De citaten werden hoofdzakelijk geselecteerd naar het belang, dat zij hebben voor de toestand van onze dagen. Ze werden in de chronologische volgorde van het boek opgenomen. Veel van de oudere visioenen betreffen de Tweede Wereldoorlog maar de latere slaan merendeels op de tribulaties van onze dagen.
DEEL II
Pag 205 tot 206
Nog twee anderen hadden hetzelfde visioen van de Passie. Het teken voor het westen.
Dat grote wonder, dat grootse drama, het grootste en verhevenste aller tijden, had zich op hetzelfde ogenblik dat wij het hadden mogen zien, nog op twee andere plaatsen in de wereld herhaald. Op een zolderkamer in een andere plaats, waar de zienster een vrouw was die te bed lag met rond zich twee andere vrouwen, die dat gebeuren gans onwaardig waren en die maar babbelden en niets van dat verheven drama schenen te begrijpen. Ook nog op een derde plaats waar vier personen tegenwoordig waren, die wel volgden maar niet met al te veel eerbied.
Eindelijk zegde ze nog: binnen weinige dagen zal ik een teken krijgen, als bewijs van wat over de wereld zal gaan neerkomen: de straffende hand die reeds lang aangekondigd is. De wereld is verloren, de mensen hebben niet willen luisteren. Let maar goed op, of ge dat teken ook niet zult zien. Toen ik dan op Pasen bij haar kwam zei ze mij, dat ze het teken had gekregen, en dat we er over een paar dagen wel zouden over horen.
Het gebeurde op Pasen 1940. Het waren, de zogezegde electrische golven waarover hierna nog enkele woorden volgen. Hiermede zijn eigenlijk de bijzonderste visioenen meegedeeld vanaf 18 december 1933 tot en met het visioen van Goede Vrijdag 1940. In de korte tijdspanne die nog overblijft tot en met de bezetting van de westerse landen, nog slechts gesproken worden over wat ik nog door Leonie vernam, en met de volledige bezetting van het westen. Dat zal dan ook het einde zijn van het tweede tijdperk in haar leven.
6. Aetherstoornissen over heel de wereld. Voorteken en bevestiging van wat er gaat gebeuren.
De vijf personen die op Goede Vrijdag bij Leonie getuige waren geweest van haar visioen, hadden dus vernomen dat ook België niet ontsnappen aan de oorlogsgruwel. Bij een gewoon mens wordt de betekenis van een visioen niet onmiddellijk in zijn volle diepte begrepen. Iedereen die dat heeft gezien en gehoord, maakt er zichzelf een eigen denkbeeld van, dat later ver van de werkelijkheid blijkt te zijn, dit ook hier het geval. Spijts het feit dat we allen duidelijk gehoord hadden dat de oorlogsramp over ons zou komen, bleef in ons toch nog de hoop levendig dat we eraan zouden ontsnappen.
Toen ik echter hoorde dat Leonie een teken ging krijgen ter bevestiging, drong dan pas de werkelijkheid bij mij door. Het teken zou de bevestiging zijn dat het nu spoedig zou gaan gebeuren. Voor we dag vertrokken had ze mij gevraagd, goed uit te kijken om te zien of ik het teken ook niet zou ontwaren. Vrijdag- en zaterdagavond ging ik er mij van vergewissen of er niets waar te nemen was aan de hemel, maar ik zag niets.
Op Pasen was ik bij Leonie en bij mijn binnenkomen vroeg ze me onmiddellijk: wel hebt ge 't gezien? Ik keek haar verwonderd aan, en ze hervroeg nog eens: hebt ge niets gezien? Waarop ik ontkennend antwoordde. Wel, zegde ze, ik heb het over geheel de wereld zien neerdalen, het waren als golven die over de aarde uitgestort werden, lichtende schichten die in alle richtingen de aarde in een web omprangden, en bij iedere golf schoten steeds nieuwe schichten toe. Dat waren de zogenaamde elektrische golven (magnetische stormen), die storingen over de hele wereld veroorzaakt hebben, hier en elders, maar in Amerika moet het nog erger geweest zijn. Die golven werkten zeer krachtig in op het telefoonnet, de telegraaf, de radio, enz. en brachten zulkdanige stoornissen teweeg, dat het volk in Amerika met panische schrik bevangen werd, zodat alle personeel van deze diensten evenals de politie heeft moeten tussenkomen om het volk te kalmeren en gerust te stellen.
Deze maal was het aangekondigde teken niet het zogezegde "noorderlicht", zoals we in januari 1938 hadden gezien, maar wel deze elektrische golven, die van in de vroege morgen, en dat gedurende meerdere uren, de aarden bestormden, terwijl de mensen door de klaarte van het daglicht er niets konden van zien.
Leonie zegde me later dat ditzelfde teken zich herhaalt, dan eens hier, dan daar. Dat is het derde teken: de elementen van het uitspansel komen in beroering, teken dat niet op voorhand aangekondigd is geweest, noch door de pers noch door de radio. Leonie had me verboden er met iemand over te spreken en ik heb me dus beperkt met neer te schrijven wat ik er over vernam. In verband hiermee, moet ik zeggen dat dit feit voor mij weer een tip oplichtte van het gordijn, waarachter onze gedachten en denkbeelding onmogelijk kunnen doordringen zoals ook de volgende feiten aantonen.
Pag 227 tot 229
2. Voorspellingen over het einde van de oorlog. De priesters moeten méér bidden! Na de oorlog zal het terug herbeginnen, ook op 't onverwachts. Drie vierden van de mensen zal verdwijnen. Het einde is nabij.
Zoals Leonie had gevraagd, ging ik dus met mijn echtgenote vergezeld van mijnheer en mevrouw S.D.R., de zondag op bezoek , bij Nieke. Het kwam natuurlijk onmiddellijk over de oorlog ter sprake, nu dat het hier voor ons gedaan scheen; en die heer en zijn dame wilden weten hoe dat later zou eindigen. Leonie antwoordde welwillend met volgende woorden: de oorlog zal snel eindigen zoals hij bruusk is begonnen. Alles hangt af van de gebeden van het volk. Indien het volk tot inkeer komt kan dat de rampen verkorten. De gebeden moeten de vrede bespoedigen. Dan gaf ze twee tijdstippen waarop het kon eindigen: of bij het bloeien van de rozen of ook in volle wintertijd.
