Natuurwetenschappelijke feiten

Datum: 
Zat, 2008-03-01

Natuurwetenschappelijke feiten

ART08033005 -- PS114 -- Maart 2008

Natuurwetenschappelijke feiten

Theologie -- Evolutie versus Creatie

EVOLUTIE OF CREATIE ?

Natuurwetenschappelijke feiten voor humane wetenschappers, met namevoor filosofen en theologen

INLEIDING

1. Er bestaan twee algemeen aanvaarde modellen - het creatiemodel en hetevolutiemodel - voor de oorsprong van de planeet aarde, de planten en dieren, en demens. Het creatiemodel gaat uit van een externe persoonlijke Schepper-God, die allesheeft geschapen, ongeveer zoals de Bijbel dit in het boek Génesis beschrijft. Dezeexterne oorzaak staat geheel vrij en onafhankelijk van de geschapen dingen, en is deoorzaak van de te constateren organisatie en doelgerichtheid in de natuur.

2. Het evolutiemodel daarentegen wil geen externe oorzaak erkennen, en zoekt hetontstaan en de ontwikkeling te verklaren door zelfwording middels allerlei natuurlijkeprocessen. Het aanvaarden van zelfwording houdt een niet-persoonlijke innerlijkeoorzaak in, en tevens het vooropstellen van zelforganisatie welke een zekeredoelgerichtheid omvat.

3. Er bestaat waarlijk een controverse, daar de aanhangers van elk der beide modellenniets van de verklaringen van het andere model willen weten. De evolutionisten wijzende externe oorzaak af, en de creationisten willlen niets weten van de interne oorzaak.

4. De creationist begint gewoonlijk te zeggen, dat men de externe oorzaak - God - uitde geschapenheid der dingen kan kennen, en dat de kennis van de geschapenheid stamtuit de Oeropenbaring gegeven aan ons aller Vader Adam. Zo redenerende bevindt menzich echter direct op filosofische-theologisch niveau. En juist op dàt niveau wijst deevolutionist de argumentatie af, en plaatst de zelfwording tegenover de geschapenheid.Dat resulteert in een patstelling. Een zindelijke discussie is niet mogelijk op ditfilosofisch-theologische vlak.

5. Hoe komt het nu, dat er geen gemeenschappelijke filosofisch-theologische basisschijnt te zijn, waarop - al redenerende - een door beiden te aanvaarden uitspraakmogelijk zou zijn ? Dat hangt samen met de aard van het probleem en de bewijsvoeringin dat type wetenschap. Globaal kan men allereerst onderscheiden de positievewetenschappen - de natuurwetenschappen en de inge-nieurskunsten - waarin debewijsvoering exact is, en verloopt volgens door iedere wetenschapper aanvaardepostulaten (vóóraannamen) en natuurwetten. Is het bewijs eenmaal geleverd, dan zalgeen natuurwetenschapper dit willen, noch kunnen, betwisten.

6. In de humane wetenschappen is er in het algemeen geen gemeenschappelijke basisvan door iedereen aanvaarde postulaten en wetten. Ook de bewijsvoering is veelflexibeler dan bij de positieve wetenschappen. Een 'bewijs' kan altijd weer betwistworden door andere postulaten en andere wetten te kiezen.

7. Gevolg: Wil men duidelijkheid verschaffen over de juistheid van hetoorsprongsmodel, dan moet men proberen uitsluitend aspecten uit denatuurwetenschappen te bespreken, en elke discussie rond aspecten van de humanewetenschappen vermijden. De vraag is nu of dit mogelijk is. Het antwoord daarop is:ja !

8. Immers, beide modellen zijn in werkelijkheid netwerken van deelmodellen, waarbijelk deelmodel eigen is aan een der vele vakgebieden, zoals biologie, fysica(natuurkunde), chemie (scheikunde), cosmologie (ruimtekunde), fysische geografie(natuurkundige aardrijkskunde), waterbouwkunde, demografie (bewonings-leer),archeologie (oudheidkunde), en andere meer natuurwetenschappelijk gerichte vakken,enerzijds, en humane vakken zoals filosofie (wijsbegeerte), theologie (godsdienstleer),linguistiek (ver-gelijkende taalkunde), psychologie, enz., anderzijds.

9. Elk der deelgebieden, welke meespelen in de controverse Evolutie of Creatie ?, moetapart worden onderzocht. De deelmodellen moeten onafhankelijk van elkaar wordengetoetst. In meerdere natuurwetenschappelijke vakgebieden blijkt dat mogelijk te zijn.Zoals gezegd, dat hangt samen met de bewijsvoering.

10. Van belang is verder er nauwkeurig op toe te zien, dat uitspraken uit een zekerwetenschapsgebied niet klakkeloos worden overgedragen naar een ander vakgebied,dan wel vlotjes ten onrechte zouden worden gegeneraliseerd (veralgemeend).Voorbeeld: Het lukt in het biologische labo met kloningstechnieken een nieuwediersoort te scheppen. 'Ah, zie je wel, het lukt dus toch', is de enthousiaste mening vande evolutionist, daarbij vergetend, dat de laboratoriumomstandigheden totaalverschillen van die in de natuur, waardoor dit resultaat geenszins als bewijs voor eennatuurlijk verlopende evolutie, vele tienduizenden jaren geleden, kan dienen.

11. Een waar of juist model is een beeld, een afspiegeling, van de werkelijkheid. Menvervaardigt het model door de werkelijkheid te aanschouwen, te bevragen, en dan eenbeeld daarvan op te stellen. Dat beeld kan min of meer nauwkeurig zijn. Men denkeaan een foto, die wazig kan zijn, of scherp. Ook een maquette is een beeld van dewerkelijkheid, hetwelk meer of minder details kan vertonen. In de loop der tijdprobeert de wetenschapper dat beeld te verfijnen, en het model nauwkeuriger te maken,dat betekent een betere afspiegeling van de werkelijkheid te laten zijn. Het doel is steedsaan de hand van het model voorspellingen mogelijk te maken, die geldig zijn voor dewerkelijkheid. Voorbeeld: Zo zal een ingenieur een model opstellen voor de dikte vande kabels van een personenlift met de bedoeling voor nieuwe liften de nodigekabeldiktes te kunnen berekenen.

