Uit Profetische Stemmen nummer 67 van september 2002
1. In het bekende Vlaamse satirische weekblad 't Pallieterke van 22 mei 2002 staat letterlijk aangehaald uit het Tweede Burgermanifest van Guy Verhofstadt (de tegenwoordige minister-president van België) dat: « de islam in wezen een intolerante en totalitaire ideologie is. »
2. In 't Pallieterke van 11 maart 1998 wordt een lezersbrief gepubliceerd - onder medeverantwoordelijkheid van de redactie natuurlijk - met de titel: "Rechten van de islamitische mens", waarin wordt aangetoond met welke punten van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) de islamitische wetgeving, zoals toegepast in meerdere staten - leden van de Verenigde Naties - verschilt. Men ondertekent wel het Handvest van de V.N. (d.w.z. die staten ondertekenden dat Handvest), maar men past de (lees: die staten passen hun) islamitische wetgeving niet aan ! Overigens zonder dat er enig steekhoudend protest van wie dan ook tegen wordt geuit.
3. Wij citeren uit de genoemde lezersbrief: « ...
1. In de islamitische wetgeving is slavernij nog altijd toegelaten (strijdig met artikel 4 van de UVRM).
2. De islam erkent het recht op godsdienstvrijheid niet, in het bijzonder heeft een moslim niet het recht van religie te veranderen, of zijn religie te verlaten. Daarop staat zelfs de doodstraf. Dit recht wordt nochtans door de UVRM gegarandeerd (artikel 18).
3. De islam laat lijfstraffen toe - amputatie van hand en/of voet - die strijdig zijn met artikel 5 inzake foltering of wrede straffen.
4. Ook de islamitische richtlijnen inzake de besnijdenis van vrouwen of meisjes zijn onverenigbaar met artikel 5 en met artikel 3 betreffende de onschendbaarheid van de persoon.
5. De islamitische rechtsregel, die islamitische vrouwen verbiedt een huwelijk te sluiten met een niet-moslim, is strijdig met de bepalingen van artikel 16 van de UVRM over het huwelijk.
6. Een groot aantal islamitische wetteksten, die de rechtspositie van de vrouw vastleggen, zijn onverenigbaar met de artikelen 2, 7 en/of 16 van de UVRM.
Krachtens de [Belgische] wet op de partijfinanciering eist men van politieke partijen, dat zij in hun statuten en in hun programma de Europese Verklaring voor de Rechten van de Mens niet schenden. (Deze verschilt slechts in details van de UVRM). De [Belgische] overheid moet dan ook consequent dezelfde voorwaarden opleggen aan de islamitische organisaties, die in aanmerking willen komen voor subsidiëring. ... »
4. In het Franse tijdschrift Fidéliter (een uitgave van de Broederschap van Sint Pius X) van september 2001 leest men onder de titel La Terreur Islamique (de islamitische terreur) een schrikwekkend relaas [een opsomming] van de islamitische terreurdaden gedurende drie jaar, plaats gehad hebbende over de ganse aarde. Er wordt in aangegeven hoeveel christenen werden gedood, waar kerken en huizen werden verwoest, waar en hoeveel christenen van huis en haard werden verdreven, e.d., in 1998, 1999 en 2000.
5. In het Franstalige Belgische tijdschrift Pour qu'Il règne (Opdat Hij regere), nummer 45 van juli-augustus 2001 (een uitgave van de Broederschap van Sint Pius X in België), staat een artikel l'Islam réel et l'islam imaginair (De islam zoals deze werkelijk is en de islam zoals men die zich voorstelt). In dit artikel wordt ingegaan op de verschillen tussen de islam, zoals deze werkelijk is, wat blijkt uit de historische feiten enerzijds, en de visie erop van moderne theologen en sociologen, welke grotendeels uit verzinsels bestaat anderzijds.
6. Onzes inziens is dit een van de zwakke punten van vele zogenaamde islam-deskundigen, nl. dat men dit verschil niet inziet, of niet in wil zien. Men gaat namelijk uit van een vooropgezet, maar vals, beeld van de islam, en men weigert de historische en de theologische feiten onder de ogen te zien.
