het Gregoriaans

Het Gregoriaans, gebed, muziek of wetenschap?

HET GREGORIAANS IN OPKOMST

Tot vreugde van velen is er de laatste jaren een grotere interesse voor het Gregoriaans. Het is opvallend, en geenszins toeval, dat deze heropbloei samenvalt met een periode waarin het geestelijk leven van het menselijk wezen aan belangstelling wint.

Opvallend is eveneens een hernieuwde belangstelling voor sommige oudere vormen van muziek, voor polyfone oude muziek, maar evenzo voor goede hedendaagse muziek. Bepaalde instrumenten, zoals bijvoorbeeld de citer en het pijporgel, ondervinden weer meer waardering.

Het is niet onbegrijpelijk, dat juist nu het Gregoriaans aan belangstelling wint. Er is echter een groot verschil met de andere muzieksoorten. Het Gregoriaans is niet slechts muziek, het is ook, en op de eerste plaats, gebed, en, omdat het gezongen gebed is, daarom is deze zang verbonden met de liturgie van de Rooms-Katholieke Kerk.

In de liturgische beleving is een zelfde retro-evolutie waar te nemen. Na het Tweede Vaticaans Concilie (1963-1965) wilde men de liturgie versoberen, en ontdoen van veel van haar vormelijke en strak bepaalde gedaante. Het gesproken woord - uit de Heilige Schrift - kreeg meer aandacht. Het Eucharistisch samenzijn rond de Heer werd voortaan belangrijker geacht dan de stille, sacrale offering van de Heer.

De laatste tijd verlangt men echter weer meer naar een mooie vormgeving van de eredienst. Niet de vele woordjes, inleidingen en preken met louter informatieve bedoeling, niet het gemeenschap vieren, maar de aanbidding en de verticale dimensie, de gerichtheid op God, winnen tegenwoordig aan waardering.

Het Gregoriaans is vanouds verbonden met de meer sacrale en contemplatieve liturgie van de Kerk. Het is dan ook noodzakelijk het Gregoriaans als één geheel vormend met de liturgie te beschouwen, óók als het hedendaagse liturgie betreft.

Is het dan verkeerd om bijvoorbeeld Gregoriaanse concerten te houden, waar deze zang van zijn liturgische functie als gebed ontheven, als zelfstandige kunstuiting beluisterd wordt ? Zeker niet, echter men omvat het Gregoriaans dan slechts gedeeltelijk. Deze zang komt pas echt tot zijn recht, in een verzorgde liturgische viering.

HET GREGORIAANS: VOOR VELEN ONTOEGANKELIJK ?

Indien men als koorleider een aantal weken aan een Gregoriaanse mis heeft gewerkt, en het koor deze dan tijdens de Eucharistie ten gehore brengt, is het de vraag hoe en in welke mate deze zang 'overkomt' bij het volk in de kerk.

Deze vraag is van groot belang. Als kerkmusicus is men verplicht zichzelf deze vraag voortdurend te stellen en er zijn handelen naar te richten. Het Gregoriaans is immers, als onderdeel van de liturgie, enerzijds voor God bedoeld, tot Hem gericht, anderzijds voor het Godsvolk bestemd, met het doel de gelovigen te stichten.

De 'ingewijde' is vertrouwd met het Gregoriaans en beleeft het tot in detail. Dan is het wel eens moeilijk zich voor te stellen welke aspecten wel en welke niet tot de ongeoefende luisteraar doordringen. Bovendien zullen de aard en het aantal van deze elementen verschillen tussen jongeren en ouderen, èn tussen degenen, die als katholiek en die als niet-katholiek zijn opgegroeid.

Het is misschien radicaal gezegd, maar soms lijkt het erop alsof het volk in de kerk totaal niets hoort van de tekst en de melodische zinswendingen, maar slechts een bepaalde impressie ervaart. Men hoort dan opmerkingen als: "Het was (weer) schoon, hè ?". Maar de persoon, die zulke opmerkingen maakt, zal niet kunnen zeggen of het nu waren de melodische wendingen, de tekst, of de vocale of interpretatieve prestaties van het koor, die hij als 'schoon' bestempelde. Het muziekstuk of de zang in zijn geheel, zó uitgevoerd, geeft een positieve beïnvloeding van de menselijke geest leidend tot de ervaring 'schoon'.

Hoe kan men nu het Gregoriaans meer toegankelijk maken voor de niet-kenner ? Dit is slechts mogelijk door deze geleidelijk, beetje bij beetje dus, vertrouwd te maken met deze zang. Het is daartoe allereerst noodzakelijk in de kerk tijdens de liturgie voldoende Gregoriaans ten gehore te brengen.

Verder kan het Gregoriaans meer geactualiseerd worden door het te behandelen als onderdeel van de liturgie. Vermenging met andere, meer bekende, muzieksoorten kan nuttig zijn omwille van een langzame gewenning. Over een degelijke uitvoering valt ook heel wat te zeggen, daar het Gregoriaans het niet verdraagt slecht te worden gezongen.

INTEGRATIE IN DE LITURGIE

Het zal vele opmerkzame kerkgangers tijdens de zondagse Eucharistie allereerst opvallen, dat er grote verschillen zijn tussen de Gregoriaanse gezangen enerzijds en de rest van de Eucharistie anderzijds. Er is geen liturgische eenheid, zo ervaart onze kerkganger. Het lijkt erop, dat de reeds eerder genoemde modernere opvattingen van het Eucharistisch samenzijn, van gemeenschap vieren, niet lijken aan te sluiten bij het wezen van het Gregoriaans.

De tegenstelling tussen enerzijds de sacrale, serene, contemplatieve beleving van het Gregoriaans, die gepaard gaat met een verzorgde uitvoering ervan, en anderzijds het verbale en actieve karakter van de rest van de liturgie, kortom de 'praatmis', waarbij elk naar binnen keren door de actie wordt belemmerd, wat samenhangt met de intentie om op de eerste plaats 'samen de tafel van de Heer te vieren', is te groot om tot echte verzoening te komen.