12. Men bedenke dat de ingenieurskunsten en de natuurwetenschappen zich bezighouden met waarnemingen, met experimenten, met feiten. Die feiten moetencontroleerbaar zijn, de waarnemingen moeten herhaalbaar zijn. Een model is pasbetrouwbaar, als elke geleerde, waar ook ter wereld, dit model kan testen opbetrouwbaarheid door nieuwe experimenten en verdere testen uit te voeren, waarbijgeen enkele test de resultaten van het model contesteert (tegenspreekt).

13. Daarom moet men zeer duidelijk onderscheiden enerzijds experimental science (deexperimentele natuurwetenschap), welke werkt met veldonderzoek en labo-experimenten, en anderzijds de forensic science (de forensische wetenschap), welkepoogt interpretaties van historische gebeurtenissen te geven aan de hand vantegenwoordige data. Voorbeeld: Men vindt heden het fossiel van een reusachtigedierlijke kop, en concludeert daaruit, dat dit een bewijs is van het bestaan van eenevolutionaire tussensoort, daarbij vergetend, dat het evengoed het fossiel kan zijn vaneen nog niet bekende echte soort.

14. Uitgangspunt: Zogenaamde bewijzen, daterend van meer dan 4.000 tot 6.000 jaargeleden, worden in de experimentele natuurwetenschappen afgewezen, als zijnde niet tecontroleren. Alle beweringen betreffende lange tijden van vele tienduizenden enmeerdere miljoenen jaren worden eveneens afgewezen als zijnde niet te controleren.Niemand was er bij, er zijn geen betrouwbare stille getuigen, er zijn geen eenduidigeartefacten (gebruiksvoorwerpen), er zijn geen geschriften of kleitabletten, nochbouwkundige of archeologische vondsten, waardoor dergelijke hoge leeftijden metzekerheid vast te stellen zijn.

15. Al beweert men, dat er meetmethoden bestaan, geschikt voor dergelijke langetijden, geen van die methoden is betrouwbaar - wat met zekerheid is bewezen -waardoor controle van die beweringen totaal onmogelijk is. In feite is er dikwijls sprakevan loze beweringen, ja, van verzinsels, als het over tijden van miljoenen jaren gaat,omdat geen enkele natuurwetenschapper of ingenieur die berichten kan controlerendoor experimenten of waarnemingen. Gewoonlijk betreft het hier radio-actievedateringsmethoden. Voorbeeld: Lava gestroomd uit vulkanen op de Hawaï-eilandenwerd door de bevolking als maximaal 200 jaar oud aangegeven, terwijl dedateringsmethoden miljoenen jaren aangaven. Natuurwetenschappelijke meetmethodengeven slechts betrouwbare resultaten tot een ouderdom van 5.000 à 6.000 jaar.

16. Men moet beseffen, dat een bruikbaar model in de natuurwetenschappen slechts totstand komt op grond van waarnemingen en experimenten. Zo'n model wordtvoortdurend beproefd. Blijkt in de loop der tijd, dat het model bevestigd wordt,waardoor het bruikbaar wordt voor dagelijks gebruik, om er voorspellingen mee tedoen voor toekomstige situaties, dan, en alleen dan, wordt het model tot een leer. Eenleer is zeker ! Men denke aan de electriciteitsleer, de warmteleer, de sterkteleer. Deevolutieleer is geen leer, want ze is niet zeker.

17. Voor elk (deel)model in de natuurwetenschappen geldt echter, dat één tegenbewijsvoldoende is om het model te moeten verlaten, ook al zijn er talrijke bewijzen vóór.Vaak blijkt men in het evolutieve deelmodel gebruik te maken van forensischewetenschap. Het komt voor dat men dan meerdere 'forensische bewijzen' meent tehebben gevonden voor een evolutieve ontwikkeling. Zodra echter de experimentelewetenschap één tegenbewijs kan voorleggen - en dat komt eveneens voor - zal elke warewetenschapper dat evolutieve deelmodel (moeten) verlaten.

18. Het is juist, dat er rond de controverse Evolutie of Creatie? nog velewetenschappelijke vragen op deelgebieden bestaan. Maar, wat verderop wordtbesproken, staat vast op grond van experimentele natuurwetenschap.

19. De onderstaande tekst werd geschreven omdat vele theologen en filosofen niet goedop de hoogte blijken te zijn van de natuurwetenschappelijke feiten betreffende deevolutietheorie, zoals die in meerdere deelmodellen kunnen worden vastgesteld. In ditartikel wordt dus beperkt tot de natuurwetenschappelijke delen van het netwerk derevolutiemodellen, plus tot enige elementen uit de demografie en de archeologie.

20. Deze tekst is bewust beknopt gehouden. Er wordt met de grootste nadruk opgewezen, dat het onderwerp uitsluitend betreft de vaststaande experimentele feiten vande natuurwetenschappen en de ingenieurskunsten met betrekking tot deevolutietheorie. Er worden - met opzet - geen filosofische, noch theologische,standpunten ingenomen. Immers, het gaat er juist om de tekorten aannatuurwetenschappelijke kennis bij humane wetenschappers, vooral bij theologen enfilosofen, aan te vullen.

21. De uitleg is zo duidelijk en zo eenvoudig mogelijk gehouden, maar het gebruik vanvaktermen kan niet worden vermeden. Het artikel verwoordt denatuurwetenschappelijke uitleg, die aanvaard wordt door elke hedendaagse, oprechteen onafhankelijk denkende, natuurwetenschapper en ingenieur, die zijn vakgebiedenkent.

22. Tot verrassing van vele humane wetenschappers zal blijken, dat dit uitgangspunteen definitief inzicht betreffende het evolutiemodel op zal leveren, zonder dat er ookmaar één postulaat of opvatting (betreffende de oorsprong der dingen) uit de filosofieof de theologie bij de bewijsvoering nodig is. En nu het bewijs.

