ART09021101 -- Versie 11 februari 2009
FILOSOFISCHE ONTWIKKELINGEN
Auteur: Ir. Ing. Jan A. A. van der Wulp
Postadres: Maxburgdreef 41, B 2321 Hoogstraten-Meer
Email: ioco@skynet.be
FILOSOFISCHE ONTWIKKELINGEN WELKE HET ONTSTAANSMODEL BEÏVLOEDEN
INLEIDING
1. Het is bijzonder merkwaardig, dat juist in onze dagen - breed genomen - drie min ofmeer nieuwe, natuurwetenschappelijke theorieën een reusachtige invloed beginnenuit te oefenen op de filosofische elementen van het ontstaansmodel. Onder het ontstaansmodel verstaat men de verklaring en de uitleg van het ontstaan van planten,dieren, en de mens. Of de filosoof nu creationist, dan wel evolutionist is, hij zal de natuurwetenschappelijke gegevens niet kunnen negeren, wil zijn ontstaansmodel denoodzakelijke binding met de werkelijkheid behouden. Het betreft hier de leringen vande fysische informatieleer, de verenigde veldtheorie, en de universele cosmologie.Deze worden achtereenvolgens besproken waarbij wordt gewezen op de filosofischeconsequenties. Men beschouwe de volgende tekst als een bijdrage aan de discussie inhet Darwinjaar.
DE FYSISCHE INFORMATIELEER
Een natuurwet gegrond op de realiteit
2. Sommige filosofen menen, dat de informatie van de (genetische) code vastligt in dematerie, en geen afzonderlijk daarboven uitgaand statuut (nodig) heeft, en men noemtdan gewoonlijk de informatietheorie van Shannon en Von Neumann. Daaruit blijktechter, dat dezulken de fysische informatieleer van Dr. Werner Gitt niet kennen. Watjammer is. Want de theorie van Gitt is niet weer één van de informatietheorieën, diemen naast die van de anderen kan plaatsen. Immers, de theorie van Shannon beweegtzich alleen maar op statistisch niveau, terwijl die van Gitt, die vijf lagen onderscheidt,daar ver boven uit gaat, en die van Shannon dan ook als laagste niveau omvat.
3. Eerst in de twintigste eeuw is duidelijk geworden hoe belangrijk en ingrijpend hetbegrip informatie is. Men heeft een ganse informatieleer nieuw moeten opbouwen.Toepassing daarvan vindt men in alle computersystemen, heden niet meer weg tedenken uit onze samenleving, in de telecommunicatietechniek, in de theorie vanwerkelijke talen en kunsttalen, en in alle biologische systemen. De Amerikaan Shannon was de eerste die probeerde een pakket informatie meetbaar te maken. De informatietheorie van Shannon houdt zich bezig met de statistische aspecten van eentekenvolgorde, bijvoorbeeld een lange rij letters. Deze theorie houdt echter geenrekening met de betekenis van de informatie, en is daarom niet geschikt om alle aspecten van het begrip informatie te vatten.
4. De Duitser Dr. Werner Gitt heeft de fysische informatietheorie of informatieleer opgesteld. Zoals elke natuurwet is ook deze afgeleid uit waarnemingen van dewerkelijkheid. Men kan het definitiegebied van het begrip informatie zeer scherpafgrenzen. Alle ons bekende natuurwetten hebben slechts betrekking op de materie enop energie-omzettingen. De fysische informatieleer gaat verder dan dat, en moet ookeen natuurwet worden genoemd. Alle natuurwetten kunnen voor voorspellingenworden gebruikt. Dat geldt ook voor deze informatiewet. Men kan zekere gevolgtrekkingen maken. Natuurwetten zijn universeel geldig. Zo ook deze informatiewet. Diewetten gelden voor levende en voor levenloze systemen.
