De experimentele basis van het ontstaansmodel

Datum: 
Don, 2009-10-22

ART09102201 -- Versie 22 october 2009
De experimentele basis van het ontstaansmodel
Vervangt ART09042301
Auteur: Ir. Ing. Jan A. A. van der Wulp
Postadres: Maxburgdreef 41, B 2321 Hoogstraten-Meer
Email: ioco@skynet.be
=============================================-

DE EXPERIMENTELE BASIS VAN HET ONTSTAANSMODEL

EEN DIEPVERANKERD PARADIGMA
1. Het wetenschappelijk werk geschiedt heden gewoonlijk onder het paradigma (de vóóronderstelling) van het bestaan van evolutie. Dat paradigma of model - het evolutiemodel - wordt niet in twijfel getrokken, en als een grondaanname of basisveronderstelling voor waar gehouden.

2. Evolutie veronderstelt een ontwikkeling in opgaande lijn. Het Evolutieparadigma is in feite opgebouwd uit drie aparte modellen. Het oerknalmodel - de Big-Bang - beschrijft het veronderstelde ontstaan van de kosmos. De astrofysica speelt hierin een grote rol. Het oersoepmodel beschrijft het veronderstelde ontstaan van primitieve levende wezens in een oersoep van dode stof. Het is sterk biochemisch van aard. En het evolutiemodel beschrijft dan de veronderstelde ontwikkeling door zelfwording van een primitief ééncellig organisme tot de uitgestorven mammouth, ja, en tot de mens.

3. Het evolutiemodel is in de praktijk een zeer ruim bemeten paradigma wat een groot aantal aannames, die niet tot de natuurwetenschappen behoren, bevat. Het betreft vooral aannames, die filosofisch en theologisch van aard zijn, omdat zij het wereldbeeld en het mensbeeld betreffen. Zo vertelt het astrofysisch oerknalmodel niet waar de beginmassa en de beginenergie vandaan komen. Dat wordt gewoonlijk genegeerd. Het biochemisch oersoepmodel maakt niet duidelijk wat het principiële verschil is tussen de dode stof en de levende wezens. Dit punt wordt meestal verwaarloosd. En het evolutiemodel weet geen goede verklaring voor het bestaan van de biologische informatie in het DNA. Die is er gewoon.

4. De controverse Evolutie of Creatie ? blijft de geesten bezig houden. Onder Evolutie - in feite Macro-evolutie - wordt hier verstaan het door zelfwording ontstaan van nieuwe biologische grondsoorten, dat zijn soorten planten en dieren en de mens met nieuwe - niet eerder aanwezige - overerfbare eigenschappen. Micro-evolutie is het optreden van veranderingen binnen een biologische grondsoort. Tegenover Macro-evolutie staat Creatie, dat is het door een externe intelligentie, de Creator, voortbrengen van alle soorten planten en dieren en de mens.

5. Het Evolutieparadigma is dermate diep in het moderne denken, in de wetenschap, en in de opleidingsinstituten verankerd, dat het moeilijk is zich er van los te maken. Toch mag en moet de vraag worden gesteld in hoeverre dit paradigma met de fysische realiteit overeenkomt. Immers de fysische werkelijkheid is over de ganse aarde voor iedere wetenschapper gelijk. De Wetten van Newton en van Ohm gelden altijd, welk wereldbeeld men ook aanhangt. Kan men over filosofische en godsdienstige beginselen en inzichten naar hartelust van mening verschillen, dit is niet mogelijk voor de natuurweten-schappelijke realiteit.

6. En, alle natuurwetenschappelijke gegevens staan voor iedere wetenschapper ter beschikking. Toch trekken zij niet allen dezelfde conclusies uit het voorhanden materiaal. Het eigen wereldbeeld werkt bewust of onbewust de aanvaarding van, niet bij dat wereldbeeld passende, informatie tegen. De keuze van de te onderzoeken gegevens, de interpretatie daarvan, de extrapolatie, kortom de verwerking daarvan en het trekken van conclusies, hangen in de praktijk sterk er vanaf of men het oerknal model, het oersoepmodel en het evolutiemodel afwijst dan wel aanvaardt.

7. Dáárom gaat het in dit artikel niet over filosofie, niet over theologie, niet over vooropgezette filosofische uitgangspunten, niet over pseudo-wetenschappelijke vooroordelen, niet over aangenomen theologische visies, niet over biologische speculaties, niet over loze veronderstellingen betreffende historische gebeurtenissen, niet over beschrijvende geschiedeniswetenschap. Het gaat om natuurwetenschappelijke waarnemingen en om de resultaten van historisch verifiëerbare gebeurtenissen, processen en proeven. Nagegaan zal worden hoe de bekende en vastliggende feiten het heersende Evolutieparadigma beinvloeden.

OVER WAARNEMINGEN EN EXPERIMENTEN
8. Zoals gebruikelijk in de natuurwetenschappen, die zich bezig houden met de verschijnselen in de gewone aardse omgeving, wordt het basisbeginsel der causaliteit als vaststaand aangenomen. Het oorzakelijkheidsbeginsel wordt niet betwijfeld. Ook in de nieuwste fysica van de ultra-kleine afmetingen - de elementaire deeltjes - en de nieuwste astro-fysica blijkt dit beginsel te (blijven) gelden.