HET BIOLOGISCH EVOLUTIEMODEL

23. Darwin en de negentiende eeuwse darwinisten en evolutionisten meenden, datbiologische processen van natuurlijke selectie de verandering der soorten planten endieren in hogere vormen konden verklaren. Latere neo-darwinisten meenden, datgenetische mutaties, plus natuurlijke selectie, en nog andere biologische mechanismen,de opstijging der soorten naar hogere vormen konden verklaren. Dit zou dangeschieden onder invloed van toevalsprocessen, chemische processen, kosmischestraling, temperatuur- en drukveranderingen, en andere omgevingsinvloeden, eigen aande natuur. Daarbij zou het toeval een grote rol spelen, en door de lange tijden vanmiljoenen jaren zou de ontwikkeling naar hogere vormen mogelijk zijn.

24. Het is onbetwijfelbaar, dat natuurlijke selectie, mutaties, en andere biologischemechanismen bestaan, en tot veranderingen binnen de biologische grondsoortenkunnen leiden (ook micro-evolutie genoemd). Een biologische grondsoort omvat alleindividuen, die onderling kunnen paren, en vruchtbaar zijn. Voorbeelden: De mens,hond, geit.

25. Het is tegenwoordig even onbetwijfelbaar, dat dergelijke processen nimmer tot eennieuwe grondsoort hebben geleid (wat macro-evolutie zou heten). Darwin en zijnvolgelingen wisten niets van de microbiologie, niets van de genetische biologie, nietsvan het DNA, welke kennis in de dagen nog niet bestond.

26. Latere evolutionisten moesten het toeval als voorwaarde laten vallen, daar dewiskundige statistiek heeft aangetoond, dat het toeval nimmer als verklaring voor degrote erfelijke veranderingen van een zekere soort naar een hogere soort kan dienen.De wiskundige statistiek leert, dat één gebeurtenis nimmer optreedt, als de kans op hetoptreden van deze gebeurtenis is 1 op een 1 met 50 nullen [men schrijft dan 1 op10exp50, exp komt van exponent, bedenk dat 10exp3=1000].

27. Bij de overgang van een lagere biologische soort naar een hogere soort moeten veleerfelijke veranderingen tegelijkertijd optreden in mannelijke en in vrouwelijkeexemplaren, en bestendig zijn in volwassen exemplaren, wil de nieuwe soort zichkunnen voortplanten.

28. De evolutionist wil door het invoeren van lange tijden de mogelijkheid van eentoevallige verandering suggereren. 'Het lijkt niet mogelijk, maar als er heel veel tijd is,zal het toch wel eens geschieden,' zo is de redenering (van de wiskundige leek).

29. De kans op die gelijktijdige en gecombineerde veranderingen in exemplaren vanverschillend geslacht is veel kleiner dan 1 op 10exp50, men denke aan 1 op 10exp250,waardoor dergelijke toevallige veranderingen totaal onmogelijk zijn. Het zijn niet delange tijden, die de toevallige evolutie mogelijk maken, het zijn de uiterst kleine kansen,die de toevallige evolutie onmogelijk maken.

30. Bleven voor de latere evolutionisten van de negentiende en de twintigste eeuw overals mogelijke natuurkundige omgevingsinvloeden van de geleidelijke evolutie in kleinestappen: radio-actieve straling, temperatuur- en drukveranderingen, electrischeinvloeden (bliksem), en als biologische invloeden: selectie, mutatie, genetische drift,populatiebeperking.

31. Welnu, de experimentele resultaten van minstens 4.000 jaar veeteelt en plantenteelthebben aangetoond, dat omgevingsinvloeden geen nieuwe soorten met andere erfelijkeeigenschappen dan de bestaande opleveren. Wel veranderingen binnen de biologischesoort, geen nieuwe soorten met andere erfelijke eigenschappen.

Laboratoriumexperimenten van de laatste paar honderd jaar hebben dit bevestigd. Menkan wel nieuwe types honden kweken of een ander soort maïs, maar honden blijvenhonden, en maïs blijft maïs. Ook deze evolutionisten kenden de genetischemicrobiologie nog niet zo goed als wij dat heden doen.

32. Wezenlijk voor deze oudere theorie is het voorkomen van tussensoorten van debestaande soorten planten en dieren, naar men veronderstelde veelal in fossiele vorm,daar die niet-levensvatbare tussensoorten de zelfwordings-race naar een volgendehogere soort niet gehaald zouden hebben. Echter, de vele tussensoorten tussen debekende biologische soorten zijn er niet, althans niet zichtbaar in de hedendaagsenatuur, en niet in fossiele vorm.

33. Wat men meende een fossiel van een tussenvorm te zijn, bleek afkomstig van eenbestaande soort, of een uitgestorven soort, of het was een vervalsing. Soms betrof eenfossiel een uitgestorven soort, die men nog niet kende. Ook ontdekte men levendeexemplaren van soorten, die de evolutionisten allang uitgestorven dachten. Men moestwel afscheid nemen van de theorie van de geleidelijke evolutie in kleine stapjesgedurende zeer lange tijden.

34. Dus zochten de evolutionisten naar een nieuwe theorie. De nieuwe theorie werd dievan het zogenaamde punctuated equilibrium. De nieuwere soorten zoudensprongsgewijs zijn ontstaan, zonder tussenvormen, gaande van het ene puntsgewijzeevenwicht naar het volgende. Hiervan is nimmer een biologisch bewijs geleverd, niet uitde vierduizendjarige ervaring der veefokkers of plantenkwekers, niet in het biologischlabo. Moderne labo-exprimenten, met de ingewikkelde en hoog-technologischetechnieken van het klonen, leveren wel soorten met andere erfelijke eigenschappen op,maar dat is niet de bekende natuurlijke ontwikkeling in de wereld der evolutionist.

35. De nieuwste theorie is die van het Intelligent Design, het Intelligente of hetIntentionele Ontwerp, afgekort ID. Want ondertussen was in de loop der tijd de kennisvan de erfelijkheidsleer ver-der gevorderd. Kenden de oude evolutionisten slechts deerfelijkheidswetten van Mendel, zonder de diepere achtergrond daarvan goed tekennen of te begrijpen, de moderne microbiologie ontrafelde de structuur van de cel,de bouwsteen van elk levend wezen, en ontdekte de betekenis van het DNA, hetcomplex erfelijke factoren, het genoom, aanwezig in de kern van elke cel van elk levendwezen. Het DNA bevat het plan en de instructies voor de groei van de vele typen cellen,die samen het dierlijk of menselijk lichaam vormen, en dat wijst op een vorm vanIntentioneel Ontwerp.