5. De fysische informatieleer omvat behalve de statistische aspecten van de informatieook de syntax, de semantiek, de pragmatiek, en de apobetiek. De informatieoverdrachtgaat van zender naar ontvanger. Zender en ontvanger moet men zeer breed verstaan.Het kunnen personen zijn, of technische maaksels, of eiwitten, elementen van hetDNA, ja, wat niet al. Van hoog naar laag onderscheidt men eerst de apobetiek. Dezender wil een bepaalde gebeurtenis doen geschieden, en wil dat een gegeven doelbereikt wordt. Eén stap lager is er de pragmatiek. Deze omvat de handeling die doorde zender wordt verwacht, en door de ontvanger wordt uitgevoerd. Weer lager is er desemantiek. Deze omvat de gedachten van de zender, die worden medegedeeld, en debetekenis van de ontvangen informatie. Nog lager vindt men de syntax. Die omvat degebruikte code waarin het bericht is verborgen. Op het laagste niveau vindt men destatistiek. Het door de zender uitgezonden signaal moet door de ontvanger wordenopgenomen.
6. Bij de apobetiek gaat het om het doel van de informatie-overdracht of van de gebeurtenis. De pragmatiek omvat de gedachte of voorgestelde handeling en de uitgevoerde handeling nodig om het doel te verwerkelijken. Bij de semantiek gaat het om debetekenis van de overdracht der gegevens. De voorlaatste trap van de syntax gaat overde codering van de natuurlijke of kunstmatige spraak en de decodering ervan. En delaatste trap betreft de statistiek, de technische uitvoeringsvorm en de technische wijzevan overdracht met de daaraan verbonden statistische aspecten. De vijf aspecten zijnnauw met elkaar verweven. Zowel bij de zender als bij de ontvanger gaat het omspecifieke elementen. Het doel van de informatie-overdracht wordt niet bereikt als inwelke laag dan ook een breuk in de overdracht optreedt.
Informatie is een geestelijke grootheid
7. Welnu, dit betrekkelijk jonge concept van het begrip informatie berust op het uiterstbelangrijke en principiële feit, dat deze grootheid genaamd informatie, wezenlijk geenmateriële, maar een geestelijke grootheid is. Weliswaar kan men informatie opslaanen bewaren door hechting aan materie, men kan de informatie middels fysische entechnische systemen overdragen, maar informatie ontstaat beslist niet in of door eenmateriëel proces. Informatie ontstaat slechts door en uit een idee, door een bedenker,door een met geest begiftigd iemand, door de inzet van intelligentie (verstand) en wil.
8. In materialistische theorieën wordt dit feit echter verwaarloosd, en wordt informatieals een zuiver fysisch of technisch fenomeen beschouwd, wat niet met de waarnemingen en de realiteit overeenstemt. Men prente het zich in: Informatie is geen grootheid van de materie, zoals druk of temperatuur, het is een geestelijke grootheid, diewel wordt gedragen door de materie of de stof, wel aan de stof is gebonden, altijd ingecodeerde vorm, maar die nimmer zijn oorzaak in die materie vindt.
De wetten die de informatie regeren
9. Bij het onderzoek van onbekende gevallen kan men altijd bepalen of men zichbinnen of buiten het definitiegebied van de informatie bevindt. De belangrijkste natuurwetten betreffende informatie zijn:
Alle informatie is gecodeerd. Niet-gecodeerde informatie bestaat niet.
Er bestaan geen codes zonder code-afspraken. Alle codes zijn gebaseerd op vrije engewilde overeenstemming tussen zender en ontvanger.
Alle informatie komt voort uit een zender. Informatie zonder zender bestaat niet.
Aan het begin van elke keten van informatie-overdracht staat een geestelijke (intelligente) oorsprong.
Informatie kent altijd een willende oorsprong. De zender 'wil' iets.
Alle informatie wordt gekenmerkt door vijf hiërarchische lagen, van laag naar hoog:statistiek, syntax, semantiek, pragmatiek, apobetiek.
In statistische processen kan informatie niet ontstaan.
