de modellen vergeleken

Het evolutiemodel vergeleken met het creatiemodel

Een korte samenvatting van dit artikel verscheen eerder in
Profetische Stemmen nummer 57 van september 2001.


INHOUD

Een redactie ontspoort
Schepping of evolutie
Modellen van de oorsprong
Modelbouw
Een complex model
Een zelfbeperking
Darwin
Het ontstaan van het leven, en verder
Natuurwetenschappelijke gegevens
Evolutieve dilemma’s
Het magistérium
Theïstische evolutie
De doodsteek voor alle soorten evolutie
Publieke en de privé openbaring
Een wrang gegeven


Een redactie ontspoort

1. In het nummer 01/2 van het Nederlandse tijdschrift (kwartaal-uitgave) Kwartana, dat voorgeeft de katholieke zaak te verdedigen, staat een artikel, dat bij de warekatholiek, en nog meer bij de geschoolde natuurwetenschapper, de nodige verbazing oproept. Datartikel gaat over de controverse Evolutie of Creatie ? En de schrijver, Dr. ChristophSchönborn, schijnt een tamelijk bekende priester-theoloog te zien, ja, aartsbisschop enkardinaal. Des te verbazender is dan ook de inhoud, niet slechts theologisch of filosofischbeschouwd, maar vooral natuurwetenschappelijk.

Schepping of evolutie

2. Het artikel in Kwartana 01/2 van de hand van Dr. ChristophSchönborn is getiteld Schepping en Evolutie. Dit artikel is duidelijk geschrevendoor een theoloog/filosoof, die niets, herhaal: werkelijk niets, afweet van de hedendaagse natuurwetenschappen, vooral niet van de biogenetica en de fysica. Maar bovendienneemt hij een loopje met de bestendige katholieke geloofsleer, vooral met de dogmatiek van deerfzonde en de Schepping. Het is tegenwoordig niet omdat er dr., of kardinaal, of bisschop, ofwat ook, voor staat, dat het geschrevene de waarheid bevat.

3. De overgrote meerderheid van de tegenwoordige wat oudere priesters en theologen heeftin hun opleidingstijd vrijwel niets geleerd van de natuurwetenschappen. En dat wreekt zich heden.Vóór de tweede wereldoorlog werd in sommige Nederlandse seminaries al het Teilhardisme gedoceerd. Het evolutiegeloof heeft oude wortels. Want het zijn juist detheologen, die heden evolutie nog steeds schijnen te verdedigen, wat geen enkelenatuurwetenschapper nog zal doen (vanuit het eigen vakgebied), omdat men heel goed weet,dat, natuurwetenschappelijk gezien, evolutie onzin is. Zij, de theologen, proberen ook nogsteeds de katholieke dogmatiek te verzoenen met het Teilhardisch denken, wat natuurlijk niet gaat.Ook Dr. Schönborn (hierna te noemen Sch.) doet dat. Maar, men bedenke,dat Teilhard en zijn theorieën veroordeeld zijn door de Kerk als zijnde ketters, en dieveroordeling geldt nog altijd.

4. Sch. doet in feite enige krachtige uitspraken over de oorsprong, over deoorsprong van het leven op aarde, de oorsprong van de planten, de dieren, en de mens,óók over de oorsprong van de geestelijke vermogens van de mens, zoals zijnreligiositeit. Anderen verbinden daaraan de drie ‘prachtige’ begrippen van vitalisatie, hominisatie, en divinisatie. Vitalisatie is dan het ontstaan van hetleven uit dode stof, hominisatie is het ontstaan van de mens uit een hoger zoogdier (zijngeestelijke vermogens inbegrepen), en divinisatie is de feitelijke vergoddelijking van de mens (diezijn God-Schepper ontkent en zichzelf tot ‘God’ maakt). Wat die drie begrippen echterprecies inhouden, blijft in het vage. Sch. met velen, die denken zoals hij, spreekt nietover de oorsprong van de dode stof (waar komt die vandaan; die moest er eerst zijn voor vitalisatiekon optreden). Hij spreekt niet over de oorsprong en de vorming van de kosmos, dehemellichamen (waarom is juist de aarde onze woonplaats, en hoe is dat mogelijk geworden ?). Hijspreekt niet over tijd en eeuwigheid (is er een begin in de tijd, is het heelal eeuwig oftijdelijk ?).