Wil dit dan zeggen dat het Gregoriaans uitsluitend thuishoort in de Heilige Mis van vóór het Tweede Vaticaans Concilie ? Neen, driemaal neen ! Het wil slechts zeggen dat, als men overgaat tot het zingen van Gregoriaans, men zich op voorhand moet realiseren dat óók de rest van de Eucharistie een meer sacraal en beschouwend karakter moet krijgen dan heden gebruikelijk is, om de zo noodzakelijke eenheid van uitvoering te bereiken. Indien echter alle deelnemers aan de Eucharistie dit beseffen en de intentie bezitten deze te bereiken, zal de bedoelde eenheid vanzelf tot uiting komen.

Hieronder volgt een opsomming van enkele punten die voor de integratie van het Gregoriaans in de gemeenschapsliturgie van belang zijn.

De taal van het Gregoriaans

Een eerste factor is de taal van het Gregoriaans. Het Latijn is slechts voor een minderheid verstaanbaar. Het is daarom in veel gevallen niet beter de Heilige Mis volledig in het Latijn te doen. In het algemeen heeft men dan ook vrijwel steeds te maken met de wisseling tussen twee of meer talen. Dit wisselen tussen twee of meer talen benadeelt echter geenszins de liturgische eenheid. De taal is en blijft immers een medium, een geheel van conventioneel vastgelegde te-kens en klanken, dat de gebedsteksten van het Eucharistisch Offer objectief weergeeft, zonder de inhoud te beïnvloeden.

Het is zelfs heel goed mogelijk binnen hetzelfde gezang van taal te wisselen, zonder dat de eenheid geschaad wordt. Als men op Goede Vrijdag zingt: "Sanctus Deus, Hagíos O Theos", waarbij Latijn en Grieks gemengd worden, waarom dan bijvoorbeeld ook niet gezongen: "Heer, die de rouwmoedigen troost, Kýrie eléison", waarbij Nederlands en Grieks worden gemengd ?

Een gewijde sfeer

Belangrijk om de gewijde sfeer te bevorderen zijn het gebruik van wierook, van passende liturgische, liefst fraaie, gewaden, van lezers, acolieten en misdienaars in albe of toog (en niet in burger). Ook de verzorgde uitvoering van sommige liturgische handelingen, zoals een intochtprocessie, kan tot de wijding bijdragen.

Elk van deze liturgische uiterlijkheden is weliswaar conventioneel bepaald, maar heeft, in tegenstelling tot de taal, een directe, gemakkelijk overdraagbare, gevoelsmatige, symbolische en visuele betekenis, te meer zo, indien deze een expressie is van de functie in het liturgisch geheel.

Gezongen aanheffen

Opvallend is, dat gewoonlijk de gehele Eucharistie gelezen, dat is gesproken, wordt, terwijl het Gregoriaans altijd gezongen of minstens gereciteerd wordt. Er ontstaat dan een groot verschil tussen de mooie zang door een muzikaal geschoold koor enerzijds, en de slecht voorgedragen teksten, gewoonlijk door een retorisch matig bekwame priester of lector anderzijds. Waarschijnlijk is dit de belangrijkste oorzaak van het gebrek aan eenheid tussen de Gregoriaanse zang en de moderne wijze van liturgie vieren.

Aangezien het onmogelijk is om Gregoriaans te zeggen, is het aan-gewezen, wil men een grotere eenheid verkrijgen, grote delen van de Eucharistie te zingen. Hierbij moet men vooral denken aan de vele aanheffen, acclamaties en gebeden, die in de Mis voorkomen.

Indien men over goede melodieën analoog aan het Gregoriaans - qua vorm en maat, qua modus en rythme, qua muzikale fragmenten - zou beschikken voor de nederlandstalige teksten, zou het Gregoriaans, muzikaal gezien, beter ingebed zijn in de nederlandstalige liturgie. Sommige musici spreken over Nedergoriaans als het dit type van muziek betreft. Dit betreft bijvoorbeeld de schuldbelijdenis, het gebed na het Gloria, de aanheffen en afsluitingen van de lezingen en het Evangelie, de voorbeden, de prefatie, de canon, de acclamaties, enz.

Waar blijven de hedendaagse componisten die zich toeleggen op zulke aanheffen en recieten ? En waarom staan onze moderne liedboeken er niet vol mee ? Een enkel liederenboek geeft weliswaar wel enige van deze melodieën voor de aanheffen, maar hoe weinig is dat niet vergeleken met de massa's liederen, die zijn geschreven. Men vergete ook niet, dat deze korte en gemakkelijke teksten, die altijd hetzelfde zijn, zich bijzonder goed voor volkszang lenen, veel beter dan de liederen, met soms, voor het ongeoefende volksoor, vreemde wendingen.

Verzorgde retoriek

Men kan de gelezen Nederlandse teksten meer naar het Gregoriaans toebrengen door de voordracht er van beter te verzorgen. Het koor repeteert elke week een uur onder leiding van een gediplomeerd musicus. Dan is het niet meer dan redelijk, dat ook de lectóres een tijd lang iedere week een uur les krijgen van een kundig redenaar ! En ook voor vele priesters en diakens is dat wenselijk.

Een interessante mogelijkheid om tot een goede retoriek te komen, is het (tijdelijk) uitschakelen van de versterkerinstallatie in de kerk. Priester, diaken en lezers worden dan gedwongen tot een heldere, verstaanbare en goede voordracht.

Men kan gelezen teksten zeer goed reciteren op een bepaalde toonhoogte, gebruik makend van non-muzikale stembuigingen bij elk leesteken. Zo'n tekst is zeer goed en gemakkelijk te volgen, zonder geluidsinstallatie en óók indien de lector een kleine of een zwakke stem heeft !

