1. Hoeveel kinderen moeten er in een (christelijk) huwelijk worden geboren ? Zijn man en vrouw volkomen vrij om het ideale aantal kinderen geheel zelfstandig te bepalen ? Allereerst is het zo, dat de bewuste en positieve uitsluiting van het krijgen van kinderen voorafgaand aan de huwelijkssluiting het huwelijk - volgens de katholieke geloofsleer - ongeldig maakt. De meeste mensen trouwen echter met de bedoeling om vroeger of later kinderen te krijgen. Beziet men dan ook het normale geval van de doorsnee (niet-onvruchtbare) gehuwden, die kinderen wensen, en eventueel al kinderen hebben, dan is de vraag: Mogen christelijk gehuwden het kindertal beperken ?
2. Het is nimmer de leer van de katholieke Kerk geweest, het is nooit voorschrift geweest, dat gehuwden zoveel mogelijk kinderen moesten krijgen. Dit mag hier en daar in het verleden in onze streken wel eens door priesters op huisbezoek zijn gezegd, het is geen kerkelijke leer. Gewoonlijk werden dergelijke uitspraken destijds gedaan, als priesters werden geconfronteerd met echtparen, die, om het kindertal te beperken, overgingen tot niet-natuurlijke wijzen van geboortenbeperking, zoals voortijdige onderbreking van de geslachtsgemeenschap (coítus interrúptus) en het gebruik van condooms.
3. Want inderdaad, de katholieke opvatting is duidelijk: Er bestaat een strikte verplichting om de huwelijksgemeenschap op natuurlijke wijze te laten verlopen, dat is om af te zien van alle kunstmatige geboortenbeperking. Waarmede niet gezegd wil zijn, dat de heden zeer betrouwbare natuurlijke geboortenregeling (toegepast als geboorten-beperking) altijd moreel verantwoord is. Het is niet zó, dat, omdat de geboortenbeperking middels natuurlijke methoden tot stand komt, deze vorm van beperking altijd zedelijk geoorloofd is. Want er moeten altijd ernstige redenen zijn, wil geboortenbeperking zedelijk verantwoord zijn. Wat precies ernstige redenen zijn, is niet voor alle tijden en toestanden absoluut vastgelegd, en dat kan dus variëren met de tijd en de omstandigheden van het echtpaar. Daarmede is echter de zeer moeilijke vraag naar het ideale kindertal voor de christelijke gehuwden nog niet beantwoord.
4. In vroeger eeuwen was de kindersterfte groot, vaak zo groot, dat wel meer dan de helft van de kinderen er door werd getroffen. Begrijpelijk, dat men zich toen bij het krijgen van kinderen zo weinig mogelijk beperkingen oplegde. In sommige streken van de aarde betekent meer kinderen (nog steeds) ook meer arbeidskrachten om het land te bewerken. Daar waar geen oudedagsvoorzieningen bestaan, is het bezit van veel kinderen een welkome verzekering voor de oude dag van de ouders. Veel kinderen hebben is in die gebieden een vorm van rijkdom, zoals elders geldt voor veel grond, of vee, of gebouwen.
5. In onze Westerse landen bestaat die toestand niet meer en legt een groeiend kindertal groeiende lasten op de schouders van de ouders. Immers óók de kinderen, alle kinderen, moeten deel hebben aan de verworvenheden en mogelijkheden van onze welvaartsmaatschappij, zoals voortgezet onderwijs, vacanties, autos, eigen kamers en tweede woningen, electronische apparaten, e.d.
6. Verder is het, door de funeste invloed van niet-christelijke maatschappij-opvattingen, vrijwel onmogelijk om tegenwoordig van één inkomen te leven (op hetzelfde niveau als alle andere mensen), waardoor vele, zo niet de meeste, vrouwen worden gedwongen (óók) te gaan werken om een aanvullend inkomen voor het gezin te verwerven. Dat beinvloedt sterk de mogelijkheden om (meer) kinderen op te voeden.
