WOORDJE VOORAF
AANBEVELINGEN VOOR EEN MEER TRADITIONELE LITURGIE
ENIGE GRONDINZICHTEN
De kerk
Het priesterkoor
Het altaar
Het tabernakel
De priester
Een heilige ruimte
AANBEVELINGEN
Instructies en rubrieken
Het kerkgebouw
Het priesterkoor
Het altaar
Het tabernakel
De dienaren
Liturgische kleding
Liturgische boeken
Eucharistische Gebeden
De homilie of preek
De Communie
Toelichtingen, mededelingen, begin- en slotwoord
Riten, rubrieken en gebruiken
De aard van de Mis
Soorten misvieringen
Woord- en gebedsdiensten
Zang en muziek
De kleding
Het gedrag
In dit artikel worden allereerst een aantal liturgische basisinzichten betreffende het kerkgebouw, het priesterkoor, het altaar, het tabernakel, heilige ruimten en de priester in het kort besproken.
Daarna zijn talrijke aanbevelingen opgenomen welke men kan volgen, als men een waardige en meer traditionele liturgie wil realiseren.
Deze richtlijnen zijn gebaseerd op de eeuwenoude liturgische inzichten en gebruiken van de katholieke Kerk.
Nota bene: De hieronder gegeven aanbevelingen zijn in feite gebaseerd op de verplichtingen zoals deze onverminderd hebben gegolden tot ongeveer 1963. Deze verplichtingen waren vastgelegd in gedetailleerde liturgische rubrieken. Pas na het Tweede Vaticaans Concilie werden de bedoelde rubrieken (langzamerhand) afgeschaft, of raakten in onbruik. Waarmede een meer dan duizend-jarige traditie werd verlaten.
De kerk is het huis van God, een plaats om te bidden. Daarom horen er stilte, ingetogenheid en een gewijde sfeer te heersen. Vele van onze kerken zijn geöriënteerd, dat is: de lengte-as is Oost-West-gericht, met de ingang op het Westen en de uitbouw met het pries-terkoor (absis) op het Oosten. Dat hangt samen met de oeroude gewoonte, dat priester, zangers en volk bidden tesamen gericht naar het Oosten, naar de opkomende zon, symbool van de verrezen Christus. De kerk is geen vergaderzaal, geen gemeenschapsruimte, noch ontmoetingsplaats of concertzaal.
Het priesterkoor is de plaats waar de heilige handelingen zich afspelen. Het priesterkoor is een heilige ruimte, die afgezonderd moet zijn van de rest van het kerkgebouw, en die slechts toegankelijk moet zijn voor gewijde personen - priesters en diakens - en voor dienaren. Het priesterkoor is in de kerkelijke traditie - minstens vanaf het jaar 300 - altijd afgescheiden geweest van de ruimte bestemd voor de gelovigen, en was nimmer vrij toegankelijk voor iedereen. Het priesterkoor is niet de geschikte plaats om een orgel op te stellen, of om een groot zangkoor op stoelen te doen plaats nemen.
Het altaar is de offerplaats, alwaar het Heilig Misoffer - de onbloedige tegenwoordigstelling van het Kruisoffer - door de priester wordt opgedragen. Offerplaats en priester horen bijeen. De priester is immers degene, die in de persoon van Christus de offerhandelingen voltrekt aan het altaar. Het altaar moet dan ook op het priesterkoor de centrale plaats innemen en moet altijd met het grootste respect worden bejegend. Een offerplaats is een plaats waar bloed vloeit, al gebeurt dit op het altaar niet op voor ons zichtbare wijze. Daarom mag het altaar niet ontsierd worden door bloemstukken, allerlei voorwerpen, noch door mappen en boekjes.
Het tabernakel is de plaats, waar het Allerheiligste Sacrament wordt bewaard, het Lichaam van Christus. Dit verdient de grootste eerbied. De handen van de priester zijn gewijd om dit Sacrament aan te raken. Ook de seminarist-diaken mag de Heilige Communie uitdelen. Voor leken past dit beslist niet. De ruimte rond het tabernakel is dus evenzeer een heilige plaats. Het is passend, dat het tabernakel een mooie plaats inneemt op het priesterkoor, tenzij er ter plaatse een andere oudere traditie - van vóór 1965 - bestaat.