10. En, let wel: De fysische informatieleer is een universele natuurwet (zoals devalwet van Newton), die stoelt op de ervaring, op het experiment. Alle technischesystemen volgen deze wet zonder mankeren. En de levende systemen eveneens. Dezewel zeer beknopt weergegeven fysische informatieleer maakt het mogelijk verstrekkende conclusies te trekken.
11. Ook betreffende de herkomst van het leven kan de informatieleer worden bevraagd.Al het leven, en zeker het hoger geordende leven van de zoogdieren en de mens, wordtin hoge mate door informatie, vastgelegd in het DNA van de soort, bepaald. Op grondvan de fysische informatiewet moet deze informatie een geestelijke grondslag, eengeestelijke oorsprong, hebben. Het evolutieve idee, dat de genetische informatie(alleen) uit en door de materie ontstaat, is volgens de fysische informatieleer vals.
12. Dr. Gitt heeft meerdere boeken van verschillend wetenschappelijk niveau geschreven. Hij kreeg in het begin veel kritiek op zijn leringen, die ongewoon en nieuw waren,heeft dan jaren lang de universiteiten afgereisd, en overal lezingen gegeven, waarbij hijaltijd alle critici kon overtuigen van de juistheid van zijn theorie. Dat komt, omdat allesystemen zijn theorie - die nu een leer mag worden genoemd, omdat een leer zeker is -volgen. Er is geen enkel practisch geval bekend, wat die leer niet volgt.
13. Tegenwoordig wordt Gitt's leer door natuurwetenschappers geheel aanvaard. Wel-licht (nog) niet door sommige filosofen, die mogelijk de quintessens van zijn leer nietgoed begrijpen. De vakfilosoof zal echter moeten erkennen, dat elke meer materialistische of naturalistische filosofie niet aan de onontkoombare eis van een geestelijkebron van de genetische info kan voldoen. Temninste als men de band met de realiteitwil behouden. Wat is er dan wel mogelijk in welke andere filosofie ? Het KosmischBewustzijn, de Universele Geest, of toch een God-Schepper ? Of een agnostischstandpunt innemen, omdat men het niet weet ? Er is nog denkwerk te doen door devakfilosofen.
OVER RELATIVITEIT EN DETERMINISME
14. Nu het tweede punt van groot filosofisch belang. Een diepgaand filosofischprobleem werd begin 20ste eeuw opgeworpen door de quantummechanica en de relativiteitstheorie, waarbij de namen van de bekende natuurkundigen Niels Bohr,Planck, en Einstein opkomen. De priester-theoloog-fysicus Mgr. Georges Lemaître (KUL) heeft dit probleem van de relativiteitstheorie kort verwoord als volgt:"Er is geen oorzakelijkheid in de natuurwetten." De fysische wereld zou "onzeker"zijn, hoogstens "stochastisch bepaald", dat wil ongeveer zeggen: de wetten van destatistische analyse volgen. Deze onzekerheid speelt in de kaart van evolutionistischetheorieën over het ontstaan van het heelal, zoals de Big-Bang-theorie. Daarover verderop meer in het derde punt.
15. Vanzelfsprekend is de causaliteit een filosofisch grondbegrip in de natuurwetenschappen. Er bestaat geen ingenieurswetenschap zonder causaliteit. Al de tegenwoordige huishoudelijke en industriële systemen en apparaten werden ontwikkeld en blijkente werken door het beginsel der causaliteit. Die causaliteit zou echter volgens derelativiteitstheorie niet altijd gelden. Einstein had in zijn tijd al de nodige twijfels bijhet baseren van phenomenen op waarschijnlijkheidsvelden, en hij maakte eens devolgende, nu beroemde, opmerking: "Ik ben er in ieder geval van overtuigd, dat Hij[God] geen dobbelstenen werpt."