Nieke voegde daar onmiddellijk aan toe: spijtig genoeg bidden de priesters niet mee, of ze doen het toch niet genoeg. Jezus had haar gezegd dat hij er andere zou verwekken. Uit wat ze vertelde kon evenwel opgemaakt worden dat er eerst nog heel wat zou moeten gebeuren vooraleer we vrede zouden hebben.
Daarmee is echter alles nog niet gedaan. Na de oorlog maakt men onmiddellijk weer kanonnen. Er zullen zich weer andere gebeurtenissen voordoen, opnieuw bruusk en onverwachts. De mensen zullen in een lange tijd geen rust meer hebben; het ene zal nog bezig zijn als het andere hen reeds zal overkomen. Geweldige zaken moeten nog gebeuren. Drie vierden van de mensen moeten weg, moeten verdwijnen; uit het overschot, dit is de besten, zal God voor de laatste tijd, een andere wereld opbouwen.
Een persoonlijke opmerking dringt zich hier op. Later zal men bemerken dat de toestanden opnieuw zullen gewijzigd zijn. Inderdaad: terwijl de volkeren van Europa zo zwaar geteisterd worden, bracht deze kastijding voor hen die het beter hadden, geen verbetering. Integendeel, men dwaalde niet alleen verder af, maar het volk ploeterde steeds meer voort in het kwaad, dat op schrikbarende wijze toenam. Bij het uitspreken van deze woorden, schrikten de heer en mevrouw zienderogen, we waren nu pas veertig begonnen en het zou moeten vijftig worden voor het gevaar zou geweken zijn (van deze straftijd, d.i. de oorlog die bezig is). Leonie kwam onmiddellijk tussen en sprak: alles hangt af van het volk. Is er in 't algemeen verbetering dan kan er wat rust komen. Nochtans, veel moet niet meer verwacht worden, want de wereld gaat stilaan naar zijn einde. Of schoon niemand onder u het einde zal zien.
In 1937, toen we samen van de kapel kwamen, hield Nieke me plots staande op straat en zegde: het kan niet zoveel jaren meer duren met het bestaan van de wereld. In 1941 sprak ze zich ook zo uit, en in 1946 sprak ze weer in dezelfde zin of het een kwestie van jaren was. Het is eigenaardig dat daarover nooit een vraag werd gesteld en als Leonie er over sprak scheen dat voor haar telkens de eerste maal te zijn, dat ze daarover een mededeling deed. Later komt ze daar niet meer rechtstreeks op terug maar spreekt even duidelijke taal. Dat zal in het volgende tijdperk behandeld worden. Als we in de late namiddag samen naar huis terugkeren, was de moed van mijnheer en mevrouw zeer laag gezakt. Die dachten maar steeds dat de oorlog nog zolang zou duren.
Pag 232 tot 246
6. Vizioen van de epidemie te Rome en over de hele wereld. Het einde van de oorlog. De opgang naar Onkerzele. Het grote mirakel en het einde van de epidemie.
Reeds nu zag Leonie in visioenen wat ging voorvallen in een nabije of nog ver verwijderde toekomst. Bij bezoek vertelde ze me in de voormiddag: ziekte te Rome! Het was toen einde september of begin oktober 1940. Het was opnieuw over de oorlog te pas gekomen en Leonie vertelde: ik zag in visioen de stad Rome. In deze stad zag ik vele soldaten; de enen gingen door de straten her en der; de anderen stonden op wacht, overal, met het geweer aan de voet. Opeens is het of zich van de soldaten een zekere moeheid meester maakt. Hun aangezicht verandert. 't Is juist of ze zeer onrustig worden. Opeens legt er een zijn geweer ter zijde en legt zich neer, zonder te zien hoe of waar hij ligt. Spoedig volgen anderen zijn voorbeeld, zonder dat ze weten waarom. Weldra hebben ze de tijd niet meer om hun geweer ter zijde te leggen; ze vallen er mede; ze vallen op hopen, ook deze die in de straten zijn zonder op wacht te staan. Weldra liggen ze langs alle kanten, en in de straten liggen ze op hopen. Burgers liggen ook her en der. Nu volgt er een grote gejaagdheid onder de overblijvenden.
Nu zie ik heel de wereld, zegt Leonie, en overal zie ik hetzelfde schouwspel. Overal.lijken, ganse hopen, doden in massa. Dat was het visioen van een ziekte-epidemie die God over de wereld had laten neerkomen, indien de volkeren zich niet bekeren en tot inkeer komen. Leonie voegde er nog bij: buigen zullen ze, buigen, tot op de grond. Iedereen zal buigen en de vinger Gods erkennen. Even snel als ik de ziekte-epidemie over de wereld zag komen, even snel zal.ook deze oorlog eens eindigen. Als dat gebeurde, zag ik alleman de vlucht nemen en zich opsluiten waar ze konden; ten prooi aan grote vrees. Dan zag ik hele groepen mensen, groten en kleinen, rijken
en armen ondereen, hun verschrikte schreden richten, naar Onkerzele Van overal zag Ik ze komen langs wegen en banen naar het heiligdom alhier. Ik zag ze voorbijtrekken als opgejaagd door de schrik; steeds omkijkende, juist of er hen iets vreselijks op de hielen zat. Hun wezens waren verwrongen; ze liepen meer dan ze gingen, ze huilden meer dan ze spraken. De gebeden werden van schrik luide uitgehuild. ´t Waren juist allemaal bezetenen; zo'n schrik had ik nimmer gezien. Deze schimmen waren gans uitgemergeld, als levende geraamten. 't Is dan dat iedereen zal buigen, de meest onwillige zal de vinger Gods moeten erkennen. Buigen moeten ze, allemaal, en die niet zal willen bukken, die niet zal buigen, zal erbij verdwijnen. Heel de wereld zal Gods hand voelen en ook erkennen.
Als dat daar nog later over te pas kwam, vertelde Leonie mij nog : alhoewel ik de ziekte over de wereld heb zien komen, in visioen, bevond ik mij hier in deze plaats (haar salon), en stond voor het venster en zo zag ik die hullende, opgeschrikte, vluchtende massa hier voorbijkomen, recht naar de kapel. Ik weet dat ik dan reeds dood zal zijn, maar ´t was juist of ik dat werkelijk met mijn ogen zag gebeuren, zoals ik hier nu sta. Als dat zal gebeuren, dan zal ginder omhoog (aan de kapel), iets heel wonderbaars voorvallen, een groot mirakel, waarbij de ziekte-epidemie zal ophouden. Het wonder te Onkerzele is meteen het einde van de epidemie. (1)
---------------------------------
(1) Pest duidt elke besmettelijke ziekte welke levensgevaarlijk is. Officieel: de Pestziekten. Groot mirakel is mogelijk het ontspringen van een geneeskrachtige bron waardoor pestzieken" genezen worden en de plaag ophoudt.