9. Verder is een basiskenmerk van de natuurwetenschappen het beginsel dat men kent uit de klassieke propositielogica, te weten: A of Niet-A. Dit beginsel is onwrikbaar. Voorbeeld: A: De deur staat open, OF Niet-A: de deur is dicht. De mogelijkheid, dat de deur half-open of half-dicht is, wordt in deze twee-waardige logica niet beschouwd. In sommige specifiek technische realisaties wordt wel met een meerwaardige logica gewerkt, maar dat behoort tot de ingenieurswetenschappen.

10. Hier betekent A of Niet-a: Evolutie bestaat, OF Evolutie bestaat niet. Evenzo: B of Niet-B, Creatie bestaat, OF Creatie bestaat niet. Door de Wet van de Uitgesloten Derde, die in deze logica geldt, bestaat er geen derde mogelijkheid, dus als Evolutie niet bestaat, volgt logischerwijs, dat Creatie wel bestaat. En omgekeerd. Dit impliceert tevens, dat tussenvormen tussen beide mogelijke ontstaansvormen evenmin kunnen bestaan. Het is het een of het ander.

11. Het is nog weinig bekend, dat de experimentele natuurwetenschappen - de Experimental Sciences - definitief duidelijkheid in de controverse Evolutie of Creatie ? hebben verschaft. Het begrip experimenteel duidt op veldonderzoek, op praktijkproeven, op waarnemingen en onderzoeken ter plaatse, op tests in het laboratorium. Uit de waargenomen verschijnselen worden algemene conclusies getrokken. Waarnemingen gedaan in het (verre) verleden kunnen zijn vastgelegd op vele manieren.

12. Naast de experimentele wetenschap bestaat de forensische wetenschap - Forensic Sciences - wat betekent, dat men probeert aan de hand van tegenwoordige data gebeurtenissen, plaats gehad hebbende in het verleden, vast te stellen. Men redeeert terug van het heden naar het verleden. Deze manier van werken kan zinvol zijn, is echter vaak speculatief, omdat waarnemingen in het (verre) verleden gewoonlijk ontbreken.

13. Het gaat in dit artikel om de resultaten van de natuurwetenschappen, het gaat om waarnemingen, om feiten, om historische feiten, vastgelegd in het verre en recente verleden en in het jonge heden. Dat vastleggen kan op velerlei verschillende wijzen zijn geschied: Als computerdata, schriftelijk op papier, op papyrus, op muren, op kleitabletten, op artefacten, op aardewerk, in beelden, in leesbaar schrift, in petrogliefen, in hiërogliefen. Elke wijze van vastlegging is aanvaardbaar, zolang de (historische) juistheid maar vaststaat. Waarnemingen van de laatste 200 of 300 jaar zijn gewoonlijk goed gedocumenteerd.

14. Helaas weten theologen en filosofen, evenals politici, gewoonlijk weinig van natuurwetenschappen. Wat nog al eens blijkt tijdens gesprekken en openbaar optreden. Verwarring en onbegrip alom. Vandaar deze samenvatting om licht te brengen in de duisternis.

NATUURKUNDIGE FEITEN
BIOLOGIE
15. De experimentele biologie heeft definitief aangetoond, dat biologische Macro-evolutie onmogelijk is. De grondsoorten (zoals hond, fazant, mens) zijn stabiel en uniek en zijn niet in elkaar om te zetten. Deze ervaringsuitspraak van veehouders, boeren en geleerden, inbegrepen biologen, berust op waarnemingen en experimenten gedaan gedurende de laatste 4.000 jaar.

16. Micro-evolutie bestaat wèl. Micro-evolutie is het veranderen van erfelijke eigenschappen binnen een zekere grondsoort (honden veranderen, maar blijven honden). Bepaalde erfelijke eigenschappen worden benadrukt, andere zijn van minder belang bij het kweken van nieuwe ondersoorten. Men denke aan de vele soorten schapen of hoenders die door micro-evolutie zijn ontstaan uit een of ander oerdier. De micro-evolutie vindt echter altijd plaats binnen een bepaalde bandbreedte, die niet overschreden kan worden.

17. Natuurlijke selectie leidt niet tot nieuwe grondsoorten, dat zijn soorten met nieuwe erfelijke eigenschappen (genen). Men selecteert uit het bestaande erfelijke complex die genen, die men wil behouden of versterken, en laat minder gewenste genen verdwijnen. Dit is Micro-evolutie. Gewoonlijk leidt dit tot reductie van het bestaande erfelijk complex.

18. Het begrip natuurlijke selectie, gebezigd bij Macro-evolutie, is een onzuiver begrip. Want hoe kan men genen selecteren (uitkiezen) uit een complex genen, als deze genen niet eerder bestonden ? Hoe kan natuurlijke selectie een structuur doen ontstaan - denk aan een vleugel van een vogel - waarvan de genen van sommige samenstellende delen er tevoren niet waren ? En nog: Onvoltooide, zich door zelfwording ontwikkelende, organen zijn onbruikbaar, zij dienen het uiteindelijke doel nog niet. De biologische evolutie kent vooraf niet het doel, noch de functie, van het orgaan, dat zich aan het vormen is. Levende wezens kunnen niet even de werking van een orgaan, wat moet gaan functioneren in een hoger-geordend wezen, tijdelijk stilleggen.