De priester is de middelaar tussen God en mensen. Hij bidt namens de Kerk, namens allen - en met allen tesamen - tot de Allerhoogste, tot de Almachtige God. Hij draagt het offer op. Hij richt zich tot Christus, en wendt zich bij het gebed dan ook naar het symbool van Christus - dat is van oudsher de opkomende zon in het Oosten. Tijdens het bidden keert de priester zich dus naar het Oosten en niet naar het volk. Spreekt hij kort tot het volk, dan keert hij zich naar het volk. De lezingen uit de Heilige Schrift vormen in feite een onderbreking van de lange reeks gebeden van de Mis, en óók dan keert de priester zich naar het volk.
Het is altijd het inzicht van de ganse christenheid geweest, dat de Mis slechts kon worden opgedragen in een heilige ruimte, alléén daarvoor in gebruik. Met name het opdragen van de Mis in de open lucht werd altijd afgewezen. Het Oude Testament van de Heilige Schrift verhaalt, dat ook het Joodse Paaslam slechts binnenshuis kon worden gegeten, niet in de open lucht.
De bijna 2000 jaar oude kerkelijke traditie beschouwt de Mis standvastig als een offer en als de verwezenlijking van een mysterie. Om dit offer op te dragen, moet men zich binnen de muren van de kerk, de heilige ruimte, bevinden, welke muren de bewaarders en de beschermers van het mysterie zijn.
De heilige ruimte mag niet direct toegankelijk zijn vanaf de straat. In (oude) kerken wordt altijd een portiek, een overgangshal (narthex) tussen straat en schip van de kerk gevonden, met wijwatervat, zodat men achtereenvolgens twee deuren moet doorgaan alvorens het schip van de kerk te betreden. In de narthex laat de gelovige al het wereldse achter zich. Hij bekruisigt zich er met wijwater om de boze geesten te verjagen, vóórdat hij de gewijde ruimte binnengaat.
Tot de heilige ruimte worden slechts toegelaten de gedoopte gelovigen, die niet in toestand van zware zonde verkeren. Dus ongedoopten, pas geboren, al volwassen, of al oud, die nog beladen zijn met de last der erfzonde, mogen daar niet binnenkomen. Vandaar van oudsher de doopkapel buiten de eigenlijke kerk, er tegenaan gebouwd. Christengelovigen, belast met zware zonde, moeten zich eerst reinigen door de (persoonlijke) oorbiecht, alvorens zij het heiligdom mogen binnengaan. Vroeger werd deze biecht gesproken in een ruimte buiten de eigenlijke kerk. Later plaatste men biechtstoelen achterin het schip van de kerk, zo ver mogelijk verwijderd van het priesterkoor. Steeds met het doel de nog met zonden beladen mens weg te houden van de heilige plaatsen.
Indien men waardig en op meer traditionele wijze de Heilige Mis wil opdragen aan het oude of het nieuwere altaar (het zg. volksaltaar), doet men er goed aan zo veel mogelijk van de onderstaande richtlijnen en aanbevelingen te volgen.
Sommige van de hieronder niet-aanbevolen zaken zijn wel door kerkelijke instanties goedgekeurd. Deze goedkeuring houdt echter geen verplichting in om het zo, en niet anders, te doen. Men mag dus gerust de aanbeveling volgen.
De instructies en de rubrieken, die gegeven worden in de officiële liturgische boeken, zijn gewoonlijk zeer algemeen geformuleerd, en laten vrijwel altijd veel ruimte voor eigen uitleg, óók in meer traditionele zin.
Hoofdaltaar en tabernakel worden geplaatst op de lengte-as van de kerk.
Breng beelden, schilderijen, ikonen, e.d. aan, als deze ontbreken.
Traditioneel behoort op de achterwand van de absis (halfronde uitbouw) van de kerk een voorstelling van de verrezen Christus voor te komen.
Kijken de priester en de gelovigen, die zich in het schip van de kerk bevinden, naar het altaar, daar voorbij en daar langs, dan moeten hun blikken op een (hangend) kruis kunnen rusten.
Volgens de zeer, zeer oude, kerkelijke gewoonte dient de blik van de celebrerende priester, staande aan het altaar, tegelijkertijd gericht te zijn naar het Oosten, naar het kruis boven het altaar, en naar de voorstelling van de verrezen Christus in de absis.
Zorg er voor dat de gelovigen kunnen knielen, als zij dit wensen.