Op God gericht ?

De sacrale geest komt tot uiting door het geheel van plaats, retoriek, gebaren, handelingen, voorwerpen en symbolen, en indien men voldoende aandacht schenkt aan gewijde stilte. Het komt voor, dat een celebrant kans ziet om van elk gebed, tot het kortste toe, een geïmproviseerde preek te maken. De Eucharistie duurt dan in verhouding te lang, en de gelovigen kunnen niets anders doen dan naar het gepraat luisteren.

Op die manier is de liturgie volledig afhankelijk van de luimen en het retorisch kunnen van de celebrant. De priester schuift in dat geval te veel zijn eigen persoonlijkheid naar voren, hij is meer acteur naar het publiek toe, dan middelaar tussen God en de kerkgangers.

De Eucharistie wordt daardoor gedegradeerd tot een medium van informatievoorziening en informatieverwerking. Zij komt dan terecht in de rij van de televisie, de radio, de pers en andere media. Dan is het ook te begrijpen, dat de gelovige kiest voor het TV-journaal: die show is gewoonlijk heel wat beter geslaagd.

Indien men echter in gedachten houdt, dat het merendeel van de gebeden in de Eucharistie niet tot de kerkganger, maar tot God gericht is, en men zijn retoriek hieraan aanpast, zal gemakkelijker een gewijde sfeer tot stand komen. Deze kan verder geaccentueerd worden met momenten van echte stilte. Dit onder de aanname, dat de andere genoemde voorwaarden vervuld zijn.

Gewijde teksten

Een belangrijk element in het geheel van de liturgische viering is de aard van de teksten. Men bedenke, dat het overgrote gedeelte van de misteksten en de teksten van de Gregoriaanse gezangen, genomen is uit de Heilige Schrift. Andere bronnen van deze teksten zijn oude Latijnse liturgische boeken. Woordgebruik en zinsbouw weerspiegelen het gewijde karakter van deze teksten. Ook in de officiële Nederlandse vertalingen is dit karakter grotendeels behouden gebleven, al zijn de vertalingen merendeels nogal vrij, te vrij, volgens velen.

Men bedenke, dat men bij het openbare liturgische gebed, waartoe het Gregoriaans behoort, nu eenmaal niet tegen God spreekt, noch over heilige zaken, op dezelfde wijze als twee volksvrouwen op de markt een gesprek voeren. Liturgisch taalgebruik is nu eenmaal anders dan gesproken volkse taal. Wat in het persoonlijk gebed heel goed mogelijk is, past gewoonlijk niet in het gebed van de Kerk.

Alle deelnemers aan de liturgie dienen dit terdege te beseffen. Er bestaat immers de vrijheid om het inleidend woord, de aanroepen bij de schuldbelijdenis, de voorbeden en het slotwoord zelf samen te stellen. Populair, volks, onbehoorlijk en banaal taalgebruik moet daarbij echt wel vermeden worden.

Een voorbeeld: Tijdens de nachtmis op Kerstmis werd de volgende voorbede gehoord: "Laten wij bidden, dat Kerstmis voor ons meer is dan alleen maar een drank- en vreetfestijn. ....".

Direct daarop klonk het Offertorium van de nachtmis: "Laeténtur caeli, et exsúltet terra ante fáciem Dómini: quóniam venit", dat is: "Laat de hemelen zich verblijden en de aarde juichen voor het aanschijn van de Heer, want Hij is gekomen."

De tegenstelling tussen deze twee vormen van taalgebruik is te groot. De tekst van die voorbede valt duidelijk uit de toon in zo'n plechtige Eucharistieviering van de nachtmis met veel Gregoriaans.

AFWISSELING MET PASSENDE NEDERLANDSE ZANG

Voor vele jongeren is de Gregoriaanse zang moeilijk en afstandelijk, vooral indien deze onvoldoende bekend is. Het is daarom een verrijking indien het Gregoriaans afgewisseld wordt met andere, meer in het gehoor liggende, muziekstijlen, die aan kunnen sluiten bij het sacrale karakter van het Gregoriaans. Echter, vanwege de noodzakelijke muzikale en liturgische eenheid valt een aantal muziekstijlen af.

Eerst en vooral vallen af alle (moderne) sterk ritmische muzieksoorten. Deze muziek is te opzwepend en te heftig om aan te sluiten bij het ingetogen Gregoriaans. Dan alle muziek, die met een groot volume wordt geproduceerd. Zo is het bijvoorbeeld niet gewenst, dat de plaatselijke harmonie of fanfare de Eucharistie, waarbij Gregoriaans wordt gezongen, komt opluisteren. Ook zeer virtuoze muziek, zoals een pianoconcerto van Beethoven, of een vioolconcert van Mozart, is moeilijk in de liturgie met Gregoriaans in te passen. Andere muziek of zang kan wèl geschikt zijn. Nu volgt een opsomming daarvan.

Nederlandse aanheffen

Als allereerste, goed bij het Gregoriaans passende, andere muziek, of liever zang, treden de nederlandstalige aanheffen en recieten naar voren. In het Gregoriaans bestaan veel reciteermethodes en reciteermelodieën voor allerlei gebeden en aanroepingen. Deze melodieën worden vrijwel nergens meer gebruikt. Dit is bijzonder jammer, want door hun eenvoud en kernachtigheid vormden zij vroeger een basisonderdeel van de liturgie. Het volk in de kerk hoorde altijd graag een gezongen "Dóminus vobíscum", en gaf met vuur het antwoord "Et cum spíritu tuo" ! En: omdat dit soort teksten veelvuldig werd gebruikt, was het Latijn geen groot bezwaar; het volk hoorde deze teksten zó vaak, dat men ze goed kende en ook begreep.

