverband immers niet mogelijk. Psychische redenen zijn, als zij ernstig zijn, gewoonlijk wel vooraf vast te stellen. Maar minder ernstige en grensgevallen slippen nog wel eens door de mazen van het voorhuwelijkse onderzoek heen. Het is niet altijd gemakkelijk of mogelijk voor de gemiddelde pastoor of priester, niet-psychiater-specialist in deze zaken zijnde, om deze soort ongeldig makende beletselen van te voren vast te stellen.
14. Indien partijen (toch) getrouwd zijn, dat is indien de huwelijkssluiting voor de pastoor heeft plaats gehad, en na enige tijd blijkt in de huwelijkspraktijk, dat er (toch) sprake is van een van de boven-genoemde gevallen, dan kan de nietigheid van het kerkelijk huwelijk worden vastgesteld. Wel moet daarvoor altijd deugdelijk bewezen worden, dat de onbekwaamheid bestond ten tijde van de huwelijkssluiting. Gewoonlijk is dit bewijs gemakkelijker te leveren, als er sedert de huwelijksluiting nog niet veel tijd is verstreken.
15. Een verloofd man weet bijvoorbeeld voor het huwelijk geheim te houden, dat hij practiserend homosexueel is. Bij het voorafgaand huwelijksonderzoek door de pastoor wordt dit niet ontdekt. Enige maanden na de huwelijkssluiting ontdekt de vrouw de ware feiten. Zij vraagt een nietigverklaring van het huwelijk aan. Nu moet bewezen worden, dat de man al ten tijde van de huwelijkssluiting homosexueel was. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit getuigenverklaringen van bezoek aan café of massagesalon, of door een verklaring van een behandelend sexuoloog. Is het bewijs geleverd, dan wordt het huwe-lijk nietig verklaard en kan de vrouw kerkelijk huwen met iemand anders.
16. Maar let op: Alleen het bezit van de geneigdheid tot hetzelfde geslacht is niet voldoende voor de nietigverklaring van het huwelijk. Eén enkele misstap in dit opzicht, bijvoorbeeld als proef genomen vóór het huwelijk, is ook niet voldoende. De man moet inderdaad vóór het huwelijk bewijsbaar en regelmatig tot homosexuele handelingen en daden zijn overgegaan.
17. Wezenlijk bij het tot stand komen van het huwelijk is het wederzijds ja-woord. Dit is de duidelijke uitgesproken wilsinstemming van de partijen (consénsus). Het nieuwe Kerkelijk Wetboek zegt (zie canon 1057,1): � Het huwelijk komt tot stand door de wilsinstemming van de partijen, die door rechtens daartoe bekwame personen wettig geuit wordt. �
18. Rechtens bekwame personen slaat bijvoorbeeld op de leeftijd. Iemand, die te jong is, is niet rechtens bekwaam. En priesters zijn dat niet, daar voor hen de celibaatsverplichting geldt. En iemand, die al gehuwd is, is niet rechtens bekwaam. In dergelijke gevallen is huwen ongeoorloofd, en is het huwelijk niet geldig. Ook lichamelijke afwijkingen kunnen iemand onbekwaam maken voor het huwelijk, bijvoorbeeld als men tot de huwelijksgemeenschap niet in staat is door afwijkingen aan de genitaliën (geslachtsorganen).
19. De codex zegt in canon 1096,1, dat een huwelijksconsensus niet kan bestaan, indien de huwenden � onwetend zijn aangaande het feit, dat het huwelijk een blijvende gemeenschap is tussen één man en één vrouw, gericht op het verwekken van kinderen door enige sexuele samenwerking. �
20. De hoofdzaken van de lichamelijke vereniging moeten bekend zijn bij de partijen, wil er van 'enige sexuele samenwerking' sprake kunnen zijn. Echter allerlei details betreffende het bevorderen en beleven van het liefdesspel, hoeven niet bekend te zijn. Soms kan sexuele onwetendheid het huwelijk ongeldig maken. Het kwam in vroegere tijden bijvoorbeeld wel voor, dat zeer beschermd opgevoede meisjes op de dag van het huwelijk niet wisten wat sexuele gemeenschap inhield en dat zij meenden zwanger te zullen worden van een gewone kus van de echtgenoot.
