Een jonge bewoonbare aarde

Datum: 
Don, 2009-10-01

ART09100102 -- Versie 1 october 2009
Een jonge bewoonbare aarde
Auteur: Ir. Ing. Jan A. A. van der Wulp
Postadres: Maxburgdreef 41, B 2321 Hoogstraten-Meer
Email: ioco@skynet.be
=============================================-

EEN JONGE BEWOONBARE AARDE
GEGEVENS UIT DE COSMOLOGIE EN DE GEOFYSICA
Experimenten uit de geofysica
1. Uit de geofysica en de cosmologie zijn tenminste zeventig (70) natuurwetenschappelijke experimenten en metingen bekend welke aantonen, dat de bewoonbare aarde jong is. De resultaten van die waarnemingen geven leeftijden van de bewoonbare aarde van enige duizenden tot ongeveer honderduizend jaar. De spreiding in de resultaten komt door onzekerheden in de metingen. Het punt van belang is, dat de resultaten klonteren rond de zeven- à tienduizend jaar. Hieronder slechts 10 van de 70 bedoelde experimenten.

2. Sommige van deze experimenten betreffen fysische en chemische processen, waarbij men meet:
1. De hoeveelheid kosmisch stof op de aarde;
2. De hoeveelheid kosmisch stof in de ruimte;
3. De hoeveelheid Helium-4 in de aardatmosfeer;
4. De achteruitgang van het aardmagnetisch veld;
5. De hoeveelheid Aluminium in de oceanen;
6. De hoeveelheid Uranium in de oceanen;
7. Het voorkomen van radio-actieve halo's bij Polonium kristallen in granietformaties;
8. Het bestaan van polystrate fossielen (boomstammen tot 10 meter lengte dwars door meerdere lagen steenkolen heen);
9. De groei van levende koraalriffen;
10. Het verval in de levensduur van kort-levende kometen.

3. Geologische tijdperken, van miljoenen jaren, en hominiden en mensen van 10.000, of 30.000, of 50.000, miljoen of meer jaren oud, blijken steeds meer ficties te zijn. Ook is de gehele, voor vast aangenomen, structuur van de geologische aardlagen, waarop die van de geologische tijdperken berust, door recente ontdekkingen en experimenten helemaal op de helling komen te staan, en zijn vrijwel alle dateringen van rotsen en fossielen, gevonden in oude aardlagen, onbetrouwbaar te achten.

4. Men moet beseffen, dat de ouderdom van voorwerpen en fossielen in een zekere aardlaag wordt afgeleid van de veronderstelde hoge ouderdom van die aardlaag. En daarmede worden de zaken op hun kop gezet. Eerst bepaalt men met dubieuze radio-actieve dateringsmethoden de zogenaamde ouderdom van een aardlaag, en dan zegt men dat alle voorwerpen in die laag zo en zo oud zijn. Vanzelfsprekend had men eerst de ouderdom van de voorwerpen met andere meetmethoden moeten bepalen (indien mogelijk) en daarvan de ouderdom van de aardlaag moeten afleiden. Dit is een goed voorbeeld van de problemen van de forensische wetenschap.

5. Er zijn enkele tientallen zeer deugdelijke bewijzen uit de natuurwetenschappen, dat noch het toeval, noch omgevingsinvloeden, noch bekende natuurlijke processen, verantwoordelijk kunnen zijn voor een aantal geconstateerde verschijnselen en organen. Genoemd worden slechts:
A. Het vóórkomen van insecten opgesloten in brokken barnsteen. Dit houdt in dat deze insecten (al) bestonden toen de barnsteen werd gevormd, wat wijst op een jonge aarde.
B. Het ozon-dilemma. De ozon in de hogere lagen van de aardatmosfeer beschermt heden de levende wezens tegen de vernietigende kosmische straling. Maar de evolutionisten nemen aan, dat de vorming van nieuwe wezens lang geleden werd veroorzaakt door die kosmische straling welke de primitieve wezens in de oersoep beinvloedde. Dit kan niet beide waar zijn.

6. Een ander punt is, dat vele diersoorten van het type draak, dat is dinosaurus, blijken te hebben geleefd samen met mensen op de aarde, en dus geen miljoenen jaren geleden kunnen zijn uitgestorven. Daar zijn veel bewijzen van, uit oude volksverhalen - men denke aan de draken uit de Chinese folklore - uit grottekeningen, uit stenen voorwerpen met afbeeldingen, uit gefossileerde pootafdrukken, uit de literatuur. Allerlei soorten dino's leefden nog tot in de Middeleeuwen in Engeland en Denemarken bijvoorbeeld. De plaatselijke literatuur uit die dagen vermeldt dit.