7. Zie ook nog het lange artikel in het Informatieblad van juli-augustus 2001, een Belgisch/Nederlands tijdschrift [dat in beide landen verschijnt], getiteld "De Paus en de islam", waarin vele letterlijke aanhalingen van soera's (hoofdstukken) uit de Koran zijn opgenomen. Hieruit wordt ontegensprekelijk duidelijk het wereldveroverende, intolerante, heerszuchtige karakter van de officiële islam met zijn jodenhaat en christenhaat. Dat de islam onder de invloed van de duivel staat (wat in onze artikelen in Profetische Stemmen werd geschreven), kan men óók hier lezen. Bovendien staat óók hier weer geschreven, dat alleen de leer, en niet de individuele mohammedaan moet veroordeeld worden.
8. Het bovenstaande had gemakkelijk met nog meer artikelen uit allerlei tijdschriften kunnen worden uitgebreid. Voor degenen, die zichzelf verder willen informeren, willen wij vooral verwijzen naar twee artikelen, verschenen in het Franse tijdschrift Fidéliter, een uitgave van de Franse provincie van de Broederschap van Sint Pius X, nummer 143 van september-october 2001, onder de samenvattende kop Face á l'Islam (het hoofd bieden aan de islam), te weten: Entretien avec le père Antoine Moussali (vraaggesprek met pater Antoine Moussali), getiteld: Chrétienté et islam dans l'Histoire (Christendom en islam in de geschiedenis), en: Islam véritable et annonce de Jésus-Christ (De ware islam en de verkondiging van Jezus-Christus).
9. Pater Antoine Moussali werd in 1921 geboren in de Libanon uit Irakese christelijke ouders. Ingetreden bij de Lazaristen, en opgevoed in meerdere landen waaronder Frankrijk, werd hij in de loop der jaren specialist in het Arabisch en in de leer en de praktijken van de islam. Hij heeft gewoond en gewerkt als missionaris in een aantal landen rond de Middellandse zee. Wij hebben nog nimmer een even deskundig, en even rustig en liefdevol verwoord, christelijk beginselstuk over de islam gelezen. Zeer aanbevolen voor wie de Franse taal machtig is. Hieronder enige uittreksels.
10. « ... In de eerste tijd [na de verovering van nieuwe gebieden] deed de islam zich altijd voor als een godsdienst welke respect had voor de status quo, de toestand ter plaatse, vooral daar waar zij een minderheidspositie innam. ... Vervolgens, als de aanpassing aan de plaatselijke toestand eenmaal had plaats gehad, wat gewoonlijk slechts enkele tientallen jaren duurde, nam de islam alle zaken ter hand: de administratie, het sociale weefsel, de economie en de financiële organisatie, de plaatselijke cultuur, alles werd geïslamiseerd. ... En vanaf dat ogenblik eiste de islam, dat er slechts op één wijze over God en de mens werd gesproken, dat er slechts één soort geld was, één geloof, één kalief [regeringsleider], en één enkele God. In feite was het zo, dat elke streek, die ten prooi viel aan de overheersing van de muzelmannen, er op moest rekenen daar nimmer meer van los te zullen komen. Men kan wel de islam binnengaan, maar men kan zich er nimmer meer uit losmaken. Dat is werkelijk, dat is echt, een axioma (vast beginsel) van de geschiedenis. »
11. « Het is een vast en zeker gegeven, wat men in alle moslimlanden en streken aantreft: een niet-muzelman kan op geen enkele manier van dezelfde voorechten genieten als een muzelman. Nog sterker, het is een 'goddelijk' gegeven, dat duidelijk is vastgelegd in de Koran, waarbij de muzelman wordt voorgehouden om slechts te gehoorzamen aan een chef, die islamiet is, en om elk gezag, dat vreemd is aan de islam, te weigeren. ... Elke hogere gezagsdrager moet muzelman zijn. De niet-islamiet kan slechts hopen een ondergeschikte positie te bekleden. Een muzelman kan een niet-islamitische vrouw huwen, een christin of een jodin, maar het omgekeerde is absoluut onmogelijk. ... Krijgt men eindelijk na veel gepalaver toestemming om ergens een christelijke kerk te bouwen, dan moet er niet ver van daar ook een moskee worden neergezet. ... Het juridisch statuut van christenen en muzelmannen is geheel verschillend. Een niet-muzelman kan op geen enkele manier in rechte getuigen tegen een muzelman. »