21. Maar, als - in gevallen van sexuele onwetendheid - de beide partijen de eerste tijd van het huwelijk met de nodige liefde, tederheid, tact en voorzichtigheid optreden, wordt de onwetendheid langzamerhand opgeheven, en volgt gewoonlijk, en in het normale geval, latere instemming met de geslachtelijke handelingen.
22. Het kan gebeuren, dat die essentiële huwelijksconsensus ontbreekt. Dat de 'wilsinstemming' niet, of niet 'door rechtens bekwame personen' werd geuit. Daarvoor bestaan vele oorzaken. Zware dwang, uitgeoefend bijvoorbeeld door de familie, kan de vrije wilsinstemming verhinderen. Trouwen alleen maar uit eerbied of angst voor een bepaalde persoon, maakt het huwelijk nietig.
23. Er is ook ongeldigheid, als men het eigenlijke huwelijk met die partij niet echt wil, maar het gebruikt voor een ander doel. Men doet dit bijvoorbeeld om een bepaalde nationaliteit te verkrijgen. Dit komt voor in landen, waar de kerkelijke huwelijkssluiting ook voor het burgelijke recht geldt. Vluchtelingen willen zo op gemakkelijke wijze en snel de gunstigere nationaliteit verwerven.
24. Een wat overdreven aandoend voorbeeld is het volgende: Een jonge man, die een rijke en oudere vrouw uitsluitend trouwt om voor de rest van zijn leven niet meer te hoeven werken en op haar kosten een vrolijk leventje te kunnen leiden, zoekt niet het christelijk huwelijk met die vrouw, maar een bron van inkomsten, en is daarom niet geldig getrouwd.
25. Maar het is vaak niet gemakkelijk in dit soort gevallen een sluitend bewijs van de enige verkeerde bedoeling te leveren. Gewoonlijk ligt het in dit soort gevallen niet altijd zo duidelijk en is de goede bedoeling meestal niet geheel afwezig, en kan men eerder spreken van onzuivere en gemengde bedoelingen.
26. Tot het 'uit vrije wil' aangaan van een kerkelijk huwelijk hoort ook, dat men dit huwelijk volledig wil. Men mag niet bepaalde wezenlijke kenmerken van te voren uitsluiten. Tot die wezenlijke kenmerken behoren in ieder geval: de eenheid, de onontbindbaarheid, de trouw, en het recht op geslachtsgemeenschap. Wanneer iemand door een positieve wilsacte, dat is een duidelijk uitgesproken en bij de andere partij, of derden, bekend inzicht, vóór de huwelijkssluiting één of meerdere van deze elementen heeft uitgesloten, of een voorbehoud heeft gemaakt, kan niet geldig kerkelijk worden gehuwd.
27. De pastoors moeten in de huwelijksgesprekken nagaan of er van dergelijke voorbehouden sprake is. Moeilijkheden komen er gewoonlijk later als één van de partijen zijn inzichten voor de andere partij (en voor de pastoor) verzwegen heeft, maar bijvoorbeeld wel aan vrienden of eigen familie bekend maakte. Dan hangt alles af van de getuigenverklaringen.
28. Bijvoorbeeld, als men van te voren tegen iedereen zegt in het geheel geen kinderen te willen. Of als men niet van plan is zich aan de huwelijkstrouw te houden en zegt regelmatig 'vreemd te willen gaan'. Of als men van te voren tegen vrienden zegt, dat men wel gaat scheiden als men genoeg van elkaar zou krijgen. Of als de ene partij tevoren tegen de andere zegt, dat gemeenschap maar één beperkt aantal keren per maand, mag voorkomen, en niet meer. In al dit soort gevallen kan het huwelijk niet waarlijk tot stand komen, ook al wordt het voor de pastoor gesloten.
29. In deze gevallen is nietigverklaring mogelijk, mits het degelijke bewijs van het vooraf gemaakte voorbehoud onbetwistbaar te leveren is. Dat zal slechts het geval zijn, als dit voorbehoud of deze uitsluiting 'conditio sine qua non' is, dat wil zeggen, dat men slechts onder die voorwaarde de stap zal zetten en anders niet. In veel gevallen ligt het echter niet zo scherp, en worden dergelijke uitspraken met veel bravour, of in een opwelling gedaan, of als stoere taal gedaan, maar niet als een absoluut voorbehoud bedoeld, zodat er van nietigverklaring niets kan komen.