Na het Tweede Vaticaans Concilie is zoveel in de structuur en de teksten van de Latijnse Eucharistie veranderd, dat men voor vele gedeeltes niet beschikte over echte (dat zijn oude, authentieke) Gregoriaanse melodieën. Denk aan de acclamatie na de consecratie "Mortem tuam..." Als er toonzettingen bestaan voor die nieuwe teksten, betreft het vaak neo-Gregoriaanse melodieën, gecomponeerd in deze eeuw. Daarom kan men even goed voor het Nederlands nieuwe, gegregorianiseerde, melodieën, door sommigen Nedergoriaans genoemd, maken.

Een groot probleem is, dat er slechts weinig toonzettingen voor Nederlandse aanheffen, e.d. bestaan, en dat het leeuwendeel van de reeds bestaande Nederlandse aanheffen muzikaal minderwaardig is en niet kan tippen aan het Gregoriaans. Componisten zouden zich meer bezig moeten houden met landstalige Nedergoriaanse aanheffen. Niet alleen door Gregoriaanse aanheffen, ook door een voldoend aantal, wel gekozen, Nedergoriaanse aanheffen en gebeden, kan men tijdens de Eucharistie een ingetogen sfeer creëren.

Kerkliederen

Het is een goede zaak het Gregoriaans af te wisselen met passende Nederlandse kerkliederen. Sommige van deze liederen zijn geschikt voor samenzang met het volk en komen qua karakter dicht bij het Gregoriaans door het gebruik van het Gregoriaans ritme en de Gregoriaanse modaliteit. Er zijn echter veel ongeschikte kerkliederen en men moet met kritische zin een keuze maken.

Ook moet men zich realiseren, dat met willekeurig gekozen nederlandstalige kerkliederen geen waardige liturgie te realiseren valt. Want, deze liederen zijn dikwijls vanuit een extraverte en conferentiële gedachtenwereld gecomponeerd. Die wereld past niet bij een godgerichte en sacrale liturgie, noch bij het Gregoriaans.

Men dient er dan ook op te letten, dat de liederen, die men bij het Gregoriaans kiest, van dichterlijk en muzikaal vakmanschap getuigen (men lette dus zowel op de tekst als op de melodie).

Betreffende de tekst bedenke men, dat veel kerkliederen impressionistisch gedacht zijn. Vaak is de tekst een aaneenrijging van klanken en woorden in de stijl van Paul van Ostayen, die subjectieve beelden oproepen. Een ieder schildert zich daarbij een voorstelling van zaken, zoals deze hem/haar past, zoals hij/zij die ervaart. Nieuwe woorden worden daarbij gebruikt, of woorden worden losgemaakt van hun eigenlijke of oorspronkelijke betekenis.

Men moet zich realiseren dat een dergelijke tekst inhoudelijk sterk afhankelijk is van datgene wat de lezer of hoorder er in wenst te leggen. Indien een weinig ontwikkelde kerkganger dergelijke teksten leest of hoort, zal hij ze als betekenisloos ervaren, omdat in hemzelf niet voldoende kennis en ervaring aanwezig zijn om zelf een betekenis aan de tekst te geven.

Men kan moeilijk staande houden, dat op die wijze de actieve deelname van het eenvoudige volk (de meesten) bevorderd wordt. Dan is het beter het volk in de kerk naar de Latijnse klankrijkdom te laten luisteren.

Soorten gezangen

Een laatste aandachtspunt is de melodische bouw, de vorm, van het kerklied: gewoonlijk vormen vier tot zes dichtregels één couplet, en zo zijn er twee tot vier coupletten. Vrijwel alle kerkliederen zijn op deze manier opgebouwd. Indien men de liturgie overlaadt met kerkliederen, dan wel uitsluitend dit type gezang ten gehore brengt, zal de vorm-saaiheid daarvan door het gebrek aan structurele afwisseling, een gevoel van onvoldaanheid bij de aanwezigen voortbrengen. Het is dan ook nodig, om kerkliederen af te wisselen met gezangen, die een andere muzikale structuur hebben.

Men bedenke, dat er talrijke soorten Gregoriaanse gezangen bestaan, elk met hun eigen melodische aard en structuur: tropus, intróitus, graduále, allelúia, sequéntia, tractus, offertórium, commúnio cum psalmo, hymnus, melódia, cantiléna, antíphona cum psalmo, responsórium, responsórium breve, psalmus responsoriális, psalmus alleluiáticus, terwijl er bovendien nog tien psalmtonen, aparte tonen voor responsoriepsalmen, en tonen voor aanheffen en acclamaties bestaan.

In een doorsnee Latijnse liturgische plechtigheid worden van al deze soorten en vormen er altijd meerdere gebruikt. Qua melodische structuur is de Gregoriaanse hymne het meest verwant met het nederlandstalige kerklied. Echter in geen enkele Latijnse viering worden uitsluitend hymnes gezongen.

En het is opvallend, dat in de Latijnse Heilige Mis geen enkele hymne als verplicht gezang voorkomt. Men mag na de communie een hymne ter ere van het Heilig Sacrament als danklied zingen. En in nevenplechtigheden van de Eucharistie, zoals processies, komen hymnes voor. Maar niet in de Mis zelf. En dit was tot 1965/1970 - in de oude Latijnse liturgie - altijd al zo, en het is in de nieuwe Latijnse liturgie zó gebleven.

Wijst dit er niet op, dat de typische vorm van een kerklied/hymne minder bijdraagt tot de wijding van de Eucharistie dan andere vormen van zang ? En hoe zou dan het uitsluitend zingen van kerkliederen de moderne gelovige tevreden kunnen stellen, als de bijna 2000-jarige ervaring anders leert ? Het zingen van slechts kerkliederen, en geen andere soort gezangen, tijdens de Eucharistie is dan ook af te raden.

