Ik BEN, DIE IS en de GOD-MENS
John Leary, VSA, 14 juli 2011
1. JOL11071405 - Jezus: « Mijn volk, toen Mozes aan God de Vader vroeg, hoe Zijn Maam was, kwam er als antwoord: [JAHWEH, dat is:] “IK BEN, DIE IS ! (Ex.4,14). Deze Naam werd gegeven om de beduiden, dat God altijd heeft bestaan, zelfs vóór dat er sprake was van de Schepping. Het wordt uitgesproken in de tegenwoordige tijd, eveneens om aan te geven, dat God’s bestaan eeuwig is. Het is moeilijk voor de mens om God volledig te beschrijven, dan wel te kennen, en daarom geeft deze beschrijving in de Naam, de mensen een weinig houvast en enig inzicht in wie Hij werkelijk is. »
2. « Mozes vertelde het volk deze Naam, en hij deed voort met het leiden van het volk uit Egypte naar het beloofde land. Ik (Jezus) gebruikte deze zelfde uitdrukking, toen de Joden Mij vroegen wie of Ik ben. Ik vertelde hen, dat Abraham verheugd was om Mijn dag te zien, maar zij konden niet geloven, dat Ik Abraham had gezien. Toen zeide Ik tot hen (Joh 8,58): “AMEN, AMEN, ZO ZEG IK U: EER ABRAHAM WAS, BEN IK.” »
3. « Dit was dezelfde Naam, die God de Vader heeft gebruikt, want wij zijn immers beiden Personen van de Allerheiligste Drieëenheid, dus sprak Ik DE VOLLE WAARHEID ! Het volk wilde Mij toen stenigen, omdat men dacht dat Ik God lasterde. Echter: IK BEN WAARLIJK DE GOD-MENS, maar het volk van Mijn dagen kon niet aanvaarden dat IK ÈN DE MESSIAS WAS, ÈN GOD TEZELFDERTIJD. Heden-ten-dage aanvaardt Mijn volk Mij door het geloof als de Godmens, zoals gij weet, omdat Ik de Tweede Persoon ben van de Heilige Drieëenheid. »