12. « In 691 werd het statuut van de dhimmies vastgesteld, hetwelk vandaag-de-dag nog steeds de regels stelt voor de christenen, dus niet-muzelmannen, in de islamitische landen. In die dagen was het zelfs onmogelijk om op anonieme wijze aan het maatschappelijk leven deel te nemen. Want de dhimmi kon worden herkend aan zijn dracht, een blauwe ceintuur. De niet-muzelman had niet het recht paard te rijden, want dat nobele rijdier was voorbehouden aan de vrije burgers, de muzelmannen. En, mocht een dhimmi per ongeluk op zijn weg een muzelman tegenkomen, dan moest hij deze vrij baan geven, en een nederige buiging maken. ... De dhimmies behielden soms wel hun eigen kerken en cultusplaatsen, maar mochten geen nieuwe kerken meer bouwen. De kerken werden ontdaan van hun klokketorens, en er mocht geen kerkdeur of poort meer zijn welke uitkwam op de grote weg of de hoofdstraat. ... Men bedenke het zich wel: voor een heiden of een goddeloze was [en is] het onmogelijk te leven in een islamitisch land. Zij hebben slechts de keus tussen òf islamiet worden, òf het land verlaten, òf te worden onthoofd. »
13. « In Irak, in Turkije, in Saoedie-Arabië, in de Soedan, in Syrië, in Pakistan, in Indonesië, in Iran, in Afghanistan, ja, ook in de Libanon, zijn de christenen altijd onderhevig aan allerlei kwellende maatregelen, zij lijden onder een systematisch in stand gehouden minderwaardige maatschappelijke en politieke toestand. Ach, dat wordt natuurlijk gecamoufleerd, er zijn principeverklaringen, er zijn gijzelaars van de islam, die gedwongen worden te verklaren, dat de christenen geheel vrij zijn. En, inderdaad, in Turkije en Irak is de toestand anders dan in Saoedie-Arabië of Afghanistan. Maar, afgezien van deze toevallige verschillen, is het leidende beginsel overal hetzelfde, en het resultaat daarvan geeft in de praktijk nauwelijks afwijkingen. Want de ware grondregel is: Een christen heeft in een islamitisch land geen erkende plaats. Slechts een muzelman kan de volheid van alle burgelijke en persoonlijke rechten genieten. »
14. « Ik moet bekennen, dat ik dikwijls verbaasd ben over de manier waarop men [in het Westen] de islam voorstelt. ... Uit vrije wil geeft men de islam de titel van 'een tolerante godsdienst'. Maar houdt de islam dan niet door dik en dun vast aan het eigen gelijk, en aan de onmogelijkheid om anderen met een verschillend geloof te aanvaarden ? Onderneemt de islam dan niet van alles en nog wat, en gebruikt zij daarbij niet alle mogelijke middelen, om alle mensen in te lijven bij de godsdienst van Allah, en hen daarvan afhankelijk te maken ? Is de muzelman dan niet per definitie een soldaat van Allah, lid van de Hesbollah (letterlijk: de partij van Allah) ? In de Stad van de islam hebben slechts de partisanen van Allah burgerrecht. En de islam moet altijd alles in het werk stellen, opdat tenslotte de gehele wereld tot de Stad van de islam (dar-islam) zal gaan behoren. ... »