------------------------------------
7. Het grootste kwaad in de wereld: geldzucht en ontucht, godslastering en misverzuim; heiligschennissen in Gods huis en medeplichtigheid van de geestelijken. Nakende straffen. Oproep tot boete.
‘s Namlddags sprak Leonie over het grootste kwaad in de wereld. Ze had er de gevolgen van gezien en ze zegde: heel de wereld is aangetast door de geldzucht. Het gouden kalf wordt weer aanbeden. Iedereen maakt jacht op dat stinkende, vervloekte geld. Groot en klein, rijk arm zijn er door aangetast. De grootste en grofste ongerechtigheden worden er voor gepleegd. Haat en nijd zijn er de gevolgen van, alsmede moord en doodslag. Iedereen verzuimt zijn plichten; naastenliefde wordt op spot onthaald; velen verhongeren; anderen denken hun hemel op aarde te bezitten; hovaardig verheffen ze zich boven het volk, zo geestelijken als wereldlijken; ze tonen zich waar ze best wegbleven.
Zo sprak de Heer: Wee, wee, wee, de onrechtvaardigen. Haar blikken in de verte gericht, vervolgde ze: en wat zal er overblijven van dat onrechtvaardig geld opstapelen? Een hoop vuil (puinen), en daaronder hun vervloekte geld (door revolutie of oorlog waarbij de rijken het zwaar zullen moeten ontgelden). Aan dat alles komt vlugger een einde dan er velen wel denken.
Leonie vervolgt en spreekt nu over de ontucht: alle lagen van de maatschappij zijn er door aangetast: kinderen, ouders, kleinen, groten, rijken, armen, zelfs de geestelijken vergrijpen zich soms schandalig genoeg daaraan. Geheel de wereld ligt verzonken in die stinkende poel. Zo sprak de Heer: indien Mijn dienaren zich daarvan niet gaan onthouden, zal ik Mij verplicht zien, ze van het altaar weg te donderen. Ze zullen streng rekenschap geven voor hun gewijde vingeren die ze zo vaak bezoedelen. Wee de onkuisaards! ook de straf voor de ontucht komt weldra, de schifting zal met strengheid geschieden. Hij zal wannen tot er alleen zuivere zielen overblijven. De straf die ik daarvoor gezien heb is allerverschrikkelijkst.
Leonie gaat nog door over de zonden van onze tijd: godslasteringen en misverzuim zijn wel het allergrootste kwaad. Deze grove en allergrootste zonde is rechtstreeks tegen God zelf gericht. Dat het volk ophoude, want de wrekende arm (van God) is reeds opgeheven om toe te slaan. De uitverkorenen zullen dubbel moeten boeten, om Gods gramschap tot bedaren te brengen, en helaas, het mag niet baten: ´t kwaad wordt te groot, het volk vloekt er maar op los. De onverschilligheid is gaandeweg vermeerderd en neemt steeds meer toe. De zondagsmis wordt om een kleinigheid nagelaten: ze hebben te lang geslapen, ze hebben zich te goed en te laat vermaakt, ze hebben geen tijd, of ze zijn te moe, ze moeten te vroeg op reis of op uitstap.
En dezen die nog gaan, gedragen zich op onbetamelijke wijze in Gods tempel. 't Is daar juist een handelshuis geworden of een herberg. Er wordt daar van alles gedaan, behalve eerbiedig zijn. De enen staan daar te kijken met de armen achter de rug, juist als op een kermis, anderen leunen achteruit met de stoelen, terwijl ze giechelen en zotte en onbetamelijke praat vertellen. Vrouwen en jonge dochters komen er pronken in hun mooie maar verderfelijke kledij. En de ogen strak in de verte vervolgt Leonie: onzedig gekleed gelijk in de slechte huizen, komen ze daar God tergen op een afgrijselijke manier. Ze trekken de aandacht van mannen en jongelieden op zich, door hun onbetamelijke en zedeloze houding en manieren en door te verregaande ontblotingen.
De geestelijkheid laat maar begaan of toont zich te onbekwaam of te zwak, om tegen deze duivelse praktijken, in Gods huis, stroom op te roeien!... Dat het volk ophoude, spreekt de Heer, Mijn geduld is ten einde! Als deze tergende, godslastenende zonden niet ophouden en er niet snel en afdoende mee gebroken wordt, als de geestelijkheid het roer niet omgooit, ploft Gods wrekende arm weldra neer. 't Kwaad wordt te groot; de zweep is reeds in Zijn hand en zal weldra over het volk neerkomen. Wee dan de wereld! Wee! Driemaal wee! Doet boete, boete, boete, of 't is met alles gedaan! Gods vrijwillige slachtoffers kunnen de wrekende arm niet meer tegenhouden; Hij maakt zich gereed om toe te slaan. Boete, boete, want morgen is het te laat; verzekert uzelf!
2de HOOFDSTUK
Leonie getekend door de H. Kruiswonden. Mystieke H. Communie. Gebrek aan geestelijke hulp. Grote oorlogsellende. Nood aan gebed en boete. Grootheid van Onkerzele. Groots visioen over de geestelijkheid, God zelf behoudt zijn gezalfden een bijzondere straf voor. Profetie over de dood van pater Balduinus, benedictijn, ook een slachtoffer voor de wereld.
1.. Leonie getekend door de Heilige Kruiswonden. Haar kinderen blijven onwetend.