Zijn er rijen bioscoopstoelen geplaatst, vergroot dan de onderlinge afstand, en voeg tussen deze rijen losse knielbanken toe.
De vroeger veel gebruikte losse zit-knielstoelen kunnen worden gebruikt voor zitten en voor knielen en zijn een goede practische oplossing. Eventueel te plaatsen in twee rijen, de ene om op te knielen, de andere om op te zitten.
De doopvont hoort beslist niet op, noch nabij, het priesterkoor thuis, maar dient - zo ver mogelijk van het priesterkoor verwijderd - ergens nabij de hoofdingang van de kerk te worden geplaatst, liefst in een aparte ruimte (doopkapel).
Plaats nimmer tafels met stoelen, zitjes, kasten, boekenrekken, aanplakborden, aquaria, vitrines, koffie-apparaten, e.d. in het kerkgebouw, ook niet achterin.
Laat de kerk niet gebruiken voor concerten, tentoonstellingen, recepties, en andere niet-liturgische bijeenkomsten, ook niet voor recepties bij gelegenheid van een kerkelijke viering, zoals vormsel, of priesterjubileum.
Bevorder alles wat bijdraagt tot het gewijde karakter en tot het scheppen van een sfeer van gebed.
Het priesterkoor omvat de ruimte rond het altaar en die rond het tabernakel. Zijn altaar en tabernakel ver van elkaar verwijderd, dan bestaat het priesterkoor uit twee aparte delen, het voorste en het achterste priesterkoor, of het eerste en tweede priesterkoor.
Scheid het priesterkoor van het schip der kerk door een hekwerk, door sierkoorden, door banken, door gordijnen, door plantenbakken, door een communiebank, een opstap, of dergelijke, opdat men het priesterkoor niet achteloos zou betreden. De gewoonte het priesterkoor van het schip der kerk te scheiden door een gordijn, bleef bestaan tot halfweg de Middeleeuwen.
Plaats op het priesterkoor slechts: het altaar, de ambo, de zetels of zitbanken voor priester(s) en dienaren, de dientafels, en het kleinere kerkelijke meubilair, zoals (processie)kruis, wierookvatstandaard, kandelaars, plantenbak, bloemen, e.d.
Zie er op toe, dat er voldoende ruimte is rondom het altaar, als dit mogelijk is.
Laat de zetel van de priester niet de plaats op of nabij de lengte-as van de kerk, welke eerder is bestemd voor altaar of tabernakel, innemen.
Laat priester en dienaren nooit zitten met de rug gekeerd naar het tabernakel.
Plaats de zetels van priester en dienaren liefst aan de linkerzijkant van het priesterkoor, tegenover de dientafels aan de rechterzijkant.
Plaats alles zó, dat - in voorkomend geval - de priester ook ge-oost, dat is in onze streken gewoonlijk met de rug naar het volk, de Mis kan opdragen.
Plaats geen orgel, noch een doopvont, op het priesterkoor.
Plaats er geen stoelen of banken voor het volk, behalve eventuele koorbanken aan de linker- en rechterzijkanten - tegen de zijmuren - bestemd voor geestelijken, dienaren of zangers.
Richt op het priesterkoor nimmmer een kerststal op, noch andere bouwsels of staketsels.
Vermijd het aanbrengen van aanplakborden, affiches, spandoeken, waslijnen en spreuken op het priesterkoor.
Behoud de toegang tot het priesterkoor voor aan geestelijken en aan dienaren in functie (en aan de koster en de schoonmakers/schoonmaaksters).
Zorg er voor, dat het priesterkoor niet door iedereen zomaar kan worden betreden.
Zie er op toe, dat zich tijdens liturgische plechtigheden nooit personen in burgerkleding op het priesterkoor bevinden, ook niet in eventuele koorbanken.
Laat nimmmer zangkoren, zangers of zangeressen, of gelovigen plaats nemen of verblijven op het priesterkoor, behalve mannelijke dienaren of zangers in liturgische kleding (in koorbanken), en behalve een bruidspaar tijdens de huwelijksmis.
Laat nooit een vrouw of meisje enige liturgische functie, welke dan ook, vervullen op het priesterkoor.