AFWISSELING MET MEERSTEMMIGE KOORMUZIEK

Het hoeft geen betoog, dat talrijke religieuze meerstemmige koorwerken heel goed bij het Gregoriaans passen. In de traditie is het gewoonlijk het Kyriale van de Mis, dat meerstemmig wordt uitgevoerd, waarbij dan enkele of alle eigen gezangen van de liturgische tijd of het feest Gregoriaans kunnen zijn of Nederlands, en de aanheffen Nederlands of Gregoriaans gezongen.

Maar een Gregoriaans of Nederlands Kyriale kan ook heel goed samengaan met enkele meerstemmige muziekstukken passend bij het tijdeigen of het feesteigen, waarbij de aanheffen weer of Gregoriaans, of Nederlands gezongen kunnen zijn.

De Eucharistie wordt feestelijk en plechtstatig indien men gebruik maakt van meerstemmige koorwerken. Het aantal geschikte homofone en polyfone gezangen is zeer groot. Men vindt altijd wel wat van zijn gading, ook als het koor niet zo groot is, of als de stukken niet te moeilijk mogen zijn.

GREGORIAANS EN HET ORGEL

Wel of geen orgelbegeleiding ?

Nu is het gepaste moment aangebroken om te spreken over de orgelbegeleiding van het Gregoriaans. Het is natuurlijk juist, dat het Gregoriaans oorspronkelijk a capella werd gezongen. Het pijporgel bestond toen echter nog niet. De vernieuwing, die het begeleiden door het orgel inhoudt, wordt door velen echter als een praktische verbetering beschouwd, en verdient daarom vaak de voorkeur. Men bedenke ook, dat een uitvoeringswijze niet per se beter is, alleen maar omdat zij ouder is.

Want, in het algemeen is, door het orgel begeleid Gregoriaans, meer toegankelijk voor de luisterende leek-niet-musicus, dan het a capella gezongene. Daarom is het in heel wat omstandigheden aangeraden het Gregoriaans zoveel mogelijk te begeleiden, of het nu koor- of volkszang betreft.

De begeleiding helpt amateur-zangers beter te zingen. Het orgel ondersteunt de zangers en het volk, waardoor dezen meer toonvast zullen zingen. Men zal minder gemakkelijk in toon zakken.

Het orgel vergroot het klankspectrum. De orgelbegeleiding vult het frequentiegebied van de zang aan. Het maakt deze voller en ronder, en ook feestelijker, door de aanvulling van het toongebied.

De gregoriánici, dat zijn de voorvechters van de authentieke wijze van uitvoeren, nl. a capella, willen zingen zonder orgelbegeleiding.

Het Gregoriaans is fundamenteel éénstemmig. Voegt men een meerstemmige orgelbegeleiding daar aan toe, dan worden de harmonieën van die begeleiding in zekere mate ervaren als een ten onrechte toegevoegd element, als iets dat niet past bij het monodisch karakter van de Gregoriaanse zang.

Deze kritiek op Gregoriaanse orgelbegeleidingen is terecht. Er is echter heel veel mogelijk om het feitelijk effect in de praktijk tot aanvaardbare proporties te reduceren. Dat hangt samen met de wijze van begeleiden.

Als de orgelbegeleiding aan die eisen voldoet, dan worden - volgens talrijke dirigenten - de bedoelde nadelen gecompenseerd door de bovengenoemde voordelen.

Hoe met het orgel begeleiden ?

Sommige organisten begeleiden niet ondersteunend genoeg, maar eerder in de war brengend. Indien de organist verkeerd begeleidt, geraakt het koor uit haar muzikaal evenwicht, het wordt eerder gehinderd in plaats van ondersteund. Dit verkeerd begeleiden kan verschillende oorzaken hebben:

Men begeleidt te luid, te fors, met te veel registers, of met de verkeerde, registers.

Men begeleidt met een verkeerd akkoordritme. De organist moet altijd weten welke akkoorden hij wanneer zal gaan gebruiken. De verandering van akkoorden, het akkoordritme, moet bewust en op het juiste moment geschieden, afhankelijk van het tekstritme en de melodielijn. De organist moet van te voren uitzoeken, waar hij zijn akkoorden zal wisselen. Hij kijkt hiervoor naar het melodisch verloop van het gezang en naar de accentenlijn van de tekst.

Men begeleidt met de verkeerde akkoorden. De juiste akkoordkeuze is iets wat enige vakkennis vereist, en kan zeker niet 'op zicht' gebeuren, zoals veel organisten proberen te doen. Het vinden van akkoorden, die de fundamentele eenstemmigheid, èn de modaliteit van het Gregoriaans niet schaden, vereist een aparte techniek, welke lang niet iedere organist beheerst. Ook begeleidingen van Gregoriaans moeten van te voren door de organist worden ingestudeerd.

Muziektheoretici zeggen wel, dat de heden gebruikte gelijkzwevende stemming van de orgels niet past bij de oeroude modi van het Gregoriaans. De gelijkzwevende stemming is echter heden universeel verspreid en dermate ingeburgerd, dat de gemiddelde koorzanger er toch in zingt, zelfs 'a capella'.

Beluistert men begeleide monastieke zang van Gregoriaans op grammofoonplaten of CD's, dan valt op, dat de akkoorden merentijds eenvoudig zijn, dat steuntonen nog al eens lang worden aangehouden, dat de aanvulling van het toongebied van de zang door het orgel gewoonlijk met lagere tonen geschiedt, en dat het orgel qua volume en stem nooit domineert. Deze wijze van begeleiden laat het monodisch karakter van het Gregoriaans zo veel mogelijk in zijn waarde, en is toch ondersteunend.

Dit is iets voor onze organisten om eens over na te denken. Want men bedenke, dat de opleiding tot professioneel organist er in hoge mate op is gericht om lange en moeilijke orgelstukken, zoals fuga's van Bach, met verve voort te brengen. Het is dan al orgel wat de klok slaat, en dat is terecht. Deze mentaliteit van de presterende eenling wordt de muziekstudent als het ware vanzelf bijgebracht, en dat is passend voor dat doel van de orgelstudie.