In september had Nieke me reeds gesproken over zeer hevige pijnen die ze te verduren kreeg in haar handen en voeten. Ze had me haar handen reeds enkele malen getoond en de pijnen leken haar verschrikkelijk zwaar. Haar voeten deden haar zoveel pijn, dat ze meestal gans de dag op haar kousen liep, ofwel om de koelte van de grond te voelen of wel omdat ze haar pantoffels niet meer kon verdragen. Veelal hield ze de voeten van de grond geheven. Nieke wist meer dan ze mij zegde. Ik dacht wel aan haar overgrote pijnen, zonder evenwel verder te denken. Op een van mijn bezoeken zat ze in haar zetel, ze scheen op mij te wachten. Ik was maar even binnen en ze kloeg van grote pijnen in de voeten, en ze vroeg of mij niets opviel. Het scheen mij toe dat beide voeten licht gezwollen waren, de ene voet wat meer dan de andere. En dan zegde ze, dat de wonden opengegaan waren, en dat ze bloed verloren had Verschrikt en aangedaan zag ik nu klaar: Leonie was getekend met de voetwonden. Dat is voor zover ik weet slechts éénmaal voorgevallen aan beide voeten tegelijk. Wat later was de wonde aan een van de voeten nogmaals open, maar daarna had ze wel nog dezelfde pijnen aan beide voeten, maar de wonden bleven gesloten.
Doorboorde handen.
Met de handen was juist hetzelfde gebeurd. Plots zegde ze: kom, ge moet niet bang zijn, tast eens aan mijn handen. Bang was ik in 't geheel niet, maar ik vond mij onwaardig met mijn handen, de hare aan te raken, die reeds getekend waren. Kom, sprak ze, voel maar eens. Ik kon niet langer weigeren en terwijl ze met de linkerhand de vingers van de rechterhand openmaakte, zag ik voor de eerste maal in de handpalm een diepe put, van de ene rand tot de andere, zeker vier centimeter middellijn. Kom, zei ze, tast maar eens, en ze nam zelf mijn hand en legde mijn duim in haar handpalm en mijn wijsvinger langs de buitenkant van de hand en ik voelde met mijn vinger, mijn eigen duim dwars door haar hand heen geen vlees meer! Ik was fel aangedaan, een (eigenlijke) wonde zag ik echter niet. Ze zegde me dat de wonde drie dagen geleden was opengegaan en tamelijk veel had gebloed. Haar handen schenen stijf te staan, d.w.z. haar vingers en duimen waren naar de palmen toe getrokken, en zo zat ze daar die dag, heel de tijd dat ik bij haar geweest ben.
Bij een volgend bezoek moest ik opnieuw naar haar handen kijken en deze maal was de wonde, en het was zeer duidelijk merkbaar, reeds overdekt met een zeer dun vlies, het vel, maar zo licht dat ik er bijna niet durfde aan te komen, en toch verzocht ze me om het voorzichtig eens te betasten. Op dat ogenblik was mijn hart met medelijden vervuld voor dat tere, uitgemergelde Nieke, dat zo'n verschrikkelijke pijnen moest doorstaan. De handwonden zijn verscheidene malen open geweest, maar deze van de rechterhand nog meer dan deze van de linkerhand. Later is dat niet meer gebeurd, maar de put in de rechterhand heeft ze geheel haar verder leven behouden. Bij de linkerhand was de put minder groot.
De bloedende zijdewonde.
Haar kinderen onwetend.
Weinig later had ze ook de zijwonde. Deze heeft ze behouden tot bij haar dood. Uit de zijdewonde heeft ze zeer veel bloed verloren; ik heb dikwijls bebloede doeken gezien, die ze mij toonde. Eens kwam ik binnen op een namiddag en de wonde kon nog maar even open zijn geweest, want ze stond nog bij de kast, alsof ze haastig een handdoek had moeten grijpen, en de bloedvlekken erop waren nog vers en helderrood. Heel de handdoek was bevlekt, met tussen deze vlekken grotere en kleinere bloedspatten, het was als kwam het bloed er uit gespoten, zoals ze me zegde. Ik en ook mijn echtgenote hebben destijds van Leonie zo'n stuk bebloed linnen gekregen, en er zijn ook een vier - à vijftal vrienden die zulk een stukje linnen hebben gekregen van Leonie. Maria heeft de zijdewonde van Leonie enkele malen mogen betasten, en ik hoorde van drie, vier dames zeggen dat ze dat ook eens hadden mogen doen.
Velen van de vrienden verstonden maar niet dat Leonie´s kinderen niets van dat alles wisten. Ik heb reeds verteld, dat als ik bij Leonie was, haar kinderen buiten gingen, zodat ik telkens met haar alleen was. ´t Is dikwijls gebeurt dat Leonie hen beval weg te gaan, en dan kwamen ze niet terug zolang ik er was. Wat ikzelf en mijn echtgenote en ook enkele vrienden hebben gezien, ik zeker tientallen keren, was, dat als Leonie tekenen had van een op komst zijnde visioen, het juist was of haar kinderen als door een onzichtbare hand uit het huis verdreven werden. Slechts bij de dood van hun moeder, toen Leonie opgebaard werd, schrok haar dochter Marieke, toen ze dat teken onder moeders borst bemerkte, waarbij ze medelijdend sprak: och, wat moet onze moeder toch geleden hebben.
2. Leonie's onophoudelijk nachtelijk gebed. Mistieke H. Communie thuis in de Kerstnacht. AIIeen voort tot het einde!’ zonder geestelijke steun. Onbekwame priesters, maar God zal er andere scheppen. Tweede H. Communie in de kerk.
Bij mijn bezoek aan Nieke op Kerstdag 1940 had ik haar in een korte tijdspanne reeds viermaal hetzelfde horen zeggen: zonder broeder- of zusterhand voort, tot het einde, en telkens ze dat zegde, weende ze. Zoals gewoonlijk vroeg ik niets, ze kende mij op dat punt door en door. Ik wachtte dus af.
Eindelijk vertelde ze dan wat in de late avond van de vorige dag was voorgevallen. Omtrent half elf s´nachts, zoals ze reeds gewoon was, was Nieke bezig, zittende in haar bed, de rozenkrans te bidden Tot en met het uitbreken van de oorlog sliep ze op de blote vloer voor het venster in haar salon; dus ongeveer zeven jaar. Sedertdien deed ze dat niet meer en ging te bed, niet om te rusten of te slapen maar om te bidden. De hele nacht bracht ze zittend door en bad steeds rozenhoedjes, voor dezelfde intenties als vroeger, toen ze nog op de stenen lag.