Zijn er in de kerk meerdere kleinere altaren of zijaltaren, dan is de ruimte daar vlak omheen een eigen klein priesterkoor. Let op goede afscheidingen daarvan, zodat deze ruimtes niet achteloos betreden kunnen worden.
Het altaar is liturgisch gezien geen tafel. De benaming offertafel is onduidelijk, en de aanduiding tafel is beslist fout. De Heilige Mis is geen maaltijd, maar een onbloedig offer. Het altaar is dus de offerplaats.
Het altaar is de plaats, waar het Paaslam Christus onbloedig wordt geslachtofferd. Daarom moet het altaar bij voorkeur van steen zijn. Vermijd het gebruik van wankele en ordinaire houten tafels.
Is een altaar van hout gemaakt, dan wordt er gewoonlijk in het midden een zg. altaarsteen (bijvoorbeeld 30 cm bij 30 cm) ingebouwd, welke de reliquiën van een heilige of martelaar draagt.
Een altaar behoeft niet groot te zijn. In veel gevallen waren de altaren in oude kerken maar ongeveer 1 m2 groot. Bevond zich daaronder de lijkkist van een martelaar, dan kwamen grotere afmetingen voor, tot 2,10 bij 1,40 meter.
Dat het altaar los moet staan van de achtermuur van de absis - zoals de moderne voorschriften stellen - opdat men er gemakkelijk omheen zou kunnen gaan, is perfect volgens de oudste traditie.
Alle voorwerpen, die op een offerplaats niet passen, of daar hinderen - omdat er bij het offeren (op geestelijke wijze) bloed vloeit - mogen niet op het altaar voorkomen.
Dus geen bloemen, noch plantenbakken, geen bouwsels, noch versieringen, op het altaar. Geen overbodige boeken of mappen, geen leesbrillen, noch zakdoeken. Geen kandelaars, noch microfoon, op het altaar, maar er naast, of op de opstand.
Het altaar moet gedekt zijn met een of meerdere altaardwalen.
Paus Leo IV (847-855) schrijft voor, dat er zich [blijvend] op het altaar mogen bevinden de reliekschrijnen, het evangelieboek (heden missaal), en de pyxis met het Lichaam des Heren.
Op het altaar zouden heden slechts mogen voorkomen: een staand kruis, het missaal op een lezenaar, eventueel het lezingenboek en een zangboek, en het liturgisch vaatwerk: kelk, pateen, cibories, doeken en doekjes, ampullen, e.d.
Het is zeer passend boven het altaar een baldakijn op 4 kolommen te voorzien. Eertijds waren - tot halfweg de Middeleeuwen - aan de vier zijden van het baldakijn gordijnen opgehangen.
Terwijl de jonge Kerk het altaar zo veel als mogelijk aan de directe blikken onttrok, door er omheen kostbare gordijnen en antepéndia (voorhangsels) aan te brengen, ziet men heden ten dage het altaar naakt voor alle blikken kaal midden in de ruimte staan. Het is sterk te betwijfelen, dat daardoor de heiligheid van de offerplaats meer wordt benadrukt, dan door het altaar aan de blikken te onttrekken.
De architectuur van de meeste oude kerken is zó, dat het ruimtelijk zwaartepunt van het gebouw daar ligt waar eertijds het (oude) hoofdaltaar stond. Bij het binnenkomen werden de blikken vanzelf daar naar toe getrokken. Door het naar voren geplaatste (nieuwe) volksaltaar, wordt dit nogal eens doorbroken.
Plaats het tabernakel op de lengte-as van de kerk, tegen of nabij of voor de achterwand van de absis, dus zó, dat als de priester ge-oost is, hij - in de meeste van onze kerken - naar het tabernakel kijkt.
Is daar ter plaatse een oud hoogaltaar, gebruik dan het tabernakel daarvan.
In veel gevallen zal ook een vrijstaand tabernakel, bijvoorbeeld op een smeedijzeren onderstel, passend zijn.
Is het altaar voorzien van een baldakijn, dan kan eventueel een hangend tabernakel, in de vorm van een duif, worden gebruikt.
De ruimte rond het zo geplaatste tabernakel behoort tot het (achterste) priesterkoor.
Plaats het tabernakel niet in een zijkapel, noch in een afzonderlijke ruimte; gebruik evenmin het tabernakel van een zijaltaar. Dit alles, tenzij daar ter plaatse een andere veel oudere traditie bestaat (van voor 1965).