30. Zo was er bijvoorbeeld de vrouw, die tegen haar vriendinnen vertelde, dat 'zij ging trouwen, en haar man wel kort zou houden, één keer per maand was genoeg'. De echtgenoot wist hier niets van, maar ontdekte de werkelijkheid al spoedig. Hij vroeg nietigverklaring aan. Die werd uitgesproken, daar de betreffende vriendinnen konden getuigen, en dit ook deden, dat dit stellige voorbehoud bij de vrouw al bestond vóór de huwelijkssluiting.
31. In een ander geval liet een pasgetrouwde man, op de huwelijksreis nog wel, zijn vrouw achter in het hotel om in een nabijgelegen discotheek met andere vrouwen aan te pappen. In dit geval was het duidelijk niet de wil van de man de eenheid van het huwelijk en de bijbehorende trouw te respecteren. Ook hier kon worden aangetoond, dat 's-mans opvatting al bestond vóór de huwelijkssluiting, en door zijn toenmalig gedrag werd bevestigd, en werd de nietigheid vastgesteld.
32. Toch leidt de toepassing van deze rechtsregel in de praktijk ook wel eens tot verkapte echtscheidingen. Dit zal namelijk zo zijn, als de kerkelijke rechters (te) welwillend staan tegenover het voorkomen van allerlei voorbehouden en het vooraf uitsluiten van wezenlijke kenmerken. Immers rechtskundig is er een (te) grote marge, daar het wetboek niet (al te) duidelijk is en er talloze subjectieve interpretaties van de regels door de individuele rechters mogelijk zijn. Rechtsonge-lijkheid en rechtswillekeur zijn dan ook nog al eens het gevolg.
33. Al met al is het dus mogelijk, dat er een huwelijksviering in de Kerk is geweest voor de pastoor/priester, gevolgd door een of meerdere huwelijksnachten met sexuele gemeenschap, terwijl er toch geen geldige huwelijksconsensus was en er dus geen huwelijk is. Het is zelfs mogelijk, dat er al een of meer kinderen zijn geboren in dit niet-bestaande huwelijk. Het kan best even duren, voordat een of beide partijen zich van de ongeldigheid bewust worden. In veel gevallen is één van de partijen de dupe van de gebrekkige wil, of de verkeerde inzichten, of de slechte leefwijze, van de andere partij. Als dit blijkt, kan nietigverklaring worden gevraagd.
34. Bijvoorbeeld: Een niet meer zo jonge vrouw, die jarenlang een beschermd leven had geleid en daarna plotseling alleen was komen te staan, trouwde met een zich charmant voordoende man en raakte spoedig in verwachting. Maar nog tijdens de zwangerschap ontdekte zij, dat de man een alcoholist was met homosexuele neigingen. Zij vroeg nietigverklaring, niet, dan na geruime tijd te hebben geprobeerd de samenleving op ordelijke wijze voort te zetten. De nietigverklaring kon worden uitgesproken, daar het bewijs van het bestaan van de alcoholverslaving vóór het huwelijk geleverd kon worden. Het kind, een dochter, werd daarna door haar zelf opgevoed.
35. De persoon, die de nietigverklaring vraagt, moet een verzoekschrift richten aan de voorzitter van de kerkelijke rechtbank in zijn bisdom. Het verzoekschrift moet de grond vermelden waarop men de nietigverklaring verzoekt. De bevoegde kerkelijke instantie, is gewoonlijk de kerkelijke rechtbank van het bisdom, waar partijen wonen. Deze zal op verzoek van een, of van beide, partijen de zaak onderzoeken.
36. De beide huwelijkspartners worden altijd afzonderlijk ondervraagd, nooit in confrontatie met elkaar. Personen, die als getuigen zijn opgegeven, worden ondervraagd. Gewoonlijk zijn dit er ten minste drie of vier. Dit kunnen zijn ouders, familieleden, vrienden, artsen, therapeuten, psychiaters, e.d. Medische en psychologische verklaringen zijn meestal van groot belang.