16. Welnu, tot vreugde van de klassieke filosofie kan worden medegedeeld, dat deAmerikaanse fysicus Dr. Randell L. Mills een gans nieuwe quantumtheorie heeftopgesteld, genaamd The Grand Unified Theory of Classical Quantum Mechanics.Deze nieuwe theorie verenigt de Vergelijkingen van Maxwell, de Wetten van Newton,en de Algemene en Speciale Relativiteitstheorie van Einstein in één groot concept.Het centrale kenbegrip is, dat alle fysische wetten op elke schaal gelden, lopendvan de subatomaire deeltjes tot de hemellichamen van de cosmos.
17. De consequenties van deze nieuwe fysica zijn reusachtig. Filosofisch betekent dit,dat de wereld niet stochastisch is, niet onzeker is, want geregeerd wordt door eenvoudige, onveranderlijke, causale, fysische wetten. De causaliteit van het atomaireniveau en daaronder op het sub-atomaire niveau werd gered. Anders gezegd: Denieuwe Unified Field Theory - de Verenigde-Veld-Theorie - brengt het determinisme terug in de fysica. Geen sprake meer van onzekerheden, van quantumsprongen, vanwaarschijnlijkheidsfuncties.
18. Mills heeft met zijn veldtheorie aangetoond, dat al de klassieke wetten, die geldenin de klassieke delen van de natuurkunde, óók gelden op het atomaire en subatomaireniveau. Oorzaak en gevolg blijken een absoluut basisbeginsel te zijn in denatuurwetenschappen. Waarschijnlijkheden en kansen mogen nog een rol spelen bijhet dobbelen en in een casino, niet meer in het natuurkundig labo.
19. Vanzelfsprekend is deze nieuwe (en in feite heel oude) natuurkundige basis vanenorm belang voor alles wat met de veronderstelde evolutie te maken heeft. Want hetgrondbegrip van evolutie, namelijk de zelfontwikkeling, de uitvouwing, de zelfwording, de verandering (naar hoger niveau, wat dat ook moge inhouden), lijkt uiterstmoeilijk te verenigen met het determinisme van de natuurwetenschappen. Voor zo verhet evolutiemodel steunt op (forensische) natuurwetenschappelijke aannamen engegevens zal het niet kunnen ontkomen aan de wederinvoering van het determinismeen de oorzakelijkheid. Alles wat in het evolutiemodel riekt naar toeval, naardoelloosheid, naar willekeur, naar spontaniteit, zal moeten worden afgewezen.
EEN UNIVERSELE COSMOLOGIE
20. Deze nieuwe theorie, die de Big Bang afwijst, is nog recent. De twijfels aan deoudere theorie van de Big Bang werden veroorzaakt door niet verklaarbare spectraleroodverschuivingen, vooral bij quasars. Ook de Hubble telescoop gaf allerlei waarnemingen, die niet met de Big Bang theorie konden overeenkomen. De Amerikaanseastrofysicus Halton Arp schrijft in zijn boek Seeing Red: Redshifts, Cosmology, andthe Academic Science, dat de meerderheid van de extra-galactische objecten eenintrinsieke roodverschuiving vertoont. Maar dat wil zeggen, dat de hypothese van devaste roodverschuiving, waarop de theorie van de Big Bang berust, wordt afgewezen.Op theoretisch vlak heeft de astrofysicus Jayant Narlikar deze intrinsieke verschuivingen verklaard. En dan kan men ook de waarnemingen met de Hubble telescoop, dieeerder niet pasten in de Big Bang theorie, verklaren.
21. De theorie van de koude donkere materie - the cold dark matter - kon nooit goedmet de Big Bang theorie worden verklaard. Evenmin was het duidelijk hoe de Wet vanBehoud van Materie en Energie moest worden verstaan bij de optredende Big Bang.Bij de inflatie zou het universum zich met een snelheid groter dan die van het lichthebben uitgedijd. Maar het bestaan van zo'n snelheid werd nooit geconstateerd. Deoerknaltheorie heeft nooit een bevredigende vrklaring kunnen geven voor alle wetenschappelijke feiten. Het komt er op neer, dat de nieuwe cosmologische theorie, die deoerknaltheorie vervangt, wel recht doet aan alle waargenomen feiten.