Splits het priesterkoor in twee aparte delen, een voorste en een achterste deel, een eerste of een tweede deel, indien de afstand tussen tabernakel (of oud hoogaltaar) en nieuw altaar groot is. Let op goede afscheidingen.
Het is het meest passend, als de geconsacreerde Hosties niet worden meegenomen tot buiten het priesterkoor, uitgezonderd het brengen van de Communie naar de zieken en stervenden.
Herstel zo mogelijk de oude gewoonte, dat de priester of diaken, die de Communie naar de zieken draagt, vooraf wordt gegaan door een of meer dienaren met rinkelende schel of ratel en twee brandende processielichten.
Dit zijn: de acoliet, de lector, de psalmist, de cantor (mannelijke leken), en de misdienaars (leken, mannen of jongens).
Dienaren dragen op het priesterkoor, tijdens de plechtigheden, altijd liturgische kleding. Dan nooit personen in burger op het priesterkoor tijdens plechtigheden.
Laat dienaren nooit zitten met de rug gekeerd naar het tabernakel.
Zie er op toe, dat vrouwen of meisjes nimmer liturgische kleding dragen. De katholieke Kerk kent geen pastorella�s.
Laat nimmer een vrouw of meisje als dienares, misdinette, of lezeres (lectrice) fungeren.
Laat nooit een mannelijke leek, en nog minder een vrouw, de Heilige Communie uitdelen.
Priesters of diakens behoren tijdens de Mis het priesterkoor niet te verlaten, behoudens bij het Communie uitreiken aan de gelovigen, indien dit nodig is, gezien de plaatselijke ruimtelijke indeling.
Dienaren behoren tijdens de liturgische plechtigheden niet het priesterkoor tijdelijk te verlaten om geld op te halen bij de gelovigen, een schaal met Heilige Hosties ergens heen te brengen, of dergelijke handelingen.
De celebrant en de diaken dragen albe, cingel, eventueel een amict (schouderdoek) en stool. De celebrant bovendien het kazuifel (soms de koorkap). De diaken bovendien de dalmatiek (soms een koorkap).
De dienaren dragen albe met cingel, zonodig een schouderdoek. Eventueel een toga met superplie. In bijzondere gevallen een koorkap.
Draag nooit alleen maar een toga, een gebedsmantel, of toga-achtig gewaad, met een stool daarover.
Een burgerpak is geen liturgisch kledingstuk, ook niet met een stool eroverheen.
Liturgische kleding behoort slechts te worden gedragen tijdens de eigenlijke liturgische plechtigheden, niet bij het begroeten voor de Mis van gelovigen aan de kerkdeur, noch bij het napraten nà de Mis.
Gebruik uitsluitend de officiële Latijnse, Nederlandse of Vlaamse liturgische boeken (altaarmissaals, lezingenboeken).
Vermijd het gebruik van allerlei mappen, boeken en boekjes, blaadjes en teksten van eigen of particuliere makelij.
Zorg er voor, dat het volk over misboekjes, zangboekjes of tekstboekjes kan beschikken, welke de officiële teksten en rubrieken nauwkeurig volgen.
De lezingen behoren altijd uit missaal of lezingenboek te worden genomen. Teksten uit andere boeken zijn niet geoorloofd.
Gebruik zoveel mogelijk op zon- en feestdagen het Eerste Eucharistisch Gebed (de Romeinse Canon).
Gebruik in de week het Derde of het Vierde Eucharistisch Gebed.
Gebruik het Tweede Eucharistisch Gebed zo weinig mogelijk, en zeker niet op zon- en feestdagen.
Gebruik nimmer een van de andere Eucharistische Gebeden, dat zijn die met hogere nummers. Gebruik evenmin de Hooggebeden bedoeld voor speciale groepen en aparte vieringen.
Laat nooit enig deel van het Hooggebed door het volk meebidden, ook niet de Kleine Lofprijzing (�Door Hem, en ...�).
De homilie moet worden gehouden door de celebrerende priester, of door een andere priester. Eventueel door de diaken. Niet door een leek - een pastorale werker en een pastorale assistent zijn leken.
De homilie moet uitleg geven over de lezingen van die dag en daarbij aansluitend over waarheden van geloof en zeden en over kerkelijke gebruiken.
De homilie wordt gewoonlijk gehouden vanaf de ambo, niet vanaf het altaar.