37. Uiteindelijk wordt het dossier door drie kerkelijke rechters beoordeeld. Zij nemen een besluit over de geldigheid of ongeldigheid. Dan kan officiëel worden vastgesteld, dat er geen huwelijk is en dat er nooit een huwelijk is geweest. Dit is de nietigverklaring. Elke zaak wordt ook nog (als een soort controle) aan een rechtbank van een ander bisdom voorgelegd. Hoger beroep is mogelijk bij een andere rechtbank van dezelfde kerkprovincie, en in sommige gevallen zelfs bij een kerkelijke rechtbank te Rome. De gehele procedure neemt gewoonlijk ongeveer één jaar in beslag. De er aan verbonden kosten zijn laag. Is de uitspraak definitief, dan wordt de nietigheid inge-schreven in de huwelijks- en doopregisters en kunnen de partijen opnieuw een kerkelijk huwelijk sluiten.
38. In het nieuwe kerkelijk wetboek van 1983 is een nieuw artikel opgenomen. Dat was er niet in het oude wetboek van 1917. Dit artikel zegt, dat de huwelijkssluiting ongeldig is, wanneer een van de beide partijen, zo niet beide, er de 'wezenlijke verplichtingen' en 'wezenlijke rechten' niet van kennen (canon 1095,2). Wat echter wezenlijke verplichtingen en rechten zijn, wordt niet bepaald. Zodoende is de canon onderhevig aan de vrije verklaring van kerkelijke rechters, juristen en, niet te vergeten, psychologen.
39. Het bewuste artikel 1095 luidt volledig:
� Onbekwaam tot het sluiten van een huwelijk zijn:
40. Het zijn vooral de psychologische factoren, welke in de codex van 1983 nieuw werden ingevoerd (canon 1095,3), die in veel gevallen worden aangevoerd, dan worden onderzocht, moeilijk zijn vast te stellen en tot welwillende (lees: verkeerde) interpretatie aanleiding geven. Hiervan is misbruik gemaakt en duizenden (zeker geldige) huwelijken zijn 'ongeldig' verklaard. In sommige (Nederlandse) bisdommen is zo de echtscheiding langs een achterdeur ingevoerd.
41. Wat voor 'wezenlijk' in het huwelijk wordt gehouden, hangt immers geheel af van wat men meent dat een huwelijk is. Is het slechts een soort liefdesband gebaseerd op gevoelens en aantrekkingskracht ? Zo ja, dan houdt, in voorkomend geval, met de 'liefde' ook het huwelijk op. Zijn de niet altijd te voorziene moeilijkheden, die zich in elk huwelijk kunnen voordoen, in strijd met de kennis van het 'wezen' ervan ? Zo ja, dan kan men scheiden, als die moeilijkheden zich voordoen. En zo kan men verder gaan. De bedoelde canon van het kerkelijk wetboek behoefde dan ook dringend nadere precisering door het kerkelijk leergezag om dergelijk misbruik te voorkomen. Die verduidelijking en uitleg zijn er later wel (gedeeltelijk) gekomen.
42. Paus Johannes-Paulus II behandelde het probleem van de psychologische oorzaken van ongeldige huwelijken in zijn opgemerkte toespraak tot de Romeinse kerkelijke rechtbank, de Rota Romána, gehouden op 5 februari 1987. Sommige psychologen vertrekken van een onjuiste opvatting van de mens. Zij gaan uit van de stelling, dat het leven van de mens volledig bepaald wordt door zijn neigingen en driften, die hij noodzakelijk volgt. Zij loochenen daarmede in feite de wilsvrijheid en de persoonlijke verantwoordelijkheid. Alle daden, ook de misdaden, worden dan toegeschreven aan 'onweerstaanbare drang'. Het is het pessimisme ten top. De Paus veroordeelt dit.
43. Andere psychologen vallen in het andere uiterste, het overdreven optimisme. Zij beweren, dat de mens in zichzelf alle krachten vindt om zijn doel te bereiken. Zij zien in het huwelijk niets anders dan een middel tot zelfrealisatie. Of een heilmiddel voor een gestoord gevoelsleven. Volgens deze psychologen wordt iedere moeilijkheid in het huwelijksleven, iedere hindernis, die een opoffering of verzaking vraagt, en vooral iedere feitelijke mislukking, gemakkelijk een bevestiging van de onmogelijkheid om het huwelijk juist te beleven. Ook dergelijke opvattingen worden door onze Heilige Vader de Paus radicaal afgewezen.