19. In de experimentele biologie is aangetoond:
* Dat leven slechts ontstaat uit leven, de dode stof brengt geen leven voort.
* Alle experimenten, waarbij men gepoogd heeft lange organische moleculen, de bouwstenen van levende cellen, te synthetiseren uit een oersoep, allerlei chemische stoffen bevattend, zijn mislukt.
* Dat het DNA van elke grondsoort uniek en stabiel is.
* Dat genmutaties nooit nieuwe erfelijke eigenschappen (nieuwe genen) opleveren, slechts veranderingen van reeds bestaande genen.
* Dat grondsoorten niet zodanig te veranderen zijn, dat nieuwe erfelijke factoren optreden - dit berust op de uniekheid en de stabiliteit van het DNA van de soort.
* Dat omzetting van grondsoorten in elkander niet mogelijk is.
* Dat alle grondsoorten - schaap, hond, kip, mens - moeten zijn ontstaan zoals zij heden zijn.
* Dat tussensoorten niet bestaan. Alle fossielen, die mogelijkerwijs naar een tussenvorm verwezen, waren of vervalsingen, of behoorden tot gewone, soms uitgestorven, soorten.
* Dat elke grondsoort wel moet afstammen van één uniek eerste ouderpaar - ook dit berust op de uniekheid en de stabiliteit van het DNA van de soort, en op het feit, dat alle exemplaren van een grondsoort onderling vruchtbaar zijn.
* De biologie kan niet mededelen waar dit eerste ouderpaar van elke grondsoort vandaan komt.
* Het DNA van elke grondsoort draagt de soort-specifieke informatie nodig voor de voortplanting, de groei, en de handhaving van die soort.
* De biologie kan niet mededelen waar die informatie vandaan komt.
* Bij sexueel reproduceerbare organismen mogen het mannelijk en het vrouwelijk exemplaar niet te veel verschillen, omdat reproductie dan onmogelijk wordt. Voorbeeld: Paard en ezel geven geen vruchtbare nakomelingen.
* De vele miljarden fossielen van tussenvormen, die volgens het evolutiemodel zouden moeten bestaan, ontbreken: zij zijn er niet.

20. Conclusie op grond van de experimentele gegevens: Biologische evolutie - Macro-evolutie, dat is het ontstaan van nieuwe soorten met nieuwe - niet eerder aanwezige - erfelijke eigenschappen - is onmogelijk. Macro-evolutie bestaat niet.
Voor verdere uitleg zie: ART09012801 Het Ontstaansmodel -- Biologische feiten

INTELLIGENT DESIGN of KENBAAR ONTWERP
21. Dit onduidelijke begrip verwijst naar ontwerp door een of andere intelligentie, door een wezen met verstand. In het Creatiemodel verwijst het naar de Creator. In het Evolutiemodel of Evolutieparadigma is de betekenis van Intelligent Design (ID) omstreden.

22. De zuivere darwinist en de echte evolutionist menen, dat ID niets anders is dan een variant van het creationisme (het scheppingsgeloof), al is dat dan wat aangepast. Die denkers wijzen ID af, vooral omdat men bang is, dat het Evolutieparadigma te veel zou worden beschadigd, en haar wetenschappelijke status zou verliezen.

23. Natuurwetenschappelijk staat vast, dat er op cellulair en moleculair niveau zoveel ingewikkelde mechanismen bestaan, die perfect op elkaar zijn afgestemd, dat het uiterst twijfelachtig is, dat die door toeval of natuurlijke selectie, of welk biologisch mechanisme dan ook, kunnen zijn ontstaan. Het DNA bevat immers niet slechts de erfelijke kenmerken van een wezen van de grondsoort, het bevat ook de instructies en de voorwaarden voor het groeien van een pas ontstaan exemplaar tot volwasenheid, met alle specialisaties van cellen en structuren daarbij inbegrepen, wat onweerlegbaar wijst op ordening en doelgerichtheid.

24. In de cellen van de levende wezens is een onvoorstelbaar grote hoeveelheid aan informatie opgeslagen, en dat tevens in de allerhoogste ons bekende opslagdichtheid. Geen computergeheugen kan daar tegen op. De vorming van de organen vindt informatiegestuurd plaats. Alle processen in levende wezens zijn informatiegestuurd. De fabricage van lichaamseigen eiwitten - bij de mens 50.00 eiwitten - is eeneens informatie-gestuurd. Heel dit informatiecomplex moet volgens de fysische informatieleer een externe, geestelijke bron hebben.

25. Men kan het bestaan van deze biologische mechanismen samenvattend het gevolg van ID noemen, en dan wijten aan een of andere bron, welke dit ID eens van buiten af in het DNA heeft ingebracht. Men kan dan in het midden laten, of er een of andere creator bestaat, die schiep uit het niets, of dat er een demiurg was, een wereldbouwmeester, die de stof niet heeft geschapen, maar de wereld heeft geordend, of dat emanationisme, de leer van de uitvloeiing of het ontstaan van alle dingen uit één enkel grondwezen, de oorzaak is van het ID.

26. De zó denkende evolutionistische bioloog neemt in feite een a-gnostisch standpunt in. Hij erkent het bestaan van de waargenomen en bewezen ordening en doelgerichtheid, die onloochenbaar zijn, maar spreekt zich niet uit over de oorzaak of de bron. Hij meent, dat de biologie tekort schiet om de diepere aspecten van de biologie, waaronder een evolutionaire voorgeschiedenis, te doorvorsen. Dat hoort bij de filosofie of de religie, zo meent deze natuurwetenschapper, waarvan hij zich verre houdt.

DEMOGRAFIE EN SEDENTATIE
27. Berekeningen aan de hand van demografische computermodellen, waaarmede de bevolkingsgroei op aarde werd doorgerekend, voeren tot de conclusie, dat de mens niet langer dan zes à zevenduizend jaar op de aarde kan hebben rondgewandeld.