Zo zat ze nu weer te bidden, toen er almeteens een klaarte in de kamer komt die steeds toeneemt en zelfs zo hevig wordt, dat Leonie de ogen moet neerslaan. Opeens gaat de klaarte open en door een gerucht gewekt, sloeg ze de ogen op en zag op een afstand, volgens haar schatting vijf tot zes meter, voor zich, een altaar waaraan een priester in misgewaad, het heilig Misoffer opdroeg. Haar kamer was verzwonden en van haar bed bleef er geen spoor meer, alhoewel ze steeds in zittende houding bleef Zonder iets te zien rondom zich, hoorde ze geen aardse maar wel hemelse stemmen zingen, voor en naast haar. Ze verstond niets van dat gezang maar het was hemels schoon. De gezangen begonnen op hetzelfde ogenblik dat ze de celebrant aan het altaar zag staan, juist na de consecratie.
Ze volgde de priester die aan het altaar stond, zonder ook maar eénmaal hem in zijn gelaat te kunnen zien. De hemelse stemmen zongen steeds voort, en zo vorderde het heilig Misoffer, totdat de nuttiging aanbrak. Nu zwegen de zingende stemmen, en eén enkele stem prevelt de gebeden voor het uitreiken van de heilige Communie. Op dat ogenblik komt in haar een hevig smachtend verlangen naar Jezus, die daar in de Heilige Teerspijze aanwezig was. Ze deed juist als anders bij het communiceren, doch ze was nu veel vuriger. Ze vouwde haar handen zoals gewoonlijk doch, deze worden zacht van elkander gedaan en op een voor haar ongewone wijze terug samengevouwen zoals weleens sommigen doen. Onder het denken en prevelen van: Heer, ik ben niet waardig, hoort ze een lichte stap naderen, naar haar toe. Haar verlangen groeide uitermate; ze verheft het hoofd, en ziet en ziet in een ovaal de celebrant met de baard tot aan de lenden, terwijl deze haar de Heilige Teerspijze op de tong legt. Zo goed wist ik wat ik deed, zegde ze, dat ik Zijn vingeren aan mijn onderlip voelde, want ik heb nog met mijn lip tegengedrukt om beter te voelen. Ik hoorde de stap zich opnieuw verwijderen en naar de duur ervan te horen, scheen het veel verder te zijn dan ik aanvankelijk had gezien. Zo bleef ik, ik weet niet hoelang, in een zalige stemming en vroeg en vroeg nog, tot ik de bekende stem hoorde die tot mij sprak om bij het einde te zeggen: voort in het leven, zonder broeder- of zusterhand, voort, tot het einde.
Leonie wacht tevergeefs op geestelijke leiding.
Onbekwaamheid van vele priesters.
Leonie's harde boete voor de wereld.
Dat greep mij zeer aan, zegde Nieke nog, want ge kunt niet geloven, hoe droevig het is, zonder geestelijke steun te blijven. Ik heb zo menigmaal gesnakt naar geestelijke opbeuring, en 't was, o, zo zelden, dat ik wat steun kreeg. Nu moet ik voortaan tot het einde toe, verlaten blijven, zoals het tot nu toe geweest is. Maar wie zou mijn geestelijke leider geweest zijn? In plaats van geestelijke hulp of opbeuring te mogen ontvangen, moet ik zelf nog het pak, van zij die hier overbeladen bij mij komen, op mij nemen. Ze komen, ten einde raad, dat pak hier nogal gaarne afzetten, en dan moet ik beginnen met hen zelf op te beuren, hen te versterken, hen op hun plichten te wijzen.
Ze zijn onbekwaam om mij geestelijke steun te geven en zo sta ik steeds alleen met dat gruwelijke, zware pak van de zonden der wereld waarvoor ik reeds zolang boet, en mijn lichaam kastijd. Ik heb veel gevast en veel honger geleden, totdat ik geen druppel bloed meer in mijn lichaam had. Ik heb geslapen, nachten zonder tal, hier beneden op de blote vloer, en boven voor mijn bed, in een deken gerold. En de zondenlast van de wereld verzwaart nog steeds. Ik heb dikwijls gedacht dat ik nu zou bezwijken, maar ik mag niet. Jezus' kruis drukt nooit te zwaar; Hij zal u nooit overladen. Maar zo gans alléén, zonder de minste hulp, zonder een woord van troost. En nu weer op een nieuwe kerfstok vooruit, het einde is er nog altijd niet, nog veel zwaarder zal de last drukken; doch, ik lijd gaarne, maar een opbeurend woordje zou zo welkom zijn. Wie zou mijn geestelijke leider kunnen zijn? Ze zijn immers zelf als blinden, en zo sukkelen ze in hun gewoon gangetje voort langs de levensbaan. Neen, nu heb ik ze niet meer nodig, zolang zal het nu wel niet meer duren. En hoe pijnlijker mijn lijden, hoe groter de last, hoe zwaarder het kruis, hoe eenzamer en verlatener, hoe groter ook mijn triomf zal zijn. Ze zullen na mijn dood wel weten wie ik was. Nu echter moet Gods wil geschieden.
Verscheidene malen hoorde ik uit de mond van Leonie die woorden: het is onnodig te spreken, God zal wel handelen, ze (d.i. de priesters) zijn onwaardig geworden en God zal er andere scheppen, die in hun plaats zullen komen. Zwijg daarover zolang ik leef. Na mijn dood zult ge er mogen en moeten over spreken.
Leonie communiceert in de kerk.
Toen ik op Kerstdag naar de kerk ging en de heilige Communie ging uitgereikt worden, kwam er weer een zo groot verlangen in mij op om Jezus in mijn hart te ontvangen. Ik was mij aan het gereed maken om naar de communiebank te gaan, toen ik ineens dacht dat ik reeds 's nachts de heilige Communie had ontvangen, en mijn hart verlangde zo naar Jezus. Ik bleef op mijn plaats en ging weer op mijn knieën zitten, toen ik plots een stem hoorde die me zegde: dat was niet van deze aarde, en onmiddellijk verdween mijn twijfel, en ik ging te Communie. Toch heb ik er daarna nog aan gedacht, en de twijfel keerde terug in mijn hart. Ik ging dan naar de biecht, waar ik het voorval bekend maakte, maar de biechtvader zei dat ik daar niet meer moest aan denken, en dat ik goed gedaan had, want dat Onze Lieve Heer inderdaad 's nachts op een geestelijke wijze in mij was gekomen, en dat dit niet hetzelfde is als we hier te Communie gaan. Wel, zegde Leonie, nu ben ik toch gerust. Wat ik ook nog wil doen opmerken is het feit dat Leonie, spijts de hevige pijnen in de voeten, zo dikwijls ter kerke ging als het mogelijk was. In de vastenperiode kon ze er onmogelijk nog naartoe gaan, wegens de verschrikkelijke pijnen, en 't is dan dat Onze Lieve Heer zelf tot haar kwam in haar huisje. Vanaf september 1943, is ze echter nog maar zelden naar de kerk geweest.