7. Toch heeft God tot de eerste mensen gezegd (Gen.1,28): � Gaat en vermenigvuldigt u, � en dit is geen ijdel gebod. Maar het geldt natuurlijk slechts in gewone, in normale, omstandigheden, niet, wanneer het onmogelijk is om het na te leven. Een grens is moeilijk aan te geven. In het algemeen is het wenselijk, dat de ouders zoveel kinderen krijgen en opvoeden, als de levensomstandigheden het toelaten, anders gezegd: zoveel, als in die omstandigheden goed en redelijk is.
8. Hoe meer kinderen men kan beminnen, des te gelukkiger men zal zijn. Voor kinderen is het doorgaans een groot geluk op te groeien in een niet te klein gezin, men denke aan 4 tot 7 kinderen. Hoe meer zielen, des te meer vreugd, is geen loos gezegde. Anderzijds: gezinnen kunnen zó groot zijn, dat zij een te zware, ja ondragelijke last, op de ouders leggen.
9. Elk geval vraagt zijn eigen beoordeling. Het hangt er ook vanaf, wat de ouders van hun leven willen maken. Stelt men het hebben van een groot aandeel in de gemakken en genoegens van deze wereld boven het geluk vele kinderen te hebben en op te kunnen voeden ? Wat hier het christelijk ideaal is, zal duidelijk zijn. Het bereiken daarvan voor de volle 100 % is echter niet dwingend voorgeschreven en de menselijke zwakheid laat meestal niet toe, dat het in de hoogste mate wordt bereikt. Maar, het christelijk ideaal laten voor wat het is, en er in het geheel niet naar streven, toont een middelmatigheid en lauwheid welke niet passen bij het voorbeeld van Christus.
10. De uitdrukking 'verantwoord ouderschap' is waarlijk een zeer ongelukkige uitdrukking voor wat er in feite mede bedoeld wordt. Want de moderne psycho-theologie acht ouderschap verantwoord, als het echtpaar in onderling overleg, rekening houdend met de eigen materiële omstandigheden, en met de eisen, die men stelt aan het leven, en de verwachtingen, die men daarvan heeft, geheel zelfstandig het gewenste kindertal bepaalt. Dit omvat óók de spreiding daarvan, en ook het zelf beslissen over de middelen van geboortenregeling, die men daarvoor wil gebruiken. De uitdrukking 'berekenend ouderschap' ware echter meer correct.
11. Want niet Gods Wet bepaalt dan het handelen, niet het vertrouwen op de goddelijke voorzienigheid bepaalt doen en laten, nee, het zijn de eigen inzichten, om niet te zeggen het eigen egoïsme, en de eis van de homo faber, de 'makende mens', zijn leven geheel zelf te willen inrichten, die de morele keuzes in de eerste plaats bepalen.
12. Wat men bedoelt met 'verantwoord ouderschap' getuigt in feite meestal van totaal ongeloof. Als (zeldzame) gehuwden van harte al de kinderen willen aanvaarden, die God hen wil geven, en ze voor Hem willen opvoeden, is dan dat diep-christelijk geloof, gepaard gaande met een groot vertrouwen op de goddelijke voorzienigheid, soms niet verantwoord ?
13. Natuurlijk wel, want Jezus zegt nadrukkelijk: � Maakt u dus geen zorgen over de vraag: wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of wat zullen wij aantrekken ? Want dat alles jagen de heidenen na. Uw hemelse Vader weet wel, dat gij al deze dingen nodig hebt. Maar zoekt eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid: dan zal dat alles u erbij gegeven worden. � (Mt.6,31-33).
14. De mens moet Gods voorzienigheid niet willen uitschakelen. Als hij Gods geboden onderhoudt, zal God de wereld voor hem besturen en zijn leven voor hem richten. God heeft meer pijlen op Zijn boog, dan wij ons kunnen indenken. In de hemel weet men altijd weer iets verrassends te bedenken. Hiermede wordt niet bedoeld, dat echtparen nu maar Gods water over Gods akker moeten laten lopen, en altijd onbeperkt kindertjes moeten laten geboren worden.