28. Er werden demografische computermodellen ontwikkeld van de groei der wereldbevolking doorheen de eeuwen. Deze ingewikkelde modellen houden rekening met alle levensomstandigheden, zoals het beschikbaar zijn van voedsel, het klimaat, met natuurranpen, met het optreden van oorlogen, met zware ziektes, enz, alles gedifferentiëerd naar landstreken en naar historische perioden.

29. Het uitgangspunt wordt geleverd door de experimentele biologie, te weten het niet-vermijdbare eerste ouderpaar voor elke biologische grondsoort. Als men bij de berekeningen uitgaat van twee eerste mensen (man en vrouw) dan wordt de huidige wereldbevolking van ruim 6 miljard mensen bereikt na ongeveer 6.000 jaar. Waarom twee mensen, een man en een vrouw ? Omdat het biologisch vast staat, dat de biologische grondsoort mens door het unieke en stabiele DNA van één stel oerouders MOET afstammen, en omdat voortplanting slechts mogelijk is middels een volwassen mannelijk en vrouwelijk exemplaar.

30. Variatie van de variabelen in het demografisch model - met name het aannemen van overdreven ongunstige levensomstandigheden - leidt tot een verblijftijd van hoogstens enige tienduizenden jaren. Alle lange verblijftijden van honderdduizenden en miljoenen jaren voor het genus mens zijn daarom verzinsels.
Voor meer uitleg zie: ART09100101 Over Demografie en Sedentatie

31. Onderzoek naar de sedentatie van de mens versterkt de demografische gegevens. Het gevonden aantal artefacten en uitgegraven nederzettingen is veel te klein om een verblijftijd, langer dan ongeveer 10.000 jaar, aan te kunnen nemen. Het onderzoek naar de plaatsen van sedentatie en de bijpassende artefacten (stenen voorwerpen, aardewerk, gereedschap) toont aan, dat verblijftijd van de mens op de aarde niet langer dan ongeveer 10.000 jaar kan zijn.
Voor meer uitleg zie: ART09100101 Over Demografie en Sedentatie

GEOFYSICA
32. Talrijke experimentele gegevens uit de geofysica tonen aan, dat de bewoonbare aarde relatief jong is, ergens tussen zeven duizend à honderd duizend jaar oud. De onderzoekers van de geofysica beschrijven meer dan 70 experimenten met de bijbehorende waarnemingen en afleidingen waaruit blijkt, dat de bewoonbare aarde jong is. De resultaten variëren, maar zij klonteren rond de tienduizend jaar - dat moet dan ongeveer de leeftijd zijn van de bewoonbare aarde.
Zie voor meer gegevens: ART09100102 Een jonge bewoonbare aarde.

33. De nieuwste resultaten van de sedimentologie, de leer van de afzettingen van gesteenten en aardlagen, bevestigen, dat de aardlagen veel jonger zijn dan werd aangenomen. De Russische sedimentoloog Alexander Lalamow en de Fransman Guy Berthoult hebben experimenteel bewezen, dat gesteenten en aardlagen niet langzaam in lange tijdsperioden zijn ontstaan, maar relatief snel en in relatief korte tijd werden gevormd. Dan moeten ook de fossielen in die lagen veel jonger zijn dan eerder werd aangenomen.

34. Eén studie kwam tot de conclusie, dat de ouderdom van het gevormde gesteente slechts 0,01% was van de veronderstelde ouderdom van de betreffende geologische tijdschaal waarin dit gesteente past. Daarmede reduceert een ouderdom van 100 miljoen jaar tot 10.000 jaar. De ganse, algemeen aanvaarde, geologische tijdschaal zal op grond van deze gegevens opnieuw moeten worden doordacht. En dat impliceert herziening van de leeftijden van de fossielen, voorkomend in die lagen.

35. Voordat de aarde kon worden bewoond, moest aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan om die bewoonbaarheid überhaupt mogelijk te maken. Het ontstaan van de combinatie van juist die ruimtelijke, kosmische, basisvoorwaarden - wel 75 stuks, onder andere de juiste afstand tot de zon, de samenstelling van de aardatmosfeer, etc. - kan niet door de natuurwetenschappen verklaard worden. Het is statistisch onmogelijk het toeval voor het present zijn van zo vele onafhankelijke randvoorwaarden als verklaring in te roepen. Ook deze experimentele gegevens wijzen weer naar een planmatige opzet.
Zie voor meer gegevens: ART09100102 Een jonge bewoonbare aarde.

RADIO-ACTIEVE MEETMETHODEN
36. Gewoonlijk wordt aangenomen, dat de leeftijden van zeer oude gesteentes en voorwerpen absoluut juist met radio-actieve meetmethoden kunnen worden bepaald. Men werkt met het begrip halfwaardetijd, dat is de tijd waarin de beginmassa van een radio-actieve stof door het verval tot de helft van de oorspronkelijke waarde wordt teruggebracht.

37. Voor alle tijden, en vooral die langer dan zeg 5.000 jaar, die niet met andere meetmethoden kunnen worden gecontroleerd, moet men er zeker van zijn: A. dat het uitgangsmonster niet verontreinigd was, B. dat de radio-actieve vervalsnelheid al die tijd constant is gebleven, C. dat er niets van dezelfde stof is bijgekomen of afgegaan tijdens het verval, noch dat de stof van aard is veranderd. In de praktijk kunnen alle drie de afwijkingen tesamen voorkomen.