36. De moderne evolutionist moet wel erkennen, dat het ID bestaat, hij kan het bestaanen de werking van het DNA niet (meer) loochenen, maar wil zich niet uitspreken overde oorzaak of de bron daarvan. De hedendaagse evolutionist blijft vasthouden aan hetbeginsel der zelfwording. Hij wil dit niet toeschrijven aan een externe oorzaak (God).

37. Inderdaad is het - in het kader van dit artikel - juist om het biologische deelmodelvan evolutie niet te verlaten, want daarmede zou een theologisch element wordeningevoerd. Gewoonlijk zegt de moderne evolutionist, dat het ID er 'gewoon' is. In feiteschrijft hij het zodoende toe aan de stof, en noemt dat dan de zelforganisatie van dematerie, voorzien van een ingebakken vermogen tot zelfwording. Ook daarmede verlaatdeze evolutionist het zuivere biologische evolutiemodel, en voert een filosofischelement in. In dit artikel worden deze stappen van zowel de creationist als van deevolutionist afgewezen. Bij de volgende bewijsvoering wordt het biologischeevolutiemodel, een deelmodel van het grote netwerkmodel, niet verlaten. Daarnaworden nog onderzoeksresultaten uit andere deelmodellen besproken.

NATUURWETENSCHAPPELIJKE FEITEN

38. Welnu, laten wij eens samenvatten wat de moderne biologie op grond van deeeuwenlange ervaring van fokkers en kwekers, en op grond van veldexperimenten enlaboratoriumproeven, heeft vastgesteld. Laten wij tevens neerschrijven wat anderenatuurwetenschappen, zoals de natuurkunde en de scheikunde, aan onweerlegbarefeiten hebben vastgesteld. En tenslotte, laten wij enige resultaten van het modernedemografische onderzoek en de archeologie noteren. Daarna kan men verrassendeconclusies trekken. Tenminste als men niet vergeet ook de nog betrekkelijk nieuwefysische informatietheorie te bespreken.

39. Leven ontstaat slechts uit leven. De bekende Franse geleerde Pasteur heeftaangetoond, dat leven slechts voorkomt uit een levend wezen. Pasteurs experimentenwerden duizenden keren herhaald, steeds met hetzelfde resultaat. De dode stof kan geenleven voortbrengen. De bewering van de evolutionisten, dat uit een oersoep doorblikseminslag en andere processen levende wezens ontstonden mist elke experimentelegrond.

40. Daarmede is niet gezegd, dat de bioloog weet wat leven is, en hoe dit ontstaat.Spreekt men over het ontstaan van leven, dan verlaat men de biologie en stapt defilosofie of theologie binnen. Zodra men begrippen invoert als plantenziel, dierenziel,en menselijke ziel, is men niet meer zuiver als bioloog, niet meer als zuiverenatuurwetenschapper, werkzaam. Ook het begrip dierlijk instinct ligt op de grens vanzuivere biologie en filosofie-theologie. Hoe weet de vogel, dat het tijd is om een nest tebouwen om daarin eieren te leggen ?

41. Het complex erfelijke factoren (genoom), vastgelegd in het DNA van elkebiologische grondsoort, de mens inbegrepen, is uniek, en stabiel. De grondsoorten zijnniet in elkaar om te zetten. Een schaap wordt geen geit, een kip geen patrijs, wat menook probeert. Vierduizend jaren ervaring van veefokkers bevestigen de stabiliteit enuniekheid van het genoom. Kruisingen tusen verschillende grondsoorten zijn nietvruchtbaar, als zij al mogelijk zijn. Een hond paart niet met een geit. Een ezel wel meteen paard, maar de afstammeling muilezel (of muildier) is niet vruchtbaar. Een tijger eneen leeuw kunnen samen een jong voortbrengen, maar dat is niet vruchtbaar.

42. Vele honderden experimenten in het biologisch onderzoek gedurende vele eeuwenbevestigen dit. De laatste tijd heeft men in het labo met kloningstechnieken wel nieuwesoorten gekweekt, maar, dat is niet de soort omzetting, die in de natuur voorkomt.

43. Het menselijk DNA is veel te complex, en te veel afwijkend van welk ander DNAdan ook, dat een of ander hoger dier een voorwezen van de mens zou kunnen zijn. Menbedenke dat alle mensen - blank of geel, lang of kort, slim of dom - tot een en dezelfdebiologische grondsoort behoren, omdat zij allen onderling vruchtbaar zijn.

44. Er zijn geen toevalsprocessen, geen fysische of chemische processen, en geenomgevingsinvloeden, bekend welke een omzetting van het DNA van een hogerediersoort in het DNA van de mens kunnen realiseren.

45. Dit geldt mutátis mutándis (op overeenkomstige wijze) voor alle andere biologischegrondsoorten. Mutaties van het genencomplex zijn mogelijk, bijvoorbeeld door radio-actieve straling, maar geven slechts gedegenereerde vomen van dezelfde soort. In strekenmet een hogere natuurlijke radio-activiteit (voorbeeld: de Limousin) komen meermismaakte en gehandicapte kinderen voor. Conclusie: Biologische grondsoorten zijnniet in elkaar om te zetten.

46. Gevolg: De soorten planten, de diersoorten, en de mens zijn per soort zó ontstaanals zij nu zijn. Hoe zij zijn ontstaan, weet de biologie niet. Wat precies het levenuitmaakt, weet de biologie niet. Tussensoorten bestaan niet, nu niet en vroeger niet.Fossielen van die tussensoorten werden trouwens nimmer gevonden. Wat alstussenfossiel werd aangezien, bleek een vervalsing, of was van een uitgestorven normalesoort.

47. Gevolg is, dat elke biologische grondsoort van slechts één eerste paar oudersMOET afstammen. Dit geldt voor olifanten en muizen, voor tijgers en marters. Ookalle mensen stammen van één paar oerouders af. Alle mensen zijn immers onderlingvruchtbaar, dus behoren zij tot dezelfde grondsoort.