Laat nimmer mannelijke of vrouwelijke leken of religieuzen een homilie houden.
Wenst men andere zaken mede te delen, doe dat dan vóór of ná de Mis vanaf de ambo, niet vanaf het altaar.
Wenst men een religieus of religieuze of leek iets te laten zeggen of te laten vertellen, doe dit dan vóór of ná de Mis, vanaf de ambo, niet vanaf het altaar.
Laat slechts geestelijken (priester, transeúnte diaken) de Heilige Communie (de Heilige Hostie) uitreiken.
Vermijd altijd het uitreiken van de Communie onder twee gedaanten, ook bij huwelijksmissen. Men ontvangt het volledige Lichaam en Bloed des Heren onder de ene gedaante van brood. Het Heilig Bloed is speciaal bestemd voor de celebrerende priester.
Laat nimmer de Communie uitreiken door leken, en al helemaal niet door vrouwen of meisjes.
Vermijd de handcommunie. Als dit werkelijk niet mogelijk is, pas dan hiervoor uitsluitend de vorm van de 4e eeuw toe.
Geef uitsluitend de tongcommunie.
Laat de gelovigen bij voorkeur de Communie geknield ontvangen, tenzij ziekte, zwakte of ouderdom dit beletten.
Doe zakelijke mededelingen aan het volk onmiddellijk vóór de Mis. Eventueel onmiddellijk na de Mis. Nimmer tijdens de Mis.
Mededelingen moeten worden gedaan vanaf de ambo, niet vanaf het altaar.
Spreek geen inleidend woord bij het begin van de Mis.
Spreek geen slotwoord (voor de zegen) bij het einde van de Mis.
Houd geen inleiding bij de boeteritus.
Geef geen extra toelichting bij de lezingen. Lees niet de kopzinnen, die boven de lezingen zijn geplaatst, met de bedoeling hiervan een korte karakteristiek te geven.
Houd u aan de riten en rubrieken in de officiële boeken, zodat alle plechtigheden een voorspelbaar verloop hebben.
Vermijd nieuwerwetse gebaren of handelingen. Kies voor het bekende, traditionele gebruik.
Laat niet een van de lezingen vervallen.
Kies nimmer niet-bijbelse lezingen.
Laat geen gebeden achterwege.
Vervang gebeden uit het missaal niet door andere. Ook niet als ze op een blaadje staan, verstrekt door een officiële kerkelijke instantie.
Vermijd de tegenwoordige ziekte van de actualisatie, van de thematische vieringen, van het specialisme. Houd u aan het officiële missaal.
Laat de celebrant alle (tot God gerichte) gebeden zeggen met het gezicht gekeerd ad Dóminum, dat is naar het Oosten als de kerk ge-oost is, en dat is in de meeste van onze kerken met de rug naar het volk en het gezicht naar het (oude) tabernakel.
Laat de celebrant alle tot het volk gerichte begroetingen, uitnodigingen, aanheffen, lezingen, e.d. zeggen met het gezicht naar het volk.
Laat alle gebeden en handelingen plaats hebben aan het altaar, behalve de lezingen, de preek en de mededelingen, welke vanaf de ambo worden gehouden.
Gebruik de zetel slechts om op te zitten tijdens de langere gezangen, tijdens de lezingen (als men niet zelf leest), en tijdens het stil gebed na de Communie. Spreek geen gebeden vanaf de zetel.
Het is niet passend als priester(s), diaken en dienaren elkander de hand geven bij wijze van vredewens. Dat leidt de aandacht af van de zo pas geconsacreerde Heilige Gedaanten, die aanbeden moeten worden.
Priesters en diakens mogen nimmer het priesterkoor verlaten bij de vredewens om handendrukkend door de kerk te gaan. Dan blijft het Heilig Sacrament, dat alle aandacht en aanbidding vereist, vergeten achter.
Laat de gelovigen elkander beslist nooit de hand geven, nog minder elkaar kussen, als vredewens. Wil men per se de gelovigen iets laten doen bij de vredewens, laat hen dan een lichte hoofdbuiging naar elkander toe maken. Beter is het echter de vredewens voor de gelovigen geheel af te schaffen, als deze is ingevoerd. Immers alle aandacht moet uitgaan naar de Geconsacreerde Gedaanten.
Benadruk altijd het offerkarakter van de Heilige Mis.