Samenvattend: Het universum is geen uitdijend heelal. En het is niet ontstaan uiteen singulier beginfeit (zoals een explosie). Er is nooit een Big Bang geweest.
22. Een voorhoede van bekende geleerden (waaronder Fred Hoyle) heeft het faillietvan de Big Bang theorie uitgesproken. Het blad Nature heeft zelfs een editorial gepubliceerd met de titel "Down with the Big Bang". Maar er is veel tegenkanting onder dewetenschappers. In september 2008 was er een groot congres in de staat Washington,USA, van cosmologen om dit probleem te bespreken. Daar werd nadrukkelijk gestelddoor meerdere astrophysici (Van Flandern, David Dilworth), dat de oorsprong van hetuniversum door een Big Bang een mythe is. Er moet een betere uitleg komen van watmen waarneemt. Heel wat sterrenkundigen (minstens 300) werken nu aan een Alternate Cosmology.
23. De filosofische consequenties van de afwijzing van de Big Bang theorie zijn nogniet goed te overzien. De niet-vakfilosoof vermoed, dat men door het afwijzen van hetuitdijend en/of cyclisch karakter van het heelal, het begrip oneindigheid in de filosofiezal moeten herzien. De materie en het heelal kunnen niet oneindig zijn, dus zijn zijeindig, en dus moet er een begin en er moet een oorzaak, een bron, bestaan. Wat,welke, hoe, dat zal de filosoof moeten uitdenken. En, als er een begin is, zal er ook eeneinde zijn. Welk einde ? Wederom een vraag voor de filosoof.
NOG ENIGE WETENSCHAPPELIJKE PUNTEN
24.De ontsluiting van het erfelijk complex - het genoom - heeft tot het inzicht gevoerd,dat mutatie en selectie, de belangrijkste mechanismen der evolutie, niet voldoende zijnom nieuwe organen en nieuwe bouwplannen van nieuwe wezens voort te brengen. Inhet genoom is een ongelofelijke massa zinvolle informatie aanwezig, waarvan deoorsprong volgens de fysische informatieleer slechts door een intelligente bron buitende materie kan worden verklaard. Er bestaan echter nog enige natuurwetenschappelijkefeiten, welke niet verklaard worden door het evolutiemodel.
25. Het is onmogelijk, dat mensen en apen een gemeenschappelijke voorouder zoudenhebben. Weliswaar verschillen de beide genomen slechts enige procenten van samenstelling, wat men als een argument ten gunste van zulk een overgang beschouwt, maarom die overgang te bewerkstelligen zijn minstens 30 miljoen zinvolle mutaties nodig.Er is geen enkel biologisch mechanisme bekend, dat een dergelijk groot aantal zinvollemutaties in een beperkte tijd zou kunnen realiseren.
26. Zoals alle schepselen en voorwerpen op aarde is ook het genoom onderworpen aande Tweede Hoofdwet van de Thermodynamica, de natuurwet van de toenemendeentropie. Het genoom van de soort is onderhevig aan een systematisch verval. In hetverloop van de opeenvolgende generaties ziet men het genoom dan ook steeds slechterworden tot de soort tenslotte uitsterft. Het uitsterven van steeds meer soorten levendewezens kan men ook heden goed vaststellen.
27. De systeemtheorie of systeemleer is een tamelijk modern vakgebied, dat nagaathoe technische en andere systemen zijn opgebouwd, en eventueel zijn ontstaan, danwel kunnen worden geconstrueerd. Welnu, de meeste organen en systemen van levendewezens moeten worden geklasseerd als niet-reduceerbare complexe systemen. Dat wilzeggen, dat zij niet uit kleine delen, noch in kleine stappen, kunnen worden opgebouwd. Een auto, bijvoorbeeld, kan geheel worden uiteengenomen tot onderdelen, endan wederom weer ineen worden gezet. Het tuig zal dan werken. Het menselijke oog iswel het duidelijkste voorbeeld van een niet-reduceerbaar complex systeem. De talrijkeeigenschappen moeten tegelijkertijd en gecoördineerd aanwezig zijn. Dergelijkesystemen moeten dus ineens en in hun geheel zijn ontstaan. Hoe, dat is wederom eenvraag voor de filosoof.