48. Die oerouders van de mensheid hadden een genoom, zeer rijk aan erfelijkefactoren, welke men heden terugvindt, verdeeld over de vele rassen en soorten mensen.Daarom zijn mensen zo verschillend. De uniekheid van het menselijk DNA laat geenandere conclusie dan het bestaan van een eerste uniek ouderpaar toe. Opovereenkomstige wijze geldt dit ook voor alle andere grondsoorten. Hoe dit ouderpaarontstond, weet de biologie niet.

49. De demografie is de leer van de bewoning der aarde door de mensen. Het gaat omde bewoonbare streken, het klimaat, de voedselvoorziening, de ziektes, de oorlogen, enalle factoren welke de aantallen mensen hebben beïnvloed, tot op heden toe.

50. Demografische computermodellen van de groei van de aantallen mensen op deaarde gaan uit van de huidige zes miljard mensen en rekenen dan terug naar hetverleden. Rekening houdend met rampen, oorlogen, voedselschaarste, ziekten enplagen, en met de klimatologische verschillen, bepaalt men per streek een gemiddeldgroeipercentage, wat nog variëert met de bekende geschiedkundige perioden. Dergelijkzeer complexe computermodellen komen uit - vertrekkende van 6 miljard mensen nu -op één eerste ouderpaar, levend ongeveer zes- à zevenduizend jaar geleden.

51. Een eenvoudiger berekening, die van grovere aannamen uitgaat is de volgende.Neemt men slechte tot catastrofale levensvoorwaarden aan (weinig voedsel, ongezondeleefomstandigheden), en schat men de gemiddelde jaarlijkse bevolkingsgroei op 0,1 %(wat niet met de realiteit overeenkomt, ze is te laag), dan komt men, terugrekenend vande huidige zes miljard mensen, uit op een ouderdom van 23.000 jaar. Bij iets hogere,meer reële groeicijfers, ook nog gedifferentiëerd naar gebieden op aarde enverschillende historische tijdperken, komt men vanzelfsprekend op een veel kortereverblijftijd dan 23.000 jaar uit. Rekent men met het zeer ongunstige groeipercentagevan 0,1 % per jaar, dan geeft die uiterst lage groeifactor na 15.000 jaar toch al eenbevolking van 8 miljoen mensen van de steentijd. Van zo veel steentijdbewoners werdenechter nooit voldoende restanten gevonden.

52. Archeologische onderzoeken naar artefacten (stenen en anderegebruiksvoorwerpen) en de sedentatie (vestigingsvormen in dorpen) tonen aan, dat deverblijftijd van de mensheid op de aarde niet meer dan hoogstens tienduizend jaar kanzijn. Het aantal opgegraven artefacten, en het aantal uitgegraven dorpen, is veel te kleinom een langere verblijftijd aan te kunnen nemen.

Zou de mensheid meerdere tienduizenden jaren op aarde verblijven dan zouden wijoveral moeten struikelen over de artefacten (gereedschappen, huishoudelijkevoorwerpen, e.d.) en de restanten van bewoning. Dit doen wij niet, ergo kan deverblijftijd nooit zo lang zijn.

53. Men komt globaal gesproken een factor 1.000 tekort. Het aantal wel gevondenartefacten en plaatsen van bewoning en verblijf is ruwweg duizendmaal te klein om zeerlange verblijftijden aan te kunnen nemen. Dus kan de verblijftijd nooit zo lang zijngeweest. Een verblijftijd van de mensheid op aarde veel langer dan 6.000 à 10.000jaren is onzin. Het is een verzinsel, want de archeologische feiten spreken anders.

54. De Tweede Hoofdwet van de thermodynamica (warmteleer, belangrijk deel van defysica) leert, dat in een gesloten systeem de entropie slechts kan toenemen. In denatuurkunde is de entropie de wanorde op moleculaire schaal. Als men niets doet op deaarde, valt alles vanzelf in puin. De ordening, die de materie vertoont in een mooi huis,gebouwd van stenen, verwordt langzamerhand tot de wanorde van een puinhoop, alsmen niets doet; de entropie nemt dan toe. Dat gaat vanzelf, al kan het voor aardsebegrippen even duren. Uit deze Hoofdwet volgt, dat er een begin in de tijd moet zijn.Een oneindig durend heelal of een cyclisch heelal zijn onmogelijk. En, als er een beginis, dan moet er ook een einde zijn.

55. Uit de geofysica en de cosmologie zijn tenminste zeventig (70)natuurwetenschappelijke experimenten en metingen bekend welke aantonen dat debewoonbare aarde jong is. De resultaten van die waarnemingen geven leeftijden van deaarde van enige duizenden tot ongeveer honderduizend jaar. De spreiding komt dooronzekerheden in de metingen. Het punt van belang is, dat de resultaten van al dieverschillende metingen klonteren rond de zeven- à tienduizend jaar. Eén voorbeeldmaar: Het voorkomen van insecten ingesloten in brokken barnsteen. Dit houdt in, datdeze insecten al bestonden toen de barnsteen werd gevormd, dus dat de aarde jong is.Er zijn tientallen van dergelijke voorbeelden.

56. Er zijn niet voldoende bewijzen om een ontwikkeling over zeer lange perioden alsonzin af te doen, schrijven sommige theologen. Maar welke ontwikkeling bedoeltmen ?

A. Die van de aarde als planeet mogelijk ontstaan uit sterrenstof ?

B. Die van de leefomstandigheden op de planeet als voorwaarde voor het herbergenvan dierlijk en menselijk leven ?

C. Die van eventuele voorlopers van de mens - als die bestaan zouden hebben ?

D. Of de verblijftijd van de mens (homo sapiens) op de aarde ?

57. Dat zijn vier verschillende fasen in het evolutiemodel. Waar aparte antwoorden opzijn te geven. Welnu, stel u gerust: Er zijn voldoende natuurwetenschappelijkebewijzen, die voor alle vier de ontwikkelingsperioden de onmogelijkheid van de dwazelange tijden aangeven.

58. Voorbeelden:

Ad A. De ons bekende natuurwetten verzetten zich tegen het ontstaan vansamenballingen uit verspreid voorkomende sterrenstof, welke samenballingen danplaneten zouden opleveren. Evenzo, het ontstaan van een planeet uit een exploderendester.