7. Conclusie: Leeftijden van de bewoonbare aarde, van planten en dieren, van de mens, van honderdduizenden en miljoenen jaren zijn natuurwetenschappelijk onzin. Over de leeftijd van de onbewoonbare aarde kan men geen definitieve uitspraken, gebaseerd op experimentele wetenschap, doen.

Voorwaarden voor het bestaan van het leven
8. Voor de bewoonbare aarde kan men een aantal belangrijke voorwaarden formuleren, nodig opdat het leven van planten, dieren en mensen mogelijk zou zijn. Uitgaande van de aanwezige koude, steenachtige bol werden de condities veranderd. Er waren nodig:
A. De aardatmosfeer, met precies de goede samenstelling van zuurstof en andere gassen, opdat de ademhaling van levende wezens mogelijk zou zijn.
B. Water, in de goede aggregatietoestand, nl. meest als vloeibaar water, in de juiste hoeveelheden en op de juiste plaatsen.
C. Een beschermende mantel, om het (latere) leven tegen kosmische straling te beschermen, dat is de ozonmantel aan de buitenzijde van de aardatmosfeer.
D. De juiste afstand van de aardbol tot de zon, zodat de aarde voldoende verwarmd kon worden, maar niet te dichtbij de zon, want dan zou verbranding van alles op het aardoppervlak optreden, en niet te ver weg, want dan zou voordurende bevriezing voorkomen.
E. De maan, die 's-nachts voor het nodige licht zorgt.
F. Een stand van de aardas en een baan van de aarde rondom de zon, die het bestaan van het (latere) leven niet zouden belemmeren, maar zouden verzekeren. Zou de aarde zich bijvoorbeeld in haar omloop tijdens een gedeelte van haar baan te ver van de zon verwijderen, dan zou het in dat tijdvak veel te koud worden.
G. Aangenomen moet worden, dat alle mineralen en sporenelementen, anorganische stoffen, nodig voor de opbouw van de levende wezens, in de rotsmassa's van de aarde al aanwezig waren.

9. Er zijn meer van die parameters. De Duitse geofysicus-wetenschapper Peter Üst heeft onderzocht welke waarschijnlijkheidsgronden er zijn voor het gelijktijdig bestaan van wel 75 grootheden, welke tesamen een bewoonbare aarde opleveren. Dan schrijft hij als samenvating: « Wanneer men de waarschijnlijkheid uitrekent, waarbij de waarden van deze 75 parameters alle tegelijkertijd zouden liggen in het juiste gebied [dat is het gebied waarbij aards leven mogelijk is], en nog enige correcties aanbrengt, dan komt men uit op een geschatte totaal waarschijnlijkheid [een gecombineerde waarschijnlijkheid] van 1 op 10exp98.

10. Omdat er in het voor de mens zichtbare deel van het universum ongeveer 1011 sterrenstelsels bestaan, met elk ongeveer 1011 sterren, waarvan elk hoogstens één voor leven geschikte planeet kan hebben, is de waarschijnlijkheid, dat men in het ganse universum één voor leven geschikte planeet vindt, ongeveer 1 op 10exp76. Natuurlijk is dit een zeer onnauwkeurige schatting, maar bij zulke kleine waarschijnlijkheden is een fout van enige tientallen procenten niet meer van belang. Het is niet overdreven te zeggen, dat het een wonder is, dat onze planeet aarde überhaupt bestaat. »

11. De evolutietheorie kan op geen enkele aannemenlijke wijze verklaren hoe en waarom de genoemde ruimtelijke basisvoorwaarden voor het bestaan van leven (niet voor het ontstaan er van) er kwamen. En het is met de wiskundige statistiek aangetoond, dat precies deze combinatie van ruimtefactoren nimmer door het toeval kan zijn ontstaan, ook niet als er miljoenen jaren voor beschikbaar zouden zijn. Het zijn niet de lange tijden, die beslissend zijn, want beslissend is de onwaarschijnlijk lage kans, dat juist die combinatie van omgevingsomstandigheden op een zeker moment optreedt, en dan zó blijft.

12. Men moet nog bedenken, dat er toen ook al meerdere natuurkundige en chemische wetten moeten zijn geweest om de aarde zonder leven te kunnen laten bestaan. De evolutie kan niet verklaren waar die wetten vandaan komen. En, waarom die wetten (die wij nu kennen) en geen andere ?