2. Drukkende oorlogsellende. Gebed en boete het enig voorbehoedmiddel. De kapel moet er komen. Men moet dikwijls de ommegang houden. Onkerzele wordt een groot bedevaartsoord, vele mirakelen zullen er gebeuren.
Op O.L.Vrouw Lichtmis 1941 waren er een tiental bezoekers, en Leonie is met hen gaan bidden in de kapel. Als ze dan weer in haar huisje waren teruggekeerd werd over de oorlog gesproken, die als een zware last begon te drukken. Er werd ook gesproken over de nijpende honger. Deze mensen kloegen stenen uit de grond en verfoeiden de oorlog als de pest. Hun klagen scheen de vorm van een verwijt aan te nemen, ten opzichte van Leonie: 't was of het haar schuld was, dat er zo moest geleden worden. Ze kwamen hun nood klagen en wrokten tegen Onze Lieve Heer, dat Hij hen zoveel deed afzien. De honger was inderdaad nijpend, want om de rantsoenering te regelen, had de bezettende overheid drastische maatregelen getroffen. Ieder persoon kon met een landbouwer een overeenkomst sluiten voor het beplanten van een are aardappelen per persoon en ze waren maar half gelukt, daarbij werden 's nachts sedert geruime tijd zelfs halfrijpe aardappelen gestolen.
Wonderlijk genoeg aanhoorde Nieke geduldig al die klachtenlitanieën, maar tenslotte zegde ze toch: ik heb dat allemaal zien gebeuren, en velen zijn gewaarschuwd geworden. Dat kon vermeden worden mits te bidden en te boeten, en als ons volk daar nu mee gestraft wordt, dan zullen ze dat verdiend hebben. Als ik u een raad mag geven, wel, gaat dan maar dikwijls ginder boven aan de kapel bidden, want er moet veel gebeden worden of het kan nog slechter worden. Ons volk voelt nog maar pas de honger of hun gemoed komt reeds in opstand. Weet, dat het deze maal Onze Lieve Heer niet zal zijn, die eerst zal bukken. Ze hebben niet willen luisteren, en nu moeten ze voelen. Ze zette iedereen aan niet opstandig te zijn maar het leed te offeren voor de bekering van de versteende harten.
Daarna sprak Leonie ook over de kapelletjes, en over de grote kapel, die Onze Lieve Vrouw had gevraagd. Zij had dit reeds zolang gevraagd, en de mensen hadden nog geen tijd gevonden om aan Haar verzoek te voldoen. Ze gaf ook de raad dikwijls de ommegang te doen. Daarvoor moesten de mensen nog niet eens in hun zak tasten, en dat zou zeer aangenaam zijn voor Onze Lieve Vrouw, die hen dan ook zou indachtig zijn.
Over het verder verloop van de oorlog zegde Leonie niets. Ze moesten gehoorzaam zijn aan de oproep van Hierboven en ernaar handelen, en hoe meer Onze Lieve Vrouw hier zal vereerd worden, hoe meer gunsten er zullen bekomen worden. Ten laatste zegde ze nog klaar en duidelijk, met nadruk en zeker van haar stuk, dat te Onkerzele later veel mirakelen zouden gebeuren en dat de volkeren daar Onze Lieve Vrouw zouden komen vereren.
4. Goede Vrijdag 1941. Grootse visioenen over de Paus, de geestelijken, grote ellende. Leonie's boete en overwinning, toekomstige glorie van een ziel, wat gebeuren moet . God behoudt het Zich voor Zijn gezalfden te straffen.
De vastentijd had bijzonder zwaar geweest voor Leonie. Hoe het mogelijk was dat haar benen haar dragen konden was voor mij een raadsel. De hele vastentijd zonder het minste vaste voedsel had haar weer totaal uitgemergeld, en bovendien had ze verschrikkelijk geleden aan handen en voeten en in de zijdewonde.
Wat verleden jaar op Goede Vrijdag was gebeurd, was uitgelekt. Ja, hoe komt dat allemaal? In de vastentijd hadden vele vrienden gevraagd om te mogen komen op die dag, maar Leonie deed me antwoorden dat het niet kon noch mocht zijn; dat niemand zou toegelaten worden, en dat het nutteloos zou zijn zich toch naar Onkerzele te begeven, want dat de deur heel de dag op slot zou zijn, en voor niemand zou geopend worden. Ook verscheidene geestelijken hadden gevraagd om te mogen tegenwoordig zijn, maar onder voorwaarde dat geen leken zouden tegenwoordig zijn. Dat wilde Leonie niet toelaten. Ze zegde: dat kan niet, omdat ik mijn vrienden dan zou moeten beletten van te komen, terwijl ze reeds bijna acht jaar lang, door weer en wind, regen en zon, hitte en koude, trouw waren gekomen. Dat wilden de geestelijken niet inzien, maar Leonie bleef op haar stuk, en zegde dat niemand zou toegelaten worden, behalve ik met mijn echtgenote, en dat ze zich over ons niet moesten verontrusten.
Leonie had me gezegd: gij moet natuurlijk komen en Maria ook. In plaats van hier te zijn van in de morgen, komt rond de middag en haast u dan, dat ge hier binnen zijt. Gaat eerst naar de kapel en blijft daar tot twaalf uur, en komt dan langs het korte veldbaantje hier naar toe, zo zal u dan niemand zien, en in plaats van langs de voordeur te komen, komt langs achter. Mijn deur zal op slot zijn en ik zal er de sleutel aftrekken; als ze door 't sleutelgat kijken, zullen ze dan denken dat ik hier niet ben, want de binnendeur zal toe zijn en ik zal mij de hele dag in de keuken houden. Dàt zal het teken zijn dat gij het zijt die bij de achterdeur staat: klopt op de deur drie maal snel achtereen en klopt dan nog driemaal op de vensterblinden, want die zullen ook toe zijn, want anders zijn ze stout genoeg om langs achter te komen kijken. Dat was dus ons akkoord. Zo gezegd, zo gedaan.