Ad B. De omstandigheden in de hemelruimte luisteren zeer nauw. Zou de aarde 3 %verder van de zon afstaan, of 3 % dichter bij de zon staan, dan was elk leven eronmogelijk, door te grote hitte of te grote koude. Er zijn meerdere van die feiten.Tesamen geven zij een statistisch onmogelijk ontstaan door toeval.

Ad C. Het menselijk DNA is uniek, en zeer stabiel, en verschilt zo veel van dat vanandere, hoger geordende, wezens, dat ontstaan uit die andere wezens door natuurlijkeprocessen onmogelijk is.

Ad D. Over deze periode geeft de demografie uitsluitsel.

Conclusie: Leeftijden van de bewoonbare aarde, van planten en dieren, van de mens,van honderdduizenden en miljoenen jaren zijn natuurwetenschappelijk onzin. Over deleeftijd van de onbewoonbare aarde kan men geen uitspraaken doen. Het is bestmogelijk, dat de koude aardbol zonder begroeiing al oud is.

DE FYSISCHE INFORMATIETHEORIE

59. De Duitse geleerde Dr. Werner Gitt heeft de statistische informatietheorie van deAmerikaan Shannon - al geruime tijd in gebruik in de telecommunicatietechniek -uitgebreid tot de fysische informatieleer. Bekend is dat materie en energie nietvoldoende zijn om (levens)processen te verklaren. Er is informatie nodig om te groeien,te bouwen, en te veranderen.

60. Bouwt men een huis dan heeft men stenen (materie) en metselaars (energie) nodig,plus de tekeningen van de architect (informatie). Groeit een jonge mens dan heeft dezevoedsel en zuurstof nodig (materie en energie) plus het bouwplan vastgelegd in hetDNA (informatie). Overal waar groei en verandering is, kan men die drie wezenlijkeelementen onderscheiden: materie (stof), energie, en informatie.

61. In de moderne informatietechnologie (telecommunicatie, computertechniek) doetmen niets anders dan informatie verwerken, gewoonlijk vastgelegd op harde schijven,magneetbanden, en USB-sticks. Men ziet dus, dat die informatie altijd in gecodeerdevorm aanwezig is, altijd een drager behoeft, en dat die drager een vorm van materie is.Betekent dat nu, dat informatie een materiële grootheid is ? Neen !

62. Welnu, informatie wordt weliswaar altijd gedragen (in gecodeerde vorm) door eenof andere vorm van de materie (informatiedrager), maar informatie is geen materiëlegrootheid. De harde schijf van de PC draagt de gecodeerde informatie van decomputerprogramma's. Evenzo voor de USB-sticks en de tapes.

63. Informatie is echter een geestelijke grootheid, die altijd voortkomt uit eenintelligente zender (een bron met verstand), en gecodeerd gedragen wordt doormaterie. De bron van de geestelijke informatie is in de telecommunicatie en de techniekaltijd de mens zelf, de ontwerper. Daar valt niet over te twisten. Het is decomputerprogrammeur, die de software maakt, het is de programmeur, welke deintelligente zender (bron) is van de informatie, welke wordt vastgelegd in code op eeninformatiedrager.

64. In de biologie is het niet anders. De eiwitten van het DNA dragen de noodzakelijke,gecodeerde, erfelijke informatie over de structuur, het bouwplan, en het doel van (decellen) van het levende wezen. Over de bron van de genetische informatie, opgeslagenin het DNA, kan men wèl twisten, dat behoort niet meer tot de natuurwetenschappen.

65. De theoloog, die het creatiemodel volgt, spreekt dan over God, wat geennatuurwetenschappelijke uitspraak is. De evolutionist houdt het bij het evolutiemodelen spreekt over de zelforganisatie van de materie en het ingebakken intelligenteontwerp, wat evenmin een natuurwetenschappelijke uitspraak is.

66. Voor beiden geldt, dat, volgens de fysische informatieleer, de informatie, alsgeestelijke grootheid, uit een bron met verstand (intelligentie) MOET komen. Hoe diebron verstaan moet worden is een filosofisch-theologische uitspraak. En heel watverwarring onder filosofen en theologen komt er uit voort, dat men dit onderscheidtussen wat natuurwetenschappelijk vast staat, en wat niet meer tot denatuurwetenschappen behoort, niet voldoende maakt.

SAMENVATTING

67. Het is juist dat de natuurwetenschappen geen afdoende verklaring hebben voor hetontstaan van de mens - ja, maar als men het zó zegt, dan spreekt men over deongedeelde mens met lichaam en geestelijke vermogens, met lichaam en ziel, de gehelemens, zoals de filosofie of de theologie die normaal kent en verstaat.

68. Het bovenstaand besproken (biologische) deelmodel is een biologisch model, watslechts op het lichaam van de mens kan slaan. Over het lichaam kan men als bioloogspreken - over de ziel of geest slechts als filosoof-theoloog. Dat hebben velen nietbegrepen. De menselijke ziel is immers biologisch niet aantoonbaar.

69. De theoloog noemt de ziel het levensbeginsel van de mens, en dat is geennatuurwetenschappelijke uitspraak. De bioloog kan immers niet zeggen wat leven is,noch hoe het ontstaat. De bioloog werkt in feite alleen maar descriptief, hij beschrijftwat zienbaar is: beweging, verandering, groei, voortplanting. Die trekken maken voorhem het levende wezen.

70. Met het biologische deelmodel werd eerst aangetoond, dat leven slechts ontstaat uitleven. Uit de dode stof kan geen leven voortkomen.

71. Verder werd in het biologisch deelmodel aangetoond, dat alle grondsoorten, zo alszij heden zijn, de mens inbegrepen, ontstaan zijn uit één stel oerouders. Omzetting vangrondsoorten in andere soorten is onmogelijk door de uniekheid en de stabiliteit vanhet erfelijk complex. Biologische evolutie is onmogelijk.

72. Met het demografisch en sedentair deelmodel werd aange-toond, dat de verblijftijdvan de mensheid op de aarde niet langer kan zijn dan 10.000 jaar, waarschijnlijk eerder6.000 à 7.000 jaar. Verblijftijden van de mensheid van vele tienduizenden jaren zijnverzinsels.