15. Maar er is een groot gebied tussen het algeheel egoïstische, zg. 'verantwoord', lees 'berekenend', ouderschap enerzijds, en het algehele 'laat-maar-onbeperkt-veel-geboren-worden' standpunt anderzijds. Men moet er steeds eerlijk naar streven als christelijk echtpaar te leven en te handelen, dus men moet, terwijl men Gods geboden aanhoudt, blijvend pogen het hoogste christelijk ideaal te bereiken. En dat ideaal ligt zeker niet in het berekenend ouderschap.
16. Een practisch probleem is dat, waarbij een der ouders nog wel het aantal kinderen wil uitbreiden, terwijl de andere ouder dat niet (meer) wil. De echtgenoot, die meer kinderen wil, of tenminste deze kinderen wil aanvaarden, als God ze schenkt, hééft dat recht.
17. Het eerste doel van het huwelijk is het verwerven van nageslacht. Elke echtgenoot heeft óók recht op het tweede doel van het huwelijk, nl. recht op het huwelijksgebruik als geneesmiddel voor de begeerlijkheid, èn heeft ook recht op de daarmede verbonden huwelijkstrouw, al zou dat alles zware last en betrekkelijke armoede (door het grotere kindertal dan eerst) met zich mee brengen. De (andere) echtgenoot, die zich daartegen zou verzetten, begaat groot onrecht. Hiermede wordt bedoeld, dat de echtgenoot/echtgenote, die, door een sterke geneigdheid tot het geslachtelijke, gevaar zou lopen in ontrouw en overspel te vervallen, het recht heeft bij de partner aan te kloppen om zijn/haar begeerte te blussen, en zodoende het gevaar van ontrouw te vermijden. Als dit dan leidt tot meer kinderen, dan is dat een gevolg van de uitoefening van het bedoelde recht.
18. Men bedenke, dat het voorgaande de geopenbaarde katholieke waarheid is. Niemand heeft recht op het zg. berekenend ouderschap, één der echtelieden niet, en beiden niet. Het recht geen kinderen meer te willen, als men voor het gewone huwelijk met kinderen heeft gekozen (hier wordt niet gesproken over hogere motieven om vanaf de huwelijksdatum kinderloos te blijven), bestaat niet, behalve als men omwille van een zedelijke noodzakelijkheid af moet zien van meer kinderen dan men heeft. Dan mag men met spijt in het hart besluiten, dat een volgend kind tijdelijk of blijvend niet meer mogelijk is.
19. Zulk een zedelijke noodzakelijkheid is echter alleen in ernstige gevallen aanwezig, bijvoorbeeld bij een chronische ziekte van man of vrouw, bij werkeloosheid en lage uitkeringen, in oorlogstijd, bij op de vlucht zijn in een vreemd land, en dergelijke moeilijke situaties. De wens zich allereerst te voorzien van dure apparaten en toestellen, of een riante woning, of een mooie buitenlandse vacantie, schept echter geen zedelijke noodzakelijkheid.
20. Want men zal zo lang mogelijk Gods gebod 'weest talrijk' moeten opvolgen door de eigen wil aan Gods wil gelijk te maken. Oók al kost dat moeiten en offers. Daartoe is vereist een heilige Vrees des Heren, dat is de wil Zijn geboden te onderhouden, en de bereidheid om alle offers op zich te nemen, die in Zijn dienst nodig zijn.
21. Maar de echtparen, die aan hun (te) menselijke waarden en aan hun materiële verworvenheden (te zeer) zijn gehecht, bezitten geen van beide. Niet de offervaardigheid, want ze vragen niet beter, dan de offers te mogen ontgaan. En zij nemen alle maatregelen om dat te bereiken, eventueel ook zondige, zoals de anti-conceptie op onnatuurlijke wijze. Evenmin bezitten zij de Vreze des Heren, want door hun gemakzucht begeven zij zich in het gevaar van zonde. Hun berekenend ouderschap zal in de praktijk al spoedig in een keten van zonden resulteren.