Ik was met mijn echtgenote omtrent half elf in de kapel en we deden ze toe om er ongestoord te kunnen bidden, en ook voor 't geval dat er toch mensen zouden komen, ze zouden van beneden dan zien dat de kapel gesloten was.
Het werd ongeveer twaalf uur en we waren opgelucht dat we zo gans alleen gebleven waren. Plots gaat de deur open en Mw. D.C. komt binnen, en zo moeten we ondanks alle voorzorgen toch dulden dat ze meegaat naar Leonie, en om verdere overlast te vermijden vertrekken we seffens haastig met grote passen langs een veldwegel, recht naar Leonie.
Ik gaf het overeengekomen teken en de deur werd geopend, en weer onmiddellijk gesloten. Ze bezag de dame eens maar zei niets. Nieke was reeds getekend. Ze zegde toch nog, dat het deze morgen als een begankenis geweest was, er werd geklopt zowel op de voor- als op de achterdeur, maar Leonie bleef stil in haar duistere kamer zitten, en 't geklop was weggebleven vanaf elf uur. Nieke zegde toen niets meer legde zich in de zetel en wij zwegen ook, we namen onze paternoster en baden stil. Heel de doening van Nieke en de sereenheid van haar wezen lieten vermoeden dat er ernstige dingen op til waren. We peuzelden ons middageten op, terwijl Leonie intussen tweemaal was opgestaan en naar haar salon was geweest. Haar gewoon denken had dan reeds opgehouden, want dat had ze onbewust gedaan, de extase zou dan ook niet lang meer uitblijven.
De derde maal dat ze uit haar zetel in de keuken opstond en naar voor ging, zette ze zich in de kleine zetel in haar salon neer. Het ogenblik scheen nabij. Nu zat ze in de eerste plaats, in tegenstelling met Goede Vrijdag 1940, toen ze in de keuken zat. Reeds vanaf half een had ze geen woord meer gesproken. Stilzwijgend gingen we ons ginder ook zetten. Ik bleef recht voor haar zitten, terwijl Maria naast Leonie plaats nam, heel dicht bij haar en zo dat ze van heel dichtbij het aangezicht goed kon opnemen, en als ze zou spreken, dat ze de woorden goed zou horen. Madame D.C. zat naast Maria, verder van Nieke af, op vijftig centimeter van mij. 't Laatste wat Nieke gezegd had was: ik ben blij dat er niemand is buiten u. Nu rustte ze met gesloten ogen en de rug tegen de leuning, terwijl haar handen kruisgewijs over haar borst lagen zoals gewoonlijk.
Begin van de extase.
Enkele minuten vóór één uur was ze reeds in vervoering. Zonder dat er iets merkwaardigs voorvalt, verlopen enkele minuten en dan horen we haar binnensmonds spreken, onverstaanbaar echter. Ze kijkt schuins en dan recht voor zich uit, maar blijft liggen tot het reeds vijf en twintig minuten over één is. Dan zegt ze plots hardop, haar ogen gericht op het kruisbeeld, dat op haar schouw staat: het bloed van mijn zijde (wonde) loopt van mijn lichaam. Madame D.C. neemt vlug uit haar handtas een witzijden doek en legt hem in de schoot van Leonie, die niets kon zien, maar met een bruuske handbeweging de doek nam en hem verwijderde, zodat deze in een ander klein zeteltje dat daar stond, terechtkwam. Enkele ogenblikken daarna tilt ze haar lichaam in stijve houding naar omhoog (het lichaam scheen opgetild te worden), en kijkt met strakke blikken naar links, vol afschrik . ze schijnt iets zeer gruwzaam te zien, en onderwijl strekt ze haar handen afwerend uit.
Leonie's woorden: de Paus in gebed voor de vrede.
Haar onderscheid van de geesten.
Nog nieuwe bezoekers.
Na enige ogenblikken draait ze haar hoofd naar rechts en spreekt de volgende woorden uit: de Paus bidt voor de vrede, hij bidt met de armen uitgestrekt naar omhoog, hij is niet alleen, hij is omringd door vier personen (kardinalen) die ook bidden. Deze is er weer bij die men niet vertrouwen mag (deze met zijn dik rond gezicht, zoals ze na het visioen zegde). De Paus was dan niet op het Vatikaan (waarschijnlijk op Castel Gandolfo), daar bad hij in een witgekalkt kamerke. Met haar wijd open ogen volgde ze verder de scène, en ze schijnt meer dan één zaak te zien. Dan zegt ze: hij is niet braaf, en dan: o, wat een ellende, wat een verschrikkelijke ellende. En weer daarna, wijl ze haar handen samenvouwt, och, spaar hem toch. Er volgt een pauze van zwijgen terwijl ze nu rechtop zit en rechts en links verschrikkelijke dingen ziet gebeuren, en dat kan goed gemerkt worden aan haar gelaatstrekken. Om één uur zes en dertig zegt ze plots: dat verdient hij ook niet. Onderwijl begint ze te wenen en te jammeren, ze kreunt: geef ons toch de vrede; en dan: ('t) is ('t) niet waar, geef ons toch de vrede; en dan: ik heb het gedacht; en steeds verder wenend: en de kinderen? Dan schrikt ze weer hevig van links en ze wil een schriktoneel ontvluchten. Onderwijl werd lichtjes op de deur geklopt, ik doe open en de gebroeders C., uit West-Vlaanderen staan daar, ik laat ze binnen en doe teken heel stil te zijn. Ze nemen zwijgend een stoel en gaan er geknield op zitten, hun ogen op Leonie gericht.
Dan zegt Leonie plots: St.-Paulus (of Symbolum?)(1), ze zet zich langzaam recht en er schijnt een verlichting te zijn ingetreden. Ze komt echter niet tot zichzelf terug, alhoewel ze ieder afzonderlijk beziet. Ze legt zich weer met haar rug tegen de leuning en ze ziet andere tonelen voorkomen. Ze zet zich langzaam recht in haar zetel, en terwijl ze langzaam de hand voor zich uitstrekt, zegt ze met een zeker misprijzen: 't is de schande voor het Christendom; en dan: ik heb dat niet gedaan, Gij zijt rechtvaardig. En om één uur vijftig zegt ze: gij bidt, maar het telt niet. Op dat ogenblik komen drie bezoeksters uit Oudenaarde binnen. Nog meer dergelijke tonelen schijnen zich voor haar af te spelen, want ze volgt heel aandachtig, rechts en links voor haar, en opeens schijnt ze zeer nieuwsgierig, en weldra komt haar wezen in een zeer misprijzende plooi, terwijl ze het visioen verder volgt. Om één uur vijf en vijftig zet ze zich bruusk rechtop in haar zetel, en bekijkt woedend en misprijzend een van de vrouwen uit Oudenaarde, die daar zoëven is binnengekomen, en naast haar heeft plaats genomen. Daarna weent ze en schijnt hevige pijnen te lijden.