73. Het natuurkundig deelmodel van de thermodynamica bevestigt, dat er een begin inde tijd moet zijn. Aangestipt werd, dat ook het geofysisch deelmodel vele aanwijzingengeeft voor een relatief jonge bewoonbare aarde, eveneens in de orde van 10.000 jaar.Het blijft speculeren over de leeftijd van een mogelijke onbewoonbare aarde, dat is eenkoude, niet begroeide bol, welke geen leven kan dragen.

74. Uit het deelmodel der fysische informatieleer wordt duidelijk, dat informatie eenniet-materiële, ja, een geestelijke grootheid is, welke in gecodeerde vorm gebonden isaan de materie, en altijd voortkomt uit een geestelijke bron, dat is een intelligente bron,een bron met verstand. In de informatietechniek en andere meer technischeingenieurskunsten is die geestelijke bron altijd de mens als ingenieur-ontwerper en alsprogrammeur.

75. Echter, in de biologie kan men wel de gecodeerde informatie in het DNAonderscheiden, het bouwplan is gecodeerd vastgelegd in de materie, te weten in deaminozuren (eiwitten) in de cellen, maar welke de geestelijke bron daarvan is, kan debiologie ons niet vertellen.

76. Samenvattend: Men heeft de filosofie en de theologie niet nodig om te besluiten dat(biologische) evolutie onmogelijk is, en dat de lange tijden van miljoenen jaren van deevolutionist onzin zijn. De experimentele natuurwetenschappen, en sommige humanewetenschappen (zoals de demografie en de archeologie) geven meer dan voldoendetegenbewijzen waardoor men evolutie wel moet afwijzen. Men herinnere zich, dat ééntegenbewijs voldoende is om een overigens plausibel model te moeten verlaten.Eindconclusie: Evolútio non exístit: Evolutie bestaat niet !

EEN VORM VAN GELOOF

77. De theologen, de filosofen, en andere beoefenaars van de humane wetenschappen,die aan het creatiemodel de voorkeur geven, kunnen hun opvatting over de bron (deintelligentie) van de geestelijke genetische informatie (gecodeerd in de eiwitten van hetDNA) - te weten: de God-Schepper - kenbaar maken.

Daartegenover plaatsen de evolutionisten - de zelfwording door ID en dezelforganisatie.

78. Maar de discussie tussen beide visies ontaardt in een nietes-welles discussie, omdater geen objectieve maatstaf bestaat om een gelijk te bepalen.

79. Immers de rationaliteit en het experimentele karakter van denatuurwetenschappelijke bewijsvoering ontbreken daarbij. Want, bij die discussieverlaat men de natuurwetenschappelijke deelmodellen, en stapt een filosofisch-theologisch deelmodel binnen.

Over de basis daarvan, de postulaten en wetten, bestaat geen overeenstemming. Hetresultaat is een patstelling.

80. Ten laatste blijkt het dus een vorm van geloof te zijn, OF in het theologisch-filosofische deelmodel van creatie, OF in het theologisch-filosofische deelmodel vanevolutie.

81. Dit wordt mooi geillustreerd door de volgende uitspraak van de bekendeevolutionist Sir Keith (1866-1955), anthropoloog en volgeling van Darwin: "Deevolutie is niet bewezen en niet bewijsbaar. Wij geloven er nochtans in. Het enigealternatief is een scheppingsdaad van God, en dit is ondenkbaar."

82. Het triomferend evolutionisme kan gemakkelijk natuurwetenschappelijk wordenweerlegd, zoals boven werd aangetoond. Juist de natuurwetenschappelijke argumentenzijn zelfs door de vurigste evolutionist niet te weerleggen. Hij kan die slechts negéren.Wat regelmatig voorkomt.

SLOTWOORD

83. Het bovenstaande is slechts een uiterst beknopte samenvatting van denatuurwetenschappelijke argumentatie. Er bestaan letterlijk tientallen boeken mettalloze bewijzen. Men raadplege, indien gewenst, het volgende Amerikaanse boek:

http://www.evolution-facts.org/Handbook%20TOC.htm

Men kan dit Evolution Handbook (2006) ook downloaden. Dat geeft een stapel bladenA4 van 6 cm hoog. Wat daar niet in te vinden is, is de moeite van het weten niet waard.

84. Prof. Dr. Werner Gitt is een internationale autoriteit op het gebied van defysische informatieleer. Het Duitse basiswerk is:

Am Anfang war die Information

Hänssler Verlag, 3. Auflage, 2002, pp 360

ISBN 3-7751-3702-5

AANVULLING

85. Wetenschapsfilosoof Karl Popper schrijft: "Ik ben tot de conclusie gekomen, dathet darwinisme geen testbare wetenschappelijke theorie is, maar een metafysischonderzoekprogramma."  (1)

86. Michael Reuse schrijft in zijn artikel "Is evolution a secular religion (2) ?", Science,March 7, 2003, het volgende: "Echter ook de founding fathers van deze theorie[bedoeld wordt de synthetische (samenvattende) theorie van de evolutie - eenverbinding van Darwin en Mendel - opgekomen in 1930] werden in eerste instantieaangetrokken door de evolutie vanwege de quasi-religieuze aspecten ervan, dieaangewend konden worden om een agnostisch-atheïstisch (3) humanisme te funderen, ofsoms ook om de levenloze oude religie nieuw leven in te blazen."  (4) En nog: "Maarsoms, uit de mond van dezelfde persoon [een evolutiebioloog, mathematisch enexperimenteel gericht, zogenaamd niet belast met waardeoordelen] hoor je evolutie alseen seculiere religie brengen, die in het algemeen uitgaat van een materialistischeachtergrond, en die een oplossing biedt voor alle problemen van de wereld."

87. In zijn werk "On human Nature" verklaart E. O. Wilson kalmweg, dat evolutie eenmythe is, die op het punt staat (als religie) het christendom te vervangen. Soortgelijkeuitspaken als die van Wilson zijn bij bosjes te vinden, aldus Arie van den Beukel.