15. « Men spreekt ook wel, als het over de islam gaat, over de goede spiritualiteit. Maar, de islam heeft de liefde verwijderd uit haar visie op God. Hoe kan men nu een authentieke spiritualiteit bezitten, als men de dimensie van de liefde geheel uitsluit. De spiritualiteit van de muzelman gaat niet verder dan de aanbidding van God, en de blinde onderwerping aan God. Kiezend tussen gehoorzaamheid en liefde, heeft men de liefde opzij geschoven, en heeft men vrijwillig gekozen voor de gehoorzaamheid [aan de wetten en regels, die worden verondersteld van Allah-God te komen.] »
16. « Is de islam geneigd tot naastenliefde en liefdadigheid ? Men zou toch zou graag willen, dat dit inderdaad zo was. Zonder twijfel kan men lovend spreken over hun opvattingen van gastvrijheid, over hun goede nabuurschap, over het met elkander delen als er feest wordt gevierd. En zonder twijfel beschouwt de islam de aalmoes als een van de vijf pijlers waarop het gebouw is gefundeerd. Toch blijft men zich in alle ernst afvragen, waarom de islam vrijwel nooit het initiatief neemt om een liefdadig werk van enige betekenis te beginnen. In de islam zoekt men tevergeefs naar algemene liefdadige werken, die zouden lijken op Moeder Teresa, op de Secours Catholique, op de Sint Vincentius verenigingen, op de katholieke religieuze [zieken- en onderwijs-]congregaties, op de talloze christelijke liefdadigheidsinitiatieven over de hele wereld, waarvan trouwens ook de moslims profijt hebben. »
17. « Ik meen, dat het in en door de islam ontbreekt aan die impuls van liefde, die de bron is van elk charitatief werk. ... De islamitische verplichting om aalmoezen te geven is een vroomheidsplicht, die slechts op de moslims onderling betrekking heeft. Hun altruïstische blik reikt niet verder dan de armen, die zich binnen de eigen gemeenschap (de Umma) bevinden. In de Koran zult gij tevergeefs zoeken naar het woord voor naaste (qarib). »
18. « Men gebruikt tegenwoordig gemakkelijk de uitdrukking 'de drie monotheïstische godsdiensten', als men spreekt over het jodendom, het christendom, en de islam. Maar die uitdrukking doet geen recht aan de diepgaande en radicale verschillen tussen de drie godsdiensten. Want, Allah is niet dezelfde als Jahweh, en nog minder gelijk aan de God van Jezus-Christus. De gemeenschappelijke noemer van de drie godsdiensten der joden, christenen en muzelmannen, slaat slechts op de uniekheid van God: "God is God en er is geen andere." Maar dat is slechts een negatieve kwalificatie, die alleen maar zegt, dat er naast Hem geen andere goden zijn. Want, wanneer het er om gaat positief te antwoorden op de vraag wie God is, te antwoorden op de vraag naar het Wezen van God, dan worden de verschillen als afgronden zo diep. »
19. « Gesteld tegenover die vraag zal de muzelman zich opsluiten in een zwijgen vol aanbidding en beven voor de almacht van God, de Allerhoogste. De islam kent wel de 99 namen van Allah, maar dat zijn slechts attributen, en zij zeggen niets over het Wezen van God. Onder die 99 namen zal men trouwens tevergeefs zoeken naar het woord liefde. De muzelman zal nimmer aanvaarden te zeggen, dat God zelf liefde is, dat Gods wezen liefde is, want voor hem sluit het woord liefde (hubb) altijd lichamelijkheid in. De muzelman zal nimmer aanvaarden te spreken over God, die zich in en door het menselijk bestaan en door de werkelijkheid van de geschiedenis openbaart. Hij wil niets weten van God, die een metgezel is van de mens doorheen diens aardse pelgrimstocht op zoek naar het absolute. »
20. « Nog minder zal de muzelman aannemen, dat men kan spreken over de Drieëne God. De Koran beschuldigt er de christenen in dit opzicht van te geloven in drie goden. Vandaar de problemen met het woord monotheïsme, want in werkelijkheid gelooft de islamiet niet, dat christenen monotheïst zijn. ... »