-------------------------
(1) Mogelijk pater Paulus Luyckx OSB.z.g. Leonie zegt verder dat hij een grote heilige is (blz. 251)
---------------------------------
Grote ellende over de wereld.
Leonie's heldhaftige boete.
Haar toekomstige overwinning.
Haar gebed voor de vrede.
Na geruime tijd schijnt er weer verlichting in te treden want de pijnlijke trekken verdwijnen uit haar aangezicht en juist om twee uur zegt ze: och Here toch, mijn hoofd, en dan vraagt ze te drinken, maar ziet de tas niet die men haar komt aanbieden. Om twee uur en vijf schrikt ze weer plots op van links en zegt (derde maal): o, wat een ellende voor de wereld; en om twee uur en negen zegt ze nog eens voor de vierde maal: o, wat een verschrikkelijke ellende. Dat viermaal herhalen van die ellende die over de wereld komt, doet de bezoekers onaangenaam aan en om twee uur en tien zegt ze : Hij gaat aan (weg), en ze schijnt iets te volgen; en om twee uur en twaalf zegt ze langzaam: hier is het loon, de dood, dat is nu uw recht!
Nieuwe bezoekers trachten binnen te dringen maar daar ik ze niet ken, worden ze afgewezen. Om twee uur en veertien droogt ze haar tranen af en dringt een nieuwe opwelling terug. Deze toestand duurt zo tot twee uur vijf en twintig, en dan begint ze opeens zeer snel te spreken, zo snel dat niemand haar volgen kan: onderwijl valt ze op de knieën voor het kruis en kijkt er naar op. Er komen nieuwe personen binnen zodat er een gedeelte van de woorden verloren gaat. Als er weer stilte is, kan niemand meer volgen, daar de woorden vloeiend en snel uit haar mond stromen. Dan opeens zegt ze wat trager: ik ween niet van droefheid maar van aandoening, want ik zal de overwinning behalen, ik, ik ben uitgemergeld tot op het been, maar zij, .en het volk, .toch, .ik moet de ellende in, .nog meer, .niet zichtbaar, .maar toch moet ik niet wenen, ik toch heb mijn plicht gedaan voor kinderen, man, gezin en volk, en toch moet het gebeuren, maar hoe eerder, hoe liever, ik
ben daarom niet droevig, maar ik vraag vergiffenis, aan U, mijn God, die ik altijd heb bemind, (onmogelijk de woordenvloed te volgen), vraag ik de vrede, niet voor mij maar voor het volk
Visioen van de toekomstige glorie
Van een heilge ziel, nog in leven.
Haar wezen neemt plots een blijde en heldere plooi aan, terwijl ze zegt: is er een lichtstraal? Met blij en hoopvol aangezicht blijft ze zo enige ogenblikken het kruis aanschouwen, en dan zegt ze: wie is dat schoon meisje? wie is dat? (ze zegde me later dat het de tante was van de twee gebroeders die waren binnengetreden, zoals zij later zou zijn in het eeuwige geluk (1)). Bij navraag schijnt deze dame reeds op ouderdom te zijn.
------------------------------
(1) Dergelijke visioenen treffen we ook aan bij heiligen en mystiekers.
-----------------------------------
Gebed voor de vrede. Onthechting.
Gesprek met Christus in het Aramees.
Dreigende vermaningen voor hen die zouden moeten zien en die niet willen zien (de priesters).
Nu zegt ze: ach, de vrede voor het volk, maar liefde voor de evennaaste, geef mij de ellende, die Gij mij beloofd hebt niet zichtbaar maar onzichtbaar. Ze weent, en kijkt op een zekere hoogte voor zich, ze is in gesprek met de Heer (in een vreemde taal en met vloeiende woorden), en dan zeer traag, hardop: merci (dat had ik haar nog nooit horen zeggen), en zich omwendend naar mij zegt ze: dus, niet spreken, niets zeggen, aan niemand (ze weet dus nog niet dat er bezoekers zijn). Ze zegt: ik vraag van gedurende mijn leven gerust gelaten te worden, na het treurig leven dat ik had, veracht ik nu de wereld, de wereldse eer en glorie, ik moet dat alles niet meer hebben, maar spreek onomwonden na mijn dood, zeg wat ge hier gezien en gehoord hebt, 't is de waarheid, nu, willen ze niets weten, ze zouden moeten zien, ze zullen zien, en begrijpen, veel meer dan hun lief zal zijn, maar ze zullen het nog meer voelen!
Ze draait haar hoofd om en begint met haar hand op haar hoofd te wrijven. Ze opent de ogen, en zoekt, ze keert langzaam tot zichzelf terug. Na een pauze kijkt ze naar omhoog en kijkt dan naar mij, en daarna gaan haar ogen van de ene naar de andere met een vragende blik. Ze zegt niets en vraagt niets. Nu beginnen de vrouwen uit Oudenaarde vragen te stellen, maar Leonie wil niets zeggen. Er werden opnieuw vragen gesteld. Leonie zegt dat ze niets te zeggen heeft en niets meer kenbaar heeft te maken: ze geloven het toch niet, maar ze zullen wel eenmaal geloven. Het vragen herbegint en Nieke zegt: vraagt mij niets, want wat ik gezien heb is niet voor u, ge moet maar wachten, en wat gebeuren moet zal komen, nu of later.
Alle zinsdelen en woorden zijn hier weergegeven voor zover ik ze heb kunnen optekenen. Er is niets aan afgedaan noch er aan toegevoegd.
Leonie's laatste commentaar: God zelf bereid een bijzondere straf voor zijn gezalfden.
Leonie zegde me op het Paasfeest, dat wat ze gezien had op de priesters betrekking had, en dat Onze Lieve Heer van haar nog groter offers gevraagd had. Ze oordeelde het niet nodig er over te spreken, God heeft deze straf voor hen voorbehouden, want het zijn Zijn gezalfden en die zal Hij oordelen.