Benadruk tevens, dat de Mis geen maaltijd is. De flinterdunne ouwel van de Heilige Hostie heeft niet het karakter van voedsel voor het menselijk lichaam, evenmin als de wat dikkere brood-Hostie. Bij een maaltijd ontvangt men voedsel voor het menselijk lichaam.
Maak de gelovigen duidelijk, dat de Communie geen maaltijd is in de gewone zin van het woord, maar �geestelijk voedsel� verschaft aan de ware en zondeloze gelovige, terwijl degene, die met zware zondeschuld is belast, zich een oordeel eet.
Bevorder zo veel mogelijk een sacrale sfeer in de kerk en tijdens de plechtigheden. Dit doet men door de geëigende inrichting van kerk en priesterkoor, door de vieringen mooi te verzorgen, door de traditionele handelingen, gebaren en gebeden te gebruiken, en door zich te houden aan de officiële boeken.
Vermijd alle teksten, gebaren en handelingen, waardoor de Mis op een gewone vergadering (van gelovigen) met voorzitter en toehoorders zou lijken. De kerk is geen vergaderzaal, maar het Huis van God, tevens een huis van gebed.
Bedenk, dat het protestante kerkgebouw een geheel andere functie heeft dan de rooms-katholieke kerk. Vele veranderingen in de inrichting van de katholieke kerken komen neer op een protestantisering.
Vermijd het gebruik van woorden als themadienst, jazzmis, beatmis, carnavalsmis, themaviering, kindermis, jongerendienst, bejaardenviering, e.d. Spreek slechts van DE Heilige Mis of van DE Heilige Eucharistie. Alle gelovigen, jong en oud, klein en groot, gezond of ziek, hebben recht op de ene onvervalste Heilige Mis, zoals deze door de Kerk is vastgesteld, en in de officiële liturgische boeken is te vinden.
Vermijd aparte kinderdiensten of zg. kindernevenvieringen. Kinderen horen bij hun ouders te blijven.
Behandel kinderen (liturgisch) niet anders dan volwassenen. Zo ook voor gehandicapten en bejaarden. Tegen een aangepaste homilie bestaat natuurlijk geen bezwaar.
Stel nimmer zg. eigen of themavieringen samen. Houd u aan het missaal.
Laat zg. liturgiegroepen, onderwijzend personeel en catechetische groepen niet de vrije hand bij communievieringen, bij vormsels, bij boetevieringen, bij jubilea, e.d. Houd u aan het missaal.
Met name bij plechtigheden ter gelegenheid van de Eerste Heilige Communie en het Heilig Vormsel: Houd u aan het missaal.
Laat huwenden niet de vrije hand bij het samenstellen van zg. huwelijksvieringen. Houd u aan het missaal.
Laat gebeden en riten van uitvaarten niet samenstellen door de familieleden. Houd u aan het missaal.
Zie er op toe, dat uitvaartplechtigheden liturgisch niet ontaarden in overdreven lofprijzingen op de overledene. Houd u aan het missaal.
Vermijd altijd het ten gehore brengen van mechanische muziek (bandjes, cd�s, e.d.) met nummers geliefd bij de overledene, of de jubilarissen.
Vermijd het om familieleden van jubilarissen of overledenen voorbeden, gebeden, openingswoorden, dankwoorden, of speeches te laten houden tijdens de plechtigheden. Onverstaanbaar gestamel, afgeraffelde snelbeden, emotionele woorden, en wenende mensen bederven de plechtigheid.
Laat alle sacramentele vieringen (doopsel, vormsel, huwelijk, ziekenzalving, boete, uitvaart, jubilea) verlopen volgens het missaal.
Beperk concelebratie tot dát aantal priesters, dat, staande aan het altaar - ongeveer met het gezicht gekeerd ad Dóminum, dat is naar het Oosten als de kerk ge-oost is (en dat is gewoonlijk met de rug naar het volk) - het altaar met gestrekte arm aan kan raken. In de meeste gevallen zal concelebratie dan met maximaal 3 tot 5 priesters mogelijk zijn.
Vermijd zo veel als mogelijk is gebedsdiensten, woorddiensten of woord/communiediensten te houden als vervanging van de Mis. Zolang er een (eméritus) priester (van ver) kan komen, heeft de Heilige Mis altijd oneindig vele malen de voorkeur.