DRIE NIEUWE THEORIEËN
28. Is het niet verbazingwekkend, dat - juist in onze dagen - drie gans nieuwe natuurwetenschappelijke theorieën - de Fysische Informatieleer, de Verenigde VeldTheorie, en de Universele Cosmologie - de bodem onder meerdere filosofische elementen van de materialistische en naturalistische filosofie weghalen ?
29. De hedendaagse filosoof zal worden gedwongen zijn ideeën (over evolutie) teherdenken, en zijn (evolutionistische) theorieën te herzien, en moet een nieuwebasis zoeken, die rekening houdt met de vaststaande natuurwetenschappelijkegegevens. Hoe interessant is onze tijd toch.
INTELLIGENT DESIGN EN DESIGNER
30. Als de mens in het gewone leven een ontwerp van een dood voorwerp beschouwt- zij het een auto, een computer, een schilderij, een woning - dan weet hij dat er eenontwerper, een uitvinder, een bedenker, moet bestaan. Dit geldt ook voor abstractestelsels, zoals een geheel van wetten en gedragsregels, of een computerprogramma,bijvoorbeeld. En dat er een zeker verstand nodig is om iets te ontwerpen, is eveneenseen universele menselijke bevinding. Dit alles is vanzelfsprekend. En wezenlijk is, datontwerp en ontwerper gescheiden zijn, afzonderlijke entiteiten zijn, van elkander teonderscheiden zijn. Het schilderij ontwerpt niet zichzelf, de auto ook al niet. En deontwerper krijgt de erkenning, die hem toekomt. De kunstschilder en de architectworden elk gevierd als een beroemd man. Intelligent Design en Designer zijn tweezijden van een en hetzelfde dode voorwerp.
31. Naar analogie met de dode voorwerpen, en de abstracte stelsels, ontworpen envervaardigd door de mens, zou het niet moeilijk moeten zijn om aan te nemen, dat ooklevende wezens, zoals een schaap, een worm, een gans, en een mens, ontworpen zijndoor een ontwerper. Het overal in de levende natuur aanwezige ontwerp - Design -kan immers met bekende biologische mechanismen, zoals selectie en mutatie, nietworden verklaard. En het schaap heeft niet zichzelf ontworpen, de worm ook al niet, ende mens evenmin.
32. Echter, nu blijkt het plotseling moeilijk te worden aan te nemen, ja, te weten, datlevende wezens ontworpen zijn, en dat er dus een ontwerper moet bestaan. Hoe onlogisch, toch ! Want wat is het principiële verschil tussen dode voorwerpen en levendewezens als het om Design en Designer gaat ? Er is er geen ! Levende systemen zijngewoonlijk veel complexer dan dode systemen. En zij zijn meestal niet reduceerbaar,wat nog duidelijker verwijst naar een ontwerper dan het reduceerbare systeem. Demedische werld staat bijvoorbeeld nog dagelijks verbaasd over de ingewikkeldheid vande hormonale en de immuniteitssystemen van het menselijk lichaam.
33. De ontwerper van die complexe en niet-reduceerbare levende systemen krijgtechter meestal niet de erkenning, die hem, gezien zijn prachtige levende ontwerpen,toekomt. De vraag naar de ontwerper wordt door velen het liefst bewust open gelaten,of wordt vermeden. Men spreekt bij levende wezens wel van Intelligent Design,vanintelligent ontwerp, maar ontduikt liever de vraag naar de ontwerper. Het bestaan vanhet genetisch ontwerp (in het DNA) kan men niet loochenen, het is te duidelijk zichtbaar. Ook het bestaan en de werking van levende complexe deelsystemen moet menwel erkennen. Maar de ontwerper wil men zijn rechtmatige bewondering onthouden.Hoe onlogisch !