88. Zo schrijft de vooraanstaande evolutionist Richard Dawkins: "Darwin maakte hetmogelijk om een intellectueel verantwoord atheïst te zijn." En nog: "Het heelal, dat wijwaarnemen, heeft precies die eigenschappen, die wij zouden verwachten, als er tendiepste geen plan is, geen doel, geen goed en kwaad, niets dan meedogenlozeonverschilligheid." Wat gewoon niet waar is !

89. In het tijdschrift Nucleus van februari 2008 staat een artikel van professor Dean H.Kenyon. Deze geleerde doceerde jarenlang biologie aan de Staatsuniversiteit in SanFrancisco. Als overtuigd darwinist en evolutionist was hij een aanhanger van macro-evolutie. Hij schrijft: « Het ... toonde duidelijk aan, dat het cruciale punt van hetprobleem de oorsprong van het leven is, en het spontane of het natuurlijke ontstaanvan de genetische informatie in dit leven. Ik vond geen enkele natuurlijke enovertuigende theorie of uitleg voor de oorsprong van deze eerste genetische informatie.Uitleg hierover werd nooit gegeven, en ook niet betreffende de nieuwe genetischeinformatie, die de macro-evolutie moet verklaren, omdat zij aan de oorsprong zouliggen van nieuwe organismen. »

90. En verderop zegt hij: « Gedurende mijn onderwijsjaren was mijn leeropdracht overde evolutie de voornaamste van het departement. Ik slaagde er niet in één enkelovertuigend bewijs te vinden. Ik kon gewoon niet aantonen, dat er eeen nieuw soortdier was ontstaan, in het laboratorium of in de natuur. Dit was toch verwonderlijk naeen tijdsverloop van 100 jaar sinds de publicatie van The Origin of Species van Darwin.Ik dacht, dat ik niet voldoende had gezocht, en ik vroeg mijn leerlingen mij te helpenaan de nodige referenties. Jarenlang daagde ik elke klas uit om mij de gegevens tetonen, die het ontstaan van een nieuwe diersoort konden bevestigen. Ook de studentenslaagden er niet in mij deze bewijzen te bezorgen. »

91. « De vorming van nieuwe soorten door de evolutie vereist ook een natuurlijketoevoeging van grote hoeveelheden van exacte, nieuwe, genetische informatie aan hetgenoom van het evoluerend organisme. Alleen dit gebeuren kan nieuwe structureletrekken geven, en fysiologische mechanismen doen ontwikkelen. Met andere woorden:Het grondpatroon van het oorspronkelijke wezen moet totaal veranderen. Een dergelijkevolutionistisch proces zou dan een samengaan moeten laten zien van honderdengunstige mutaties of veranderingen, die dan ook nog geco*or-dineerd, ofsamenhangend, in dezelfde richting zouden moeten geschieden. Welnu, de overgrotemeerderheid van deze mutaties, waarvan men beweerde, dat zij optraden, warenmeestal schadelijk voor het organisme, waar zij zich in voordeden, of bleven op zijnbest neutraal. (5) »

92. « Zo werd ik er langzamerhand van overtuigd, dat er nooit een natuurlijk proceszou kunnen worden gevonden, een proces, waarbij een uitbreiding van informatie inhet genetische patroon kan optreden. In geen enkele literatuurverwijzing werd eenspontaan proces genoemd waarbij nieuwe genetische informatie de macro-evolutie zoukunnen ondersteunen, wat daarover ook moge worden gesuggereerd. ... Het genoomvan elk organisme draagt in zich veel en zeer belangrijke beperkingen tegen eenmogelijke wijziging of mutatie. ... Het samengaan van al deze moeilijkheden lietuitschijnen, dat er eigenlijk nooit macro-evolutie heeft plaatsgehad. De intellectueleimpasse in mijn eigen onderzoekdomein - de oorsprong van het leven - verhoogde mijntwijfel aan het bestaan van macro-evolutie, en bewoog mij er toe er mede te breken. »

93. « Het is mijn sterke overtuiging, dat wij wèl voldoende proefondervindelijkebewijzen, en stevige wetenschappelijke, argumenten hebben, om opnieuw de doctrinevan de schepping te ver-dedigen. » Einde citaat.

94. In het raam van het evolutiemodel wordt de mythische voorstelling verdedigd, datde materie de benodigde informatie in zich meedraagt. Dan moet men natuurlijk zichafvragen waar dan de materie wel vandaan komt. Een verifiëerbaar antwoord kan mendaar niet op geven, omdat alle vragen over de oorsprong door de mazen van het netvan de natuurwetenschappen vallen. Noch de herkomst van de materie, noch hetbestaan van een intelligente oorsprong der informatie zijn (natuur)wetenschappelijk tebepalen of te bewijzen.

95. Toch moet er op grond van de fysische informatieleer een geestelijke, dat is niet-materiële, oorsprong van de informatie bestaan, omdat informatie een geestelijke, niet-materiële, grootheid is. De fysisch-chemische evolutie van het leven uit de dode stofweerspreekt de natuurwet van het leven opgesteld door Pasteur, en is niet inovereenstemming met de fysische informatieleer opgesteld door Werner Gitt.

96. Voor de theoloog is het van het grootste belang te weten, dat het evolutieve denkenin de biologie, natuurwetenschappelijk gezien, op niets berust, op lucht berust, op zandberust, dat het onzin is. Biologische evolutie is een geloof, een ideologie, een mythe.Eén geleerde drukte het zó uit: "Het is zinvoller in kabouters of eenhoorns te geloven,dan in evolutie."

1. Geciteerd door B. Halstead, New Scientist, 87, 215, 1980.

2. Is evolutie een seculiere (wereldlijke) religie (godsdienst) ?

3. Agnostisch = God niet kennend, God niet willen kennen.

Atheïstisch = goddeloos, zonder God.

4. Geciteerd door Arie van den Beukel in zijn tekst "Darwinisme en/of ideologie ?"

5. Bedoeld wordt, dat er geen bestendige nieuwe genetische informatie ontstond. Of het bleef hetzelfde (op zijn best), ofer trad degeneratie op. Wat de hooggeleerde niet expliciet vermeldt, is dat al die mutaties tegelijkertijd moeten optredenin eenmannelijk en een vrouwelijk exemplaar, wil er nieuw genetisch nageslacht kunnen ontstaan.