Laat nimmer leken de leiding nemen bij gebedsdiensten, woorddiensten, of woord- en communiediensten, die als vervanging van de Mis zijn bedoeld. Een pastorale werker is ook een leek. Een pastorale assistent is ook een leek. Zoek een diaken om de bedoelde vieringen te leiden, als er geen (gepensionneerde) priester (van ver) kan komen om de Mis op te dragen.
Ook alle andere gebeds- en woorddiensten, die niet als vervanging van de Mis zijn bedoeld, moeten door een diaken of priester worden geleid.
Geef de voorkeur aan de structuur en de gebeden van de kerkelijke getijden (de liturgie van de uren), geleid door een diaken, in plaats van aan een woord-communiedienst, als er werkelijk geen priester kan komen. De meeste geschikt getijden zijn de lauden voor de morgen en de vespers voor de namiddag en de avond.
Laat geen ander instrument dan een pijporgel, of een klassiek electronisch orgel (dus geen zg. keyboard), klanken voortbrengen.
Draai nimmer geluidscasettes of CD's in de kerk, ook niet die met Gregoriaanse of klassieke zang of muziek.
Laat koren en solisten uitsluitend echt godsdienstige gezangen zingen. Vermijd het om klassieke of moderne, niet waarlijk religieuze, muziek ten gehore te brengen.
Laat koren zoveel mogelijk Gregoriaans zingen. Iedereen kan Gregoriaans leren zingen, ook kinderen. Deze traditionele zang van de Kerk heeft altijd de voorkeur boven landstalige zang.
Een Heilige Mis is geen concert. De zang of de muziek mag nooit overheersen. De zang moet in feite gezongen gebed zijn, zoals het Gregoriaans van nature is.
Stel een zangkoor nooit op het priesterkoor op, en nooit vooraan in het midden van de kerk, in het zicht van het volk, tenzij er ter plaatse een andere oude traditie is - van vóór 1965 - bijvoorbeeld omdat er aan de zijkanten van het priesterkoor koorgestoelte is opgesteld. Maar ook dan mogen er slechts jongens en heren in lirurgische kledij tijdens de diensten daar aanwezig zijn.
Plaats een zangkoor nooit in het directe brede gezichtsveld van de gelovigen.
Plaats een zangkoor - indien dit voor in de kerk staat - in een zijbeuk of zijgang, buiten het directe gezicht van de gelovigen. Gaat dit niet, plaats het dan achter in de kerk op het oksaal.
Plaats een zangkoor niet op of nabij de lengte-as van de kerk, wel op het oksaal, als dat beter past.
Iedereen, die de kerk binnengaat, behoort zedig gekleed te zijn, ook als het 's-zomers warm is. Voor mannen betekent dit een lange broek, sokken, en een overhemd met lange of halflange mouwen, aan de hals hoog gesloten. Dus geen strakzittende kleding, geen korte noch driekwart broek, geen armen bloot tot de schouders, geen uitdagende dessins, geen blote voeten in sandalen.
Voor vrouwen betekent dit een lange of halflange rok (tot ruim over de knie) en een bloes of trui met lange of halflange mouwen, aan de hals hoog gesloten. Of een soortgelijke jurk of kleed. Dus geen korte broek, geen lange broek, geen korte rokken, geen minirokken, geen leggings, geen doorkijkbloezen, geen doorzichtige kledingstukken, geen korte mouwen, geen strakzittende kleding.
Het is een zeer oude traditie, dat de mannen het hoofd in de kerk onbedekt hebben, en dat de vrouwen dit bedekt houden met een hoed, muts, sjaal of mantilla.
Zie er op toe, dat geestelijken, dienaren en het gelovige volk zich in de kerk met de nodige eerbied en ingetogenheid gedragen.
Zie er op toe, dat men zich bij het komen en gaan bekruist met wijwater.
Bevorder, dat men knielt bij het binnenkomen van het godshuis, of bij het in de bank of op de stoel plaats nemen, en ook bij het verlaten van de kerk.
Zie er op toe, dat men knielt bij het voorbijgaan van het tabernakel met het Heilig Sacrament.
Vermijd gelach en gepraat, begroetingen en handenschudderij, en alle luidruchtigheid in de kerk.
Streef stilte en een sfeer van gebed na.
Jan A. A. van der Wulp