Maar het is niet de mentaliteit, die het begeleiden van Gregoriaans tot een succes zal maken. Toch zullen er meer organisten hun brood verdienen met begeleiden, dan met het uitvoeren van zelfstandige orgelconcerten. En dikwijls kan men in onze kerken horen, dat de organist nog steeds een 'fuga van Bach' manier van spelen heeft, en nog niet heeft begrepen, wat de eisen zijn, te stellen aan de begeleiding van zo'n serene en sacrale zang als het Gregoriaans. Dan maar weer a capella denkt menig dirigent zuchtend in zichzelf, want men kan niet elke keer de organist verwijten maken.

 

Orgelsolo's

Het is mogelijk de Gregoriaanse begeleiding aan te vullen met orgelsolo's. Vele organisten kunnen op kundige wijze improviseren rond de gegeven Gregoriaanse melodie waarbij ze de diverse klankkleuren van hun orgel aan bod laten komen. Verder bestaan er talrijke orgelstukken die bijzonder geschikt zijn om tijdens de liturgie het Gregoriaans aan te vullen. Wel veronderstelt dit alles dat er een goed orgel in de kerk aanwezig is. Helaas treft men in sommige parochies een verregaande nonchalance aan waar het onderhoud en herstelling van het kerkorgel betreft.

De waardering voor het werk van de organist laat soms te wensen over. Men beseft dan te weinig, dat de organist een der belangrijkste personen, van allen die meedoen aan de Eucharistie, is. Daaruit blijkt dan hoe sterk het belang van verzorgde muziek en zang in de liturgie op die plaatsen onderschat wordt.

PERFECTIE IN DE UITVOERING

Te stellen eisen

De niet geschoolde luisteraar is gewoonlijk niet bij machte een analyserende beschrijving te geven van het aanhoorde, waarbij hij bepaalde facetten positief of negatief beoordeelt, zoals een musicus dat zou doen. Toch hoort zo iemand wel degelijk hetgeen er slecht of goed aan de zang is, maar men kan het niet uitleggen.

Een probleem hierbij is, dat indien een goed muziekstuk slecht wordt uitgevoerd, men het als slecht zal beoordelen en andersom; een slecht muziekstuk, dat mooi wordt uitgevoerd, zal als goed worden ervaren. Als het koor tijdens de Eucharistie een flinke fout zingt, heeft gewoonlijk iedereen het gehoord, zelfs degenen, die de ganse Mis zitten te suffen !

Daarom is men altijd verplicht voor een zo goed mogelijke uitvoering te zorgen. De dirigent moet dan ook zijn kennis altijd blijven uitbreiden om de eigen zang voortdurend te kunnen verbeteren.

De noodzakelijke kennis en kunde vallen op te delen in twee categorieën:

Groep 1 omvat alles wat het maken van muziek betreft; vocale en muzikale technieken, koorleiding, solfège (notenleer), kortom algeme-ne muzikale kennis en vaardigheden zoals zingen, piano en orgel spelen, directie, e.d.

Groep 2 omvat de meer specifieke theorie van het Gregoriaans: semiologie, ritme, modaliteit, chironomie, enz. Dit is het terrein van de gregoriánici onder de musici.

Het belangrijkste bij de uitvoering

Beide groepen zijn belangrijk, maar willen alle gregoriánici alstublieft bedenken, dat de eerste groep het belangrijkste is ? Het is onmogelijk Gregoriaans te zingen zonder kennis van stemplaatsing en ademhaling, agogiek, accenten, klinkerplaatsing, melodische articulatie, textuele articulatie, enz.

De musicologen mogen praten en studeren, en onderzoek doen naar de oudste en mogelijk de correctste wijze van uitvoeren, de musici willen vandaag in de liturgie optreden en dáár goed voor de dag komen. Indien men de eerste groep kundigheden, óók de tweede groep heeft verworven, zal een voortreffelijke uitvoering van het Gregoriaans mogelijk zijn.

Men is op vele plaatsen het belang van de wetenschappelijke kant van het Gregoriaans, het belang dus van de tweede categorie, vooral dan van de semiologie, flink aan het overdrijven. Men poogt daarbij, noot voor noot, te achterhalen, hoe het echte, dat is het oude Gregoriaans van vóór de tiende eeuw, is gezongen. Het Gregoriaans wordt dan niet langer beschouwd als zang in de (hedendaagse) liturgie, die mooi moet zijn en goed moet worden uitgevoerd, maar als een musicologisch fenomeen, dat geperfectionaliseerd moet worden.

Een gevolg van het leggen van deze éénzijdige nadruk op een zg. semiologisch correcte en authentieke uitvoering, is bijvoorbeeld dat de paters Benedictijnen van een zeer bekende abdij in Frankrijk tijdens een zondagsmis in 1988 er niet in slaagden op toon te zingen. En men kan heden (eind 1995) zonder moeite enkele recente CD's van bekende Gregoriaanse koren in de Benelux noemen, waarop het koor (zonder orgelondersteuning) niet één keer, maar verschillende keren, flink zakt, en de voorzanger de toon telkens op moet trekken. Semiologisch mag dat allemaal bij de tijd zijn, vocaaltechnisch is het onverantwoord.

Authentiek of muzikaal verantwoord zingen ?

Niet de authenticiteit van de gezangen of de zg. authentieke uitvoering daarvan is de hoofdzaak, nee, de praktische bruikbaarheid in de liturgie is dat ! Niet de zoveelste semiologische ontdekking is het meest lovenswaardige feit, hoe interessant dit wetenschappelijk gezien ook is, maar wel het wekelijkse engagement van koorleiders, koorzangers en organisten over de hele wereld om verzorgd en fraai te zingen ter ere van God en ter stichting van het volk.