38. Voor een universele kosmische klok maakt men gebruik van het verval van de stof Remium-187 tot Osmium-187. De halfwaaardetijd is 42 miljard jaar bij zuivere en neutrale Remium-atomen. Men gebruikt deze meetmethode om de leeftijd van sterren en andere hemellichamen te bepalen, en dan rollen daar miljarden jaren uit alsof het niets is. Maar er bestond het vermoeden, dat de Remium-atomen gedeeltelijk zouden kunnen zijn geioniseerd tijdens het ontstaan van de sterren, dus niet meer neutraal zouden zijn. Welke invloed zou ionisatie van die atomen hebben op de gemeten tijden ?

39. In het laboratorium te Darmstadt werd een proef opgezet met geioniseeerde, dus niet zuivere, niet neutrale, Remium-atomen. Bij het meten van het bêta-verval (electronenver-val) moest men verbaasd concluderen, dat de halfwaardetijd terugviel tot 33 jaar, meer dan een miljard maal kleiner dan de theoretische waarde voor de zuivere stof. De consequentie is, dat alle lange tijden voor kosmische processen onbetrouwbaar moeten worden geacht, want men kan niet met zekerheid vaststellen, dat zolang geleden aan de bovengenoende drie voorwaarden voor de radio-actieve meetmethode werd voldaan.
Voor meer uitleg zie: ART09100103 Een nieuwe cosmologie.

DE FYSISCHE INFORMATIELEER
40. De fysische informatieleer is een algemene natuurwet, welke elk transport van informatie door materiële dragers regeert. Het is een ervaringswet, die voor alle soorten informatie geldt. Deze wet vereist, dat er voor elke informatie (ook biologische) een externe - niet materiëel aanwijsbare - intelligentie bestaat. Anders gezegd: Informatie is geen materiële grootheid, is wel gebonden aan de stof, maar komt niet voort uit de stof, al wordt zij gedragen door de materie.

41. De fysische informatieleer, die de telecommunicatie, de computertheorie en computertechniek, ja, elke leer waar informatie een rol speelt, regeert, heeft aangetoond, dat informatie een grondbegrip van elke (natuur)wetenschap is. Informatie is een geestelijk begrip, dat niet behoort tot het materialistisch kader van de natuurwetenschappen, zoals massa en energie, maar voortkomt uit een externe intelligente bron.

42. Informatie is geen begrip zoals temperatuur of druk, of welke fysische grootheid dan ook, die gebonden is aan de materie. Informatie is een niet-materiëel begrip, dat niet zuiver natuurwetenschappelijk kan worden verklaard. Informatie komt voort uit de geest van een externe bron. In de computertechniek bijvoorbeeld uit de geest van de programmeur of de dataspecialist.

43. Natuurwetten kennen geen uitzonderingen. Ook in de biologie moet er een externe bron bestaan van de onvoorstelbaar grote hoeveelheid informatie, vastgelegd in het DNA. In de biologie kan de externe bron van de informatie vastgelegd in het DNA niet door de biologie worden aangewezen. Immers het DNA bevat een enorme hoeveelheid informatie over het soort wezen, de structuur daarvan, en de wijze van groeien om tot volle wasdom te komen, de levensverrichtingen, ja, wat niet al. Ook die informatie moet volgens de universeel geldige fysische informatieleer komen uit een externe intelligente bron. Welke die bron is, dàt kan de biologie niet vertellen.

44. Dit is eveneens van groot belang voor het juist verstaan van het begrip Intelligent Design (ID) in de biologie. Immers de informatie, vastgelegd in het DNA van een biologische soort, wat men soms ID noemt, komt voort uit een externe intelligentie. Welke, dat weet de biologie niet. Maar de informatieleer stelt vast, dat zo'n externe intelligentie MOET bestaan. Dit levert een filosofisch-theologisch probleem, dat door de natuurwetenschappen niet kan worden opgelost.

45. Dit leidt tot reusachtige filosofische consequenties. Het is in feite de doodsteek voor elke zuiver materialistische filosofie. Het hieronder genoemde artikel gaat over de drie nieuwste natuurwetenschappelijke theorieën, en over de filosofische consequenties daarvan. Het betreft de fysische informatietheorie van Dr Werner Gitt, de verenigde veldtheorie van Dr. Randell Mills, en de nieuwe universele cosmologie van Barry Setterfield.
Zie: ART09021101 Filosofische ontwikkelingen

MASSA, ENERGIE EN INFORMATIE
46. De Tweede Hoofdwet van de Thermodynamica leert, dat in een gesloten systeem de entropie slechts kan toenemen. De entropie is de mate van wanorde op moleculaire schaal. Dit betekent practisch, dat de nuttig bruikbare energie in bedoeld systeem in de loop der tijd steeds vermindert. Deze wet der natuurkunde verklaart de wrijvingsverliezen in de werktuigkunde, bijvoorbeeld zoals die optreden in een automobiel. Doet men niets dan neemt de wanorde in een gesloten systeem altijd maar toe, tot een toestand van maximale moleculaire wanorde is bereikt. Algemeen gezegd: men moet energie blijven toevoeren wil men de wanorde de baas blijven. Bij de automobiel - een open systeem - levert de brandstof de extra energie van de wrijvingsverliezen. Is de brandstoftank leeg, dan stopt de auto omdat er geen energie meer wordt toegevoerd.