44. Mogelijk is ook, dat zij - de gehuwden - de begrensdheid en de moeilijkheden van het huwelijksleven niet hebben aanvaard wegens onbewuste remmingem of lichte afwijkingen, die de menselijke vrijheid van handelen niet wezenlijk aantasten, OF wegens morele misstappen. Welnu, de Heilige Vader Johannes-Paulus II gaat verder niet op deze morele fouten in, maar het is wel zeker, dat deze laatste in veel gevallen een grote rol spelen. Een zondig leven leidt immers gewoonlijk niet tot de bereidheid offers te brengen om het huwelijk te 'redden'. In veel meer gevallen dan men graag aanneemt, speelt het voortdurend in een toestand van zonde verkeren de grootste rol bij het 'mislukken' van het huwelijk.
45. Als stelregel moet gelden, volgens de Heilige Vader Johannes-Paulus II, dat alleen de werkelijke onbekwaamheid, en niet de moeilijkheid, om tot de consénsus te komen, het huwelijk ongeldig maakt. Men kan slechts speken van een ware onbekwaamheid, wanneer er een ernstige abnormaliteit aanwezig is, die wezenlijk de bekwaamheid tot oordelen of tot willen aantast van degene, die zich verbindt.
46. Overigens is de mislukking van het huwelijksleven op zichzelf geen bewijs, dat de gehuwden onbekwaam zijn. Het is immers mogelijk, dat zij hebben nagelaten alle mogelijke natuurlijke èn bovennatuurlijke middelen te gebruiken om het huwelijk te redden. Hebben zij artsen, psychiaters, sexuologen en hulpdiensten geraadpleegd ? Gaan zij regelmatig naar de kerk ? Bidden zij samen als echtpaar en in het gezin ? Maken zij voldoende gebruik van de genademiddelen van de Kerk, zoals de Biecht en de Communie ?
47. Psychologen zijn er wel eens toe geneigd, voor wat betreft het huwelijk, (slechts) als normaal te beschouwen, diegenen, die in staat zijn in het huwelijksleven de volle ontplooiing van een harmonisch samenzijn tot stand te brengen. Zij menen dan dat iedere vorm van psycho-pathologie, dat is ziekelijke afwijking in het gevoelsleven, abnormaal is. Maar voor de Kerk, zo zegt Paus Johannes-Paulus II, is ook diegene normaal, die onderhevig is aan bepaalde storingen en lijdt onder zekere geestelijke moeilijkheden.
48. Want, zegt de Heilige Vader Johannes-Paulus II, als men dit niet aanvaardt, dan wordt � op theoretisch vlak het normaal-zijn een mythe, en op practisch vlak heeft dit tot gevolg, dat de meerderheid van de mensen onbekwaam zou zijn tot een geldige huwelijksconsensus. � Inderdaad, als men als eis stelt, dat de paren in staat zouden moeten zijn te komen tot 'een gelukt(B) of geslaagd(NL) huwelijk', zoals die psychologen zeggen, dan zou, daar wellicht een grote meerderheid van de huwelijken 'niet-gelukt of niet-geslaagd' is, die grote meerderheid ongeldig zijn. Dat zou in feite het einde van het huwelijk betekenen !!!
49. Volgens Paus Johannes-Paulus II vertrekt de christelijke anthropologie, dat is : de christelijke leer van de mens, van het feit, dat de mens geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis, maar door de zondeval en de eigen zonden is gekwetst, en is verlost in Christus. Zo is dan de mens altijd innerlijk verdeeld tussen "vlees en Geest" (Gal.5,17) en hebben wij voortdurend te strijden, waarbij "de Geest onze zwakheid te hulp komt."
50. Redenerend als degenen, die gemakkelijk tot nietigverklaring besluiten, wordt nl. elke stabiliteit aan het huwelijk ontnomen. Toch is deze, die rechtstreeks voortvloeit uit de onontbindbaarheid, noodzakelijk voor het gezin. Het is mogelijk, dat vader en moeder zich tegenover elkander misdragen, zodat het gezin er onder lijdt. De oplossing is dan niet: scheiden, maar de echtelijke plichten (weer) opnemen, ook al is de (mogelijk op gevoelens steunende) echtelijke liefde bekoeld. En geduld beoefenen. Niet te snel, niet impulsief, handelen. Vaak blijkt na enige tijd, dat men over de problemen heen groeit. De ervaring leert, hoe zwaar kinderen lijden onder de onenigheid, en vooral onder het gescheiden zijn, van de ouders. Men moet alles doen dat te voorkomen.