Bovendien is de semiologie slechts één tak van de muzikale archeologie. Veel semiologen zijn zo gegrepen door hun specifieke studies, dat zij vergeten, dat er ook nog een wetenschap van modus en rythme is, die als fundament van het zingen en de zang onontbeerlijk is.

Voldoende gregoriaans-theoretische kennis is voor elke kerkmusicus noodzakelijk, echter de algemeen-muzikale kennis moet er eerst zijn. Het is er mede als met de literatuur: men kan pas een goed leesbaar boek schrijven, als men de letters, de woorden en de grammatica beheerst, als men de taal kent. Pas op de tweede plaats komt de kennis van het specifieke onderwerp van het boek.

Het is daarbij van belang matigheid na te streven in het toepassen van de nieuwste semiologische ontdekkingen en daarbij een gulden middenweg te bewandelen. Waarlijk goede koorzang zonder theoretische onderbouw is even onmogelijk, als wetenschappelijk interessante musicologische beschouwingen zonder kennis van de koorpraktijk.

De interpretatie

Eenzelfde matigheid is wenselijk waar het de interpretatie betreft. Van onschatbaar belang voor het praktisch gebruik van het Gregoriaans is een universeel aanvaarde interpretatie. De authenticiteit van het Gregoriaans moet in beperkte mate opgeofferd worden aan de praktische bruikbaarheid. "Wie es gewesen ist", is niet normgevend, wel instructief. Wij moeten nù zingen met onze mogelijkheden in onze situatie en daarbij gebruik maken van alle kennis en ervaring, die in de loop der eeuwen verzameld zijn. Het oudste is niet noodzakelijkerwijze het beste voor onze dagen.

Men is momenteel in het wetenschappelijk onderzoek zover, dat vrijwel al het Gregoriaans in de liturgische boeken historisch verantwoord is. Slechts details betreffende de melodie, de ritmische nuancering en de interpretatie zijn nog voor verbetering vatbaar. Men mag musicologisch gezien zeer tevreden zijn met de resultaten van het onderzoek van de laatste honderdvijftig jaar. Het bereikte resultaat is ruim voldoende voor een verantwoord gebruik in de liturgie.

De verspreiding van het Gregoriaans

Daarom is nu de tijd aangebroken waarin men in de eerste plaats moet werken aan de verspreiding van een Gregoriaans dat overal ter wereld hetzelfde zal zijn. Daarvoor zijn volgende punten noodzakelijk:

Een gematigde interpretatie, vertrekkend van een constante lengte van de basisnoten, een ondeelbare tactus. Een goed musicus kan ook mooi zingen zonder al te veel te versnellen of te vertragen. Deze tactus is belangrijk om een goede, dat is gelijke, samenzang te verkrijgen.

Het aanvaarden van het Graduále Románum 1974, in zijn geheel, waar het de melodieën betreft, dus inclusief de ritmische tekens. Iedereen is er nu wel van overtuigd, dat vele van die ritmische tekens slecht of onhandig geplaatst zijn. En men weet ook, dat sommige melodieën eigenlijk een beetje anders moeten zijn hier en daar.

Zolang er echter geen ander verbeterd Graduale verschenen is (en de kans daarop is de eerste tien jaren uiterst gering), is het gewenst dat alle koorleiders en zangers over heel de wereld het huidige boek, qua muzikale uitvoering, aanvaarden.

Indien het woord componeren (van: com-pónere = samen-leggen) letterlijk genomen wordt, zijn de gezangen in dit Graduale door de monniken van Solesmes 'gecomponeerd', dat is vanuit de oude handschriften bijeengezocht, bijeengelegd, door de oeroude neumen te interpreteren naar de kennis van onze dagen.

Het is beter het huidige Graduále van 1974 te beschouwen als een nieuw element in de Gregoriaanse evolutie. Dat het een goed element is, werd reeds bewezen door de talrijke herdrukken van het oude Graduále Románum en van het Liber Usuális van Solesmes, die muzikaal gezien weinig afwijken van het huidige boek. Enkel de ordening der gezangen en de gegevens van het liturgisch jaar zijn in het nieuwe boek sterk gewijzigd, en er zijn enkele oude gezangen ingevoegd. Melodisch zijn er geen verschillen met de oudere boeken.

Dus: reeds vanaf het begin van deze eeuw zijn er zeer aanvaardbare 'tussenvormen' van melodieën en ritme van het Gregoriaans bekend, èn in gebruik. Zangers en koren overal ter wereld zijn dááraan gewend, en dááraan gehecht.

Het vergroot alleen maar de huidige liturgische verwarring als men - zoals sommige koren doen - bekende gezangen, bijvoorbeeld, van de uitvaart, Réquiem ætérnam, met een iets andere melodie en een afwijkend ritme ten gehore brengt, en op CD's uitbrengt. Hoe interessant dit wetenschappelijk ook mag zijn, en hoe strelend voor het gevoel van eigenwaarde van het koor dit wel zal zijn, het gebruik van het Gregoriaans in de liturgie, in de gewone parochiemis, wordt er niet door bevorderd, eerder door bemoeilijkt.

Het is beter met kracht te streven naar het universele gebruik van het bestaande Graduále en zó de verspreiding van het Gregoriaans nú te bevorderen. Ondertussen wachte men op een herziene, meer volmaakte, meer wetenschappelijk verantwoorde, versie van het Graduále, welke te zijner tijd wel zal uitkomen.

De heropbloei bevorderen

Belangrijk om de heropbloei van het Gregoriaans te bevorderen zijn de volgende praktisch-muzikale zaken:

De koorsamenzang. Het gelijk zingen van Gregoriaans is voor een koor een hele opgave. De zangers moeten dan ook goed op elkaar ingespeeld zijn. Men moet dus veel oefenen.

De juiste stemtechniek. Niets is zo lelijk als een koor dat staat te schreeuwen, of dat zingt met zeer veel stemruis. Geen enkele andere zangstijl is zo gevoelig voor verkeerd stemgebruik, als het Gregoriaans. De plaatselijke zangpedagoog kan u meer vertellen over ademhaling en stemgebruik.