21. « Wij zijn allen kinderen van Abraham, zo zegt men dan. ... De God van Abraham is ook de God van het Verbond. De betrekkingen tussen God en mens worden niet geregeerd door angst en vrees, maar door de liefde. Dat is ook de diepere betekenis van het Verbond, dat met Abraham werd gesloten, en dat door Jezus-Christus werd vervolmaakt en uitgebreid. Welnu, alles wat wij zo juist over Abraham hebben gezegd, en nog heel wat andere zaken meer, zaken wezenlijk voor ons geloof, zijn de Koran geheel onbekend wanneer daar over Abraham wordt gesproken. Men moet trouwens vaststellen, dat het woord Verbond in de Koran niet bestaat. Het [wel gebruikte] woord mîthâq wil niet meer betekenen dan 'pact', 'afspraak'. Er mag dan één naam worden gebruikt, Abraham, maar het betreft wèl twee wezenlijk en duidelijk verschillende personages, de Abraham van de Bijbel, en de Abraham van de Koran. »
22. « Het is van belang er op te wijzen, dat de Koran niet spreekt over Jezus, maar over 'Isa. En 'Isa, wat men dan in het Frans en het Nederlands gewoonlijk [foutief] vertaald met Jezus, is geheel tegengesteld aan de Jezus van de Evangelieën. De Koran, kan en wil Jezus niet bij Zijn ware naam noemen, omdat het boek dan in tegenspraak met zichzelf zou komen. Zou men hem immers Jezus noemen, dan zou dat inhouden, dat men zijn kwaliteit als 'God, Die redt' zou erkennen. Want het woord Jezus komt van het Hebreeuwse Yashû' [ook: Jashoe], dat betekent: 'God redt'. Voor een semiet [en Joden zowel als Arabieren zijn semieten] vertaalt en betekent de naam de diepste natuur van de persoon. Nee, hoor, 'Isa is beslist niet Jezus-de-God-Verlosser, en hij is trouwens helemaal niet gestorven op het kruis [zoals Jezus deed]. »
23. « De Koran zegt echter wel van 'Isa, dat hij een profeet is. Maar het profetisme wordt in de Koran gereduceerd tot een zending om aan de vergeetachtige mens voor te houden, dat 'er slechts één God is zoals God'. 'Isa, zoals de Koran die ziet, is zoon van Maria. Voor de Koran is het van het grootste belang de naam van Jezus steeds te verbinden met die van Maria. 'Isa, zoon van Maria. Dat is zijn identiteit. Het past de Koran niet, dat men geneigd zou zijn te zeggen: 'Jezus, de Zoon van God'. En, wie is Maria dan ? Wel, zij is de zuster van Mozes en Aäron. En zó, door haar te verbinden met Aäron, kan zij niet meer opeisen, dat zij behoort tot het geslacht van koning David. 'Jezus' is dus [volgens de Koran] langs zijn moeder een neef van Mozes. ... Maria is overigens de enige vrouw, die in de Koran wordt genoemd. Zij is een navolgster van Adam, Abraham, Mozes, en Jezus, die allen als voortreffelijke muzelmannen worden voorgesteld. Maria is dan de volmaakte muzelvrouw, een voorbeeld ter navolging voor elke islamitische vrouw. [Men realisere zich wel, dat de blijvende maagdelijkheid om hogere motieven in het islamitische denken geen plaats heeft.] »
24. « Men verstaat nu welke dubbelzinnigheden er schuil gaan achter de veel gehoorde uitspraak: "De Koran spreekt prijzend over Jezus en Maria," welke uitspraak een duidelijke oververeenvoudiging inhoudt. [Een juiste formulering van deze uitspraak zou moeten luiden: "De Koran spreekt lovend over 'Isa, die niet de Jezus der christenen is, en over diens moeder Maria, die niet de Maria van de christenen is."] ... Wanneer de Koran spreekt over het christendom, wanneer de predikanten in de moskeeën er over preken, dan wordt het christendom teruggebracht tot een onwaarachtige caricatuur. ... »