47. Soms werpt men op, dat de meeste biologische systemen geen gesloten systemen zijn, en dat de Tweede Hoofdwet dan niet of maar beperkt geldt, omdat er van buitenaf energie kan worden toegevoerd. Het punt is echter, dat men de Eerste Hoofdwet kan uitbreiden met de grootheid informatie. Men spreekt dan niet meer van de Eerste Hoofdwet van de Thermodynamica, dat is de Wet tot behoud van Massa en Energie, maar van de Uitgebreide Hoofdwet van Behoud van Massa, Energie en Informatie.

48. Informatie staat fysisch naast energie en naast massa. Verloren gegane informatie is niet aan te vullen door massa in te brengen, noch door energie aan het systeem toe te voeren. Verloren gegane informatie is niet op puur fysische wijze terug te winnen.

49. Verloren gegane informatie kan men slechts herstellen door een externe intelligentie te laten werken. Maar niet elke intelligente bron kan de informatie op elke willekeurige plaats van een willekeurig systeem herstellen. Het genoom, dat bij een biologische mutatie verdwijnt, kan niet door de gewone menselijke intelligentie worden teruggewonnen. De bioloog kan slechts teruggrijpen op een wezen, dat de verloren gegane informatie nog wel in het DNA draagt.

50. Deze ervaringswet geldt ook voor de mutaties als gevolg van natuurlijke selectie in de biologie, en verklaart verval en degeneratie. De ordening neemt af, de wanorde onder de erfelijke factoren neemt toe. Inderdaad ziet men vaak, dat mutaties degeneratief zijn, waarbij er verlies aan gewenste erfelijke factoren optreedt. Deze Hoofdwet verklaart ook het uitvallen van zieke, zwakke, mismaakte en verongelukte exemplaren in een zich reproducerende groep wezens. Is de groep te klein, en de reproductiegraad te laag, dan sterft de groep uit door een te hoge mutatiebelasting.

DE VERENIGDE VELDTHEORIE
51. De nieuwste Verenigde Veldtheorie van de Klassieke Kwantummechanica heeft de causaliteit en het determinisme in ere hersteld in de natuurwetenschappen. Oorzaak en gevolg blijken universele begrippen te zijn, die overal en altijd in de natuurwetenschappen gelden. Het steunen op stochastische verschijnselen en het werken met waarschijnlijk-heidsvelden, heeft in de nieuwste natuurkunde afgedaan.

52. De nieuwe Verenigde Veldtheorie van Dr. Randell L Mills heeft de causaliteit en het determinisme teruggebracht in de moderne fysica. Gedaan met relativiteit en met waarschijnlijkheden in de natuurkunde. Kon men half 20ste eeuw nog zeggen, dat er in de quantummechanica en de relativiteitstheorie geen oorzakelijkheid bestond en dat alle verschijnselen stochastisch bepaald waren, dat inzicht kan men verlaten als men de theorie van Dr. Mills kent.

53. Het centrale kenbegrip blijkt te zijn, dat alle fysische wetten op elke schaal gelden, gaande van subatomaire deeltjes tot de hemellichamen van de kosmos. Doelloosheid, willekeur, toeval en spontaniteit, en vooral onzekerheid - fysisch te verstaan - moeten worden afgewezen.
Voor meer uitleg zie: ART09021101 Filosofische ontwikkelingen

DE NIEUWE COSMOLOGIE-ASTROFYSICA
54. De nieuwe cosmologie van Barry Setterfield toont aan, dat het ontstaan van het universum door een Big-Bang (oerknalmodel) een mythe is. Het is experimenteel gebleken, dat de lichtsnelheid niet constant is, maar naar het verleden toe exponentieel toeneemt. Extrapoleert men de waarden van de lichtsnelheid, die de laatste 300 jaar werden gemeten, dan komt de hoge beginwaarde uit op 8.000 tot 18.000 jaar geleden. Dat geeft dan ongeveer de leeftijd van het universum.

55. Ook andere natuurvariabelen blijken niet constant te zijn geweest in het verleden. Zo blijkt de radio-actieve vervalsnelheid in het verleden veel hoger te zijn geweest dan zij heden is. Ook deze grootheid nam naar het verleden teruggaande exponentiëel toe. En het is daarom, dat alle dateringen met radio-actieve meetmethoden, die zulke lange tijden geven, moeten worden gecorrigeerd.

56. De nieuwe theorie over het ontstaan van het universum in de cosmologie-astrofysica toont aan, dat er twee types tijdsbepalingen mogelijk zijn. De lange tijden van miljarden en miljoenen jaren, die genoemd worden voor het heelal, de hemellichamen, de aarde en de mens, worden gewoonlijk met radio-actieve meetmethoden bepaald, waarbij men dan van het constant zijn van de randvoorwaarden uitgaat. Al die lange tijden moeten worden gecorrigeerd omdat met name de vervalsnelheid in het verre verleden niet constant is geweest.

57. De nieuwe cosmologie is geheel uitgewerkt door Barry Setterfield en verklaart, dat de werkelijke tijden veel korter zijn geweest, dan degene, die met radio-actieve meetmethoden werden bepaald. Deze correctie betekent, dat de radio-actieve datering van het universum van vele miljarden jaren moet worden teruggebracht tot ongeveer 8.000 jaar. En zo moeten eveneens alle radio-actieve dateringen van miljoenen en honderdduizenden jaren worden gecorrigeerd naar veel lagere werkelijke waarden, lager dan ca. 8.000 jaar.