51. De Kerk heeft van haar Heer de volmacht gekregen om te binden en te ontbinden. Theoretisch zou deze macht zich ook uit kunnen strekken tot het sacramentele huwelijk. Gezien echter de zeer nadrukkelijke uitspraken van Jezus in het Evangelie, herhaald door Sint Paulus, gelet op de duidelijke leringen van de kerkvaders en de Pausen, en gezien de constante leer en praktijk van de Kerk gedurende zo vele eeuwen, is dit onmogeijk. De echtscheiding met een truc langs de achterdeur binnenhalen op zg. psychologische gronden, is niet alleen totaal oneerlijk en huichelachtig, het is in strijd met de goddelijke wet en het verkracht het Sacrament van het Huwelijk en de katholieke leer.
52. Paus Pius XII zei het op 3 october 1941 al: � De kerkelijke rechter mag niet te gemakkelijk de nietigheid van het huwelijk decreteren. � Ook de huidige Paus, Johannes-Paulus II, heeft enkele malen woorden van dezelfde strekking gesproken. Wat overigens 'niet te gemakkelijk' betekent, moet in een concreet geval aan de bevoegde rechter worden over gelaten.
53. Het aantal nietigverklaringen, dat steunt op de psychische onbekwaamheid, is in de zeventiger en tachtiger jaren van de twintigste eeuw in de katholieke Kerk over de gehele wereld zeer groot geweest. Volgens de deskundige theologen-rechtsgeleerden bestaat er verwarring tussen:
54. Volgens sommige hedendaagse psychologen zijn degenen, die niet tot volledige psychische rijpheid komen verre van zeldzaam. Indien men dit als criterium neemt voor het vermogen een geldig huwelijk te kunnen sluiten, dan zou het huwelijk als instelling slechts het voorrecht zijn van enkele uitverkorenen. Een weinig vrolijke en zeer zeker ondemocratische gedachte. En wat psychische rijpheid precies is, daarover zijn de heren psychologen hetzelf niet eens. Het is in feite een practisch onbruikbaar criterium.
55. Het staat echter duidelijk vast, dat alleen de ware onbekwaamheid tot het aanvaarden van de plichten van het huwelijk, dit laatste vanaf het begin ongeldig maakt. Moeilijkheden alleen volstaan daartoe niet. De canonieke, dat is kerkrechterlijke, rijpheid eist slechts een minimum aan goede bedoeling en wil als noodzakelijk voor een geldig huwelijk. Het is te wensen, dat geldige huwelijken ook gelukkig zullen zijn. Echter de kerkelijke huwelijkssluiting heeft niet betrekking op geluk, maar op geldigheid. Voor het geluk moeten de echtelieden zelf zorgen.
56. Op 9 februari 1976 zei de Heilige Vader Paulus VI het als volgt:
� Het is volkomen uitgesloten, dat, wanneer een subjectief element, zoals de echtelijke liefde vooral is, ontbreekt, het huwelijk niet meer zou bestaan als rechtsgeldige werkelijkheid, ontstaan door het wederzijds ja-woord, dat (immers) eens en voor altijd juridisch van kracht blijft. Deze werkelijkheid houd op het rechterlijke gebied stand, onafhankelijk van de liefde, en zij blijft dus ook voortbestaan als de liefde afgestorven is. �
57. � Immers, door elkaar hun vrijwillig ja-woord te geven, doen de echtgenoten niets anders dan binnentreden en zich inschakelen in een objectieve orde, in een instelling, die hen te boven gaat en niet van hen afhankelijk is, noch in haar bestaan, noch in haar wetten. �
58. En nog: � Het huwelijk is niet geschapen door de vrije wil van de mensen; het werd door God ingesteld met eigen wetten, die de echtgenoten gewoonlijk graag erkennen. �
59. Voor onze streken zou men het als volgt kunnen uitdrukken: 'Op de dag van de huwelijksviering huwt men elkaar, omdat men mekaar bemint. Maar vanaf die dag heeft men als plicht mekaar te beminnen, omdat men gehuwd is.'