Een goede klinkerplaatsing. Elke klank heeft een eigen bijbehorende stand van mond- en keelholte. Indien deze plaatsingen onvoldoende geoefend zijn, ontstaan lelijke, want vervormde, klanken tijdens het zingen. Er bestaan verschillende opvattingen over het klinkergebruik in het Gregoriaans. Welke men ook kiest, de zangers moeten allemaal dezelfde klinkerplaatsing volgen.

De goede muzikale technieken. Een muzikaal verzorgde uitvoering ontstaat pas indien de dirigent oordeelkundig gebruik maakt van accenten, versnelling/vertraging, luider/zachter zingen, articulatie (ritmering) van de muzikale delen en deeltjes t.o.v. elkaar, enz.

Een correcte uitspraak met een goede articulatie van de Latijnse teksten. Men zie het boekje De kerkelijke uitspraak van het Latijn met nummer LT203 uitgegeven door Ioánnes Courlísius, Domus Editória v.z.w.

Het universele gebruik van dezelfde zangboeken, waardoor er geen verwarring zal ontstaan betreffende melodie en ritmering.

BESLUIT

De bedoeling van deze verhandeling is er op te wijzen hoeveel er mogelijk is om het Gregoriaans meer toegankelijk te maken voor de niet-kenners, met andere woorden, voor het volk in de kerk. Bovendien kan er veel gedaan worden om het Gregoriaans beter te integreren in de huidige liturgie. Aangezien er veel verschillende zaken, die niet direct verband met elkaar lijken te hebben, gezegd zijn, is het zinvol de belangrijkste gedachten nog eens samen te vatten.

De laatste tijd is er een groeiende interesse voor het Gregoriaans waar te nemen. Rond de voorlaatste eeuwwisseling was het grootste probleem, dat de muzikale gestalte van het originele Gregoriaans niet goed bekend was. Heden beschikken wij echter over alle nodige boeken met, wetenschappelijk gezien, in voldoende mate verantwoorde melodieën. Heden bemerkt men echter enige antipathie tegen het Gregoriaans in sommige parochies. De matige verspreiding en de achterblijvende praktijk zijn heden dan ook de grootste zorg, groter dan een semiologisch verantwoorde uitvoering !

Het Gregoriaans hoort thuis in een sacrale en contemplatieve liturgie. Deze zang gaat moeilijk samen met de huidige conferentiële, sterk verbale, vormgeving van de hedendaagse misviering, die dik-wijls ook qua symboliek, taalgebruik, handelingen, kleding, en uitvoering te kort schiet. Wil men Gregoriaans zingen, dan is het nodig voor de rest van de Eucharistie ook te streven naar een geest van ingetogenheid en sacraliteit.

Eenheid in de uitvoering en een geest van wijding kunnen worden bevorderd door de volgende punten te bedenken:

* men dient geen schrik te hebben voor een veelvuldige wisseling van taal, van Nederlands naar Latijn, en omgekeerd.

* men make gebruik van de geëigende (gewoonlijk van oudsher bekende) symbolen, liturgische gewaden, ornamenten en gebaren.

* men kan het Gregoriaans het beste aanvullen met landstalige aanheffen, gebeden en recieten.

* men dient de voordracht van de teksten zeer goed te verzorgen en, indien mogelijk, de teksten te reciteren.

* men moet rekening houden met de behoefte aan een sfeer van gewijde stilte, en men vermijde daarom 'te veel tegen het volk aan te praten'.

* men gebruike altijd gewijde teksten, zoals men die in de officiële liturgische uitgaven aantreft. Deze sluiten beter aan bij het sacrale karakter van het Gregoriaans. Men vermijde thematische verbale eendagsvliegen.

Het Gregoriaans wordt meer toegankelijk voor degene, die deze liturgische zang niet kent, door vermenging met andere passende muziek en zang. Van belang zijn vooral de afwisseling met landstalige aanheffen en recieten. Verder is afwisseling met kerkliederen, meerstemmige koorwerken en orgelmuziek mogelijk. Het belang van passende muziek en zang in de liturgie wordt nogal onderschat. Kerkliederen moeten met veel kritische zin en met zorg worden gekozen daar er veel zijn met minderwaardige teksten en melodieën.

Koren moeten altijd streven naar een zo goed mogelijke uitvoering van het Gregoriaans. Zowel gregoriaans-theoretische kennis als praktisch muzikale kennis is nodig, maar het tweede verdient prioriteit. Gregoriaanse zang moet op de eerste plaats muzikaal verantwoord zijn, daarna pas historisch. En, een universeel gebruikte interpretatie is belangrijker dan nog meer historisch verantwoorde melodieën.

Daarvoor is het gewenst dat het Graduále Románum 1974 overal aanvaard wordt, de melodieën, inclusief de ritmische tekens. De muzikaal correcte afwerking van het Gregoriaans verdient grotere aandacht dan een mogelijk historisch meer juiste interpretatie.

De wens van de vele liefhebbers van het Gregoriaans is dat deze zang haar eerste plaats in de liturgie zou terugkrijgen. En zou de intentie om te komen tot een meer sacrale liturgie, die met dit streven gepaard gaat, de cijfers van het kerkbezoek niet kunnen verhogen ?

Men kan landstalige kerkliederen schrijven zoveel men wil, het Gregoriaans zal qua melodramatische inhoud daar altijd torenhoog boven blijven uitsteken (mits het goed uitgevoerd wordt). Iemand die veel met Gregoriaans bezig is, krijgt vroeg of laat de gewaarwording, dat deze zang qua geestelijke draagkracht zodanig dicht bij het volmaakte komt, dat het ongeloofwaardig lijkt, dat ze zonder de hulp van de Heilige Geest gecomponeerd en neergeschreven zou zijn !