58. Deze cosmologie legt dus uit en verklaart natuurkundig, waarom de cosmos en de aarde jong zijn, zeg rond de 8.000 jaar. Alle anomalieën van oudere cosmologische theorieën (zoals de Big-Bang), en dat zijn er heel wat, worden door de theorie van Setterfield verklaard.

59. Het boek Génesis vertelt, dat God eerst het licht (versta: de energie) schiep, daarna de aarde (een planeet), en vervolgens de sterrren (waaronder de zon). Geen enkele moderne astrofysicus of cosmoloog geloofde dit. Geen enkele oudere cosmologie kon dit verklaren. Echter, de nieuwe cosmologie van Barry Setterfield kan dit wèl verklaren. Dit hangt samen met het verlaten van de gravitatietheorie voor het ontstaan van de hemellichamen der kosmos en het invoeren van de plasmatheorie voor hun wording. Zelfs het feit, dat de zon - volgens het boek Génesis - pas op de derde en de vierde dag haar licht begon te geven wordt door Setterfield's astrofysische plasmatheorie verklaard.
Voor meer uitleg zie: ART09100103 Een nieuwe cosmologie.

DE SYSTEEMTHEORIE
60. De systeemtheorie of systeemleer is een brede, veel vakgebieden omvattende, theorie. Er zijn meerdere definities, afhankelijk van de overdekte onderwerpen. Eén daarvan is: Een (complex) systeem bestaat uit een (groot) aantal verbonden delen, waarbij het systeem een of meer de delen overstijgende eigenschappen (emergence) heeft, die niet voortkomen uit de samenstellende delen. Anders gezegd: Het geheel is meer dan de delen.

61. De systeemleer is in de ingenieurswetenschappen een bekend hedendaags vakgebied. Men onderscheidt er de Wel- en de Niet-Reduceerbare Complexe Systemen. Een systeem is complex als het een groot aantal samenstellende delen telt. Een goed voorbeeld is de gewone automobiel, de personenauto. Die telt een zeer groot aantal, zeer verschillende, onderdelen. Een veel eenvoudiger voorbeeld is de klassieke muizenval. Dat systeem is niet complex, want het bestaat meestal maar uit vijf onderdelen.

62. Zowel de muizenval als de personeneauto zijn reduceerbare systemen. Dat betekent, dat zij geheel in de delen kunnen worden uiteengenomen, en vervolgens weer ineen kunnen worden gezet. Daarna zullen zij (weer) werken zoals het behoort.

63. Nu kent men bij de al of niet complexe systemen ook het beginsel der niet-reduceerbaarheid. Dit betekent, dat als men er een deel van af neemt, of uitschakelt, het systeen niet meer functioneert (irreducible complexity). Het systeem kan dan de functie van het geheel niet meer onbeperkt uitoefenen. In de biologie zijn er vele van die systemen.

64. Als voorbeeld de mens. Het systeem mens is niet-reduceerbaar. Neemt men er een deel van af, bijvoorbeeld een been, dan kan de mens niet meer functioneren als tevoren. Het systeem mens is evenmin uiteen te nemen in delen en nadien weer ineen te zetten met de oorspronkelijke delen. Een ander voorbeeld is het menselijk oog. Wordt de lens vertroebeld door cataract, dan kan het oog de oorspronkelijke functie niet meer uitoefenen. Het oog is niet in delen uiteen te nemen, noch later weer ineen te zetten met die oorspronkelijke delen.

65. Sommige van die niet-reduceerbare systemen in de biologie moeten in hun geheel en ineens ontstaan zijn. Voorbeeld: De gehele mens, het menselijk oog. Een stapsgewijs of evolutief ontstaan uit de samenstellende delen is bij dit type systeem niet mogelijk. De leer van de niet-reduceerbare complexe systemen toont aan, dat de stapsgewijze evolutie van een of ander voorwezen van de mens naar de huidige Homo Sápiens onmogelijk is.

SLOTOVERWEGINGEN
BEKNOPTE SAMENVATTING
66. Op basis van de historische feiten van de laatste 4.000 jaar kan de experimentele biologie niets anders doen dan vaststellen, dat evolutie, te verstaan als Macro-evolutie, dat is het ontstaan van een nieuw erfelijk complex uit een oudere groep erfeljke eigenschappen door zelfwording, onmogelijk is. Micro-evolutie, dat is het erfelijk aanpassen van wezens binnen een zekere grondsoort, bestaat wel.

67. Het doorrekenen van uitgebreide demografische computermodellen met variatie van grote aantallen parameters betreffende de klimatologische omgeving, de historische gebeurtenissen, en de levensomstandigheden leidt tot de vaststelling, dat het genus mens nooit langer dan ongeveer 6.000 tot 7.000 jaar op aarde kan hebben rondgewandeld.

68. Archeologisch onderzoek van nederzettingen en plaatsen van bewoning en de daarbij gevonden artefacten, zoals gereedschappen en aardewerk, leidt tot de conclusie, dat de sedentatie van de mens nooit ouder kan zijn geweest dan ongeveer 10.000 jaar.

69. Uit meer dan 70 geofysische experimenten blijkt, dat de bewoonbare aarde relatief jong is, zo tussen de enige honderden tot meerdere honderdduizenden jaren. De leeftijden, volgend uit de metingen, klonteren rond de 10.000 jaar.

70. Door meerdere sedimentologische experimenten werd bewezen, dat de afzetting van gesteenten en aardlagen niet langzaam in lange tijden geschiedde, maar relatief snel in korte tijden.

71. Onderzoek van de betrouwbaarheid van radio-actieve meetmethoden heeft aangetoond, dat de uitkomsten van al die methoden moeten worden gecorrigeerd in de richting van veel kortere tijden, omdat aan de randvoorwaarden niet werd voldaan.

72. Als consequentie moeten de veronderstelde leeftijden van de aarde opgenomen in de geologische tijdschalen worden gecorrigeerd. Dit geldt eveneens voor de fossielen voorkomend in de lagen van de tijdschalen.

73. Met de wiskundige statistiek en de waarschijnlijkheidsrekening werd vastgesteld, dat het vóórkomen van wel 75 waargenomen ruimtelijke gegevens betreffende de positie van de aarde in ons zonnestelsel en de samenstelling van de kosmische omgeving van de aarde, onmogelijk uit toeval kan worden verklaard. Het voorhanden zijn van een zo groot aantal onafhankelijke astrofysische en kosmische basisvoorwaarden wijst op planmatigheid en doelgerichte opzet.

74. De fysische informatieleer is een universele ervaringswet, die het bestaan en de verwerking van alle informatie regeert, en die geldt voor alle soorten informatie, fysische, technische, zowel als biologische. Informatie is geen fysisch begrip zoals massa, energie, druk of temperatuur. Informatie is wel gehecht aan de materie en wordt wel gedragen door de stof, altijd in gecodeerde vorm, maar het is geen eigenschap van de materie.

75. Informatie is een geestelijke eigenschap, welke voortkomt uit een bron met intelligentie (verstand) extern aan de materie welke de informatie draagt. Informatie, welke verloren is gegaan, kan niet op technische, noch natuurkundige, noch biologische wijze worden teruggewonnen. Er is altijd weer de externe bron of geest met verstand nodig om de verdwenen informatie te recuperen, te herstellen, of te vervangen.

76. De biologie kan niet verklaren welke de oorzaak of bron is van de informatie vervat in het DNA van een biologische grondsoort. De informatieleer stelt echter vast, dat die informatie bestaat, en uit een verstandelijke bron buiten de biologie moet komen. Dit betekent ook, dat als men het complex erfelijke factoren in het DNA als afkomstig van Intelligent Design betitelt, men tevens moet aanvaarden dat dit ID een externe bron heeft.

77. De Verenigde Veldtheorie van Randell L Mills heeft alle onzekerheid en alle waarschijnlijkheidsredeneringen verwijderd uit de kwantummechanica en de moderne fysica. De causaliteit is een universeel natuurwetenschappelijk beginsel, geldend in alle domeinen van de fysica en de biologie. Toeval, doelloosheid, spontaniteit, willekeur, richtingloosheid en onzekerheid bestaan natuurwetenschappelijk niet.

78. De Cosmologie van Barry Setterfield heeft aangetoond, dat de Big-Bang-theorie van het ontstaan van het heelal een mythe is. Fysische grootheden, zoals de lichtsnelheid, en de snelheid van het radio-actieve verval, zijn niet constant; zij waren in het verleden veel groter dan heden. Dit is experimenteel vastgesteld.

79. Setterfield verklaart het ontstaan van het universum niet vanuit de gravitatietheorie, welke tot voor kort gangbaar was, maar uit de plasmatheorie. Alle anomalieën van de oude gravitatietheorie worden met de nieuwe plasmatheorie verklaard. Alle oude experimentele vaststellingen, waarvoor de Big-Bang-theorie geen verklaring kon geven worden door de plasmatheorie verantwoord.

80. Met name de in het verleden veel grotere radio-actieve vervalsnelheid leidt er toe, dat alle dateringen van tijden van miljoenen en miljarden jaren gecorrigeerd moeten worden naar veel kortere tijden. Met name het ontstaan van het heelal vele miljarden jaren geleden moet worden teruggebracht tot ongeveer 8.000 jaar geleden. Immers de gangbare dateringen nemen aan, dat de vervalsnelheid gedurende die lange tijden constant was, en dit is manifest onjuist. Hoe verder men naar het verleden teruggaat, des te groter de vervalsnelheid is geweest.

81. De systeemleer, zoals in gebruik in de techniek en de ingenieurswetenschappen, kent reduceerbare en niet-reduceerbare complexe systemen. Die begrippen zijn ook geschikt voor gebruik in de biologie. Niet-reduceerbare systemen moeten in hun geheel en ineens ontstaan zijn. Ontstaan door opbouw gedurende langere tijd uit grotere aantallen samenstellende delen is voor die systemen onmogelijk.

SLOTOPMERKING
82. Tenslotte heeft de natuurwetenschap na vele eeuwen het punt bereikt waarop het de gegevens van het bijbelboek Génesis kan bevestigen. Echter, heel wat wetenschappers zitten nog vastgeroest in de oude denkkaders en de oude theorieën, in het heersende Evolutieparadigma. En de meerderheid van de mensen is (nog) niet op de hoogte van de nieuwste natuurwetenschappelijke gegevens. Het zal tijd en inspanningen vergen om de bestaande dictatuur van het Evolutieparadigma te doorbreken.

VERWIJZINGEN:
ART09012801 Het Ontstaansmodel -- Biologische feiten
ART09021101 Filosofische ontwikkelingen welke het Ontstaans-model beinvloeden
ART09100101 Over Demografie en Sedentatie
ART09100102 Een jonge bewoonbare aarde
ART09100103 Een nieuwe cosmologie