5. Sch. spreekt wel over de ‘wet’ van de zg. natuurlijke selectie, het eerstgeformuleerd door Darwin (die geen universele, maar slechts een beperkte ‘wet’is, omdat Darwin’s biologische kennis veel geringer was dan die van ons nu, waarover verderopmeer), maar hij spreekt niet over de klaarblijkelijke doelgerichtheid in de natuur(de basis daarvan ziet men vooral in de complexe structuur van het DNA van de celkern van dezygote, die het gehele nieuwe individu bepaalt). Hij suggereert wel, dat tijdens het evolutieveproces de mens evolueerde tot een godsdienstig wezen, maar hij zegt nietwaarom dit zo nodig was (waarom zou de zich zelfstandig evoluerende mens zich een God hebbengedacht ?). Hij spreekt over de geestelijke vermogens van de mens, maar zegt niets over de klaarblijkelijke verschillen in geestelijke vermogens tussen mensen en hogerezoogdieren (waarom kan een mensaap geen fuga van Bach spelen ?). Hij spreekt over voortgaandeevolutieve ontwikkeling gedurende miljoenen jaren, maar vermeldt niet, dat wijheden met al onze wetenschappelijke apparatuur een dergelijke ontwikkeling niet kunnenconstateren (waarom zijn niet alle hogere apen tot mensen geëvolueerd, maar als onderscheidensoort blijven bestaan ?). Deze vragen - en vele andere - vereisen te worden beantwoord.

Modellen van de oorsprong

6. Er zijn heden in de wetenschappen twee modellen in zwang om de oorsprong en devorming van de aarde, de levende wezens, en de mens te verklaren. Het oudste model is het creatiemodel. Het creatiemodel gaat uit van de oorsprong der dingen, ongeveer zoals beschrevenin de Bijbel, vooral in het boek Schepping. Het aanvaardt een plotseling verschijnen van de levendewezens, ongeveer tegelijkertijd, ieder uniek in zijn soort, op een jonge aarde, niet ouder dan ca.6.000 jaar. Het aanvaardt het scheppend Meesterbrein van de almachtige God, die geheel los van deaarde bestaat, en verantwoordelijk is voor de doelgerichtheid. Het aanvaardt het catastrofemodel, wat wil zeggen, dat door enorme natuurlijke calamiteiten van kosmische enaardse oorsprong de oppervlakte van de aarde flink dooreen is geworpen (o.a. door deZondvloed).

7. Het jongste model is het evolutiemodel. Dit model (dat pas bestaat vanaf ca.1850) gaat uit van het uniformiteitsbeginsel, dat een onge-stoorde ontwikkelingveronderstelt gedurende miljoenen en miljarden jaren, van dode stof middels planten en dieren totde mens. Geen kosmische of andere grote rampen, hoogstens plaatselijke omwoelingen van deaardkorst. In het oorspronkelijke model hing alles van het toeval af, van zg. natuurlijkeprocessen, van natuurlijke selectie, zonder doelgerichtheid. Later, toen de bezwaren tegen dezeuitsluitend op het toeval berustende evolutie te groot werden, schreef men de evolutie toe aan dezg. ‘zelforganisatie van de materie’ door een ‘innerlijke drijvendekracht’, die de evolutie gedurende die miljoenen jaren op ‘natuurlijke’ wijzein de ons bekende richting heeft gestuurd. Sommige filosofen en theologen proberen zuivere evolutiete verenigen met het geloof in een soort Godheid, waarover verderop meer.

8. Sch. hangt duidelijk het evolutiemodel aan, zoals uit het artikel blijkt, en degegeven citaten laten zien. Men spreekt ook over darwinisme, neo-darwinisme, evolutietheorie, zelfs over evolutieleer (hetgeen vals is, want een leer is bewezen zeker tezijn, en evolutie is dat geenszins). De creationisten proberen (natuur)wetenschappelijkebewijzen te vinden voor de juistheid van het creatiemodel, de evolutionisten doen dit zelfdevoor het evolutiemodel. Gewoonlijk is het zó, dat een bewijs vóór hetéén tegelijkertijd een bewijs is tégen het andere model. Het evolutiemodelkent een aantal ondersoorten, deelopvattingen, een aantal variaties, afhankelijk van de opvattingover het al of niet bestaan van doelgerichtheid in de natuur en de oorzaak daarvan. Een practischpunt is, dat de creationisten grotendeels wetenschappers van protestantsen huize zijn. Een waarlijkkatholiek creationisme is pas in opkomst.

Modelbouw

9. Hoe nu op verantwoorde wijze bepalen, welk model de werkelijkheid het beste beschrijft? Want, dàt is het doel van een model: Een ware representatie te zijnvan de werkelijkheid, ongeveer zoals een maquette van een gebouw een beeld van de werkelijkheid vanhet gebouw geeft, maar met beperkingen, eigen aan het model. Een maquette geeft bijvoorbeelddeurkrukken niet weer. In de natuur- en ingenieurswetenschappen werkt men zeer veel met modellen,vaak in de vorm van een formule of vergelijking. Men stelt voor een bepaald probleem, bijvoorbeeld het bepalen van de dikte van de kabels van een lift in een hoog gebouw, een modelop. Gewoonlijk is dat een fysisch model, weergegeven in een wiskundige formule. Dat model wordt dangetoetst, men beproeft het in het labo, of anderszins. Op grond van die experimenten, op grond vanwaarnemingen, wordt dan het model verfijnd. Als het model betrouwbaar genoeg wordt geacht, past menhet toe om de werkelijkheid te structureren: Men berekent de liftkabels en bouwt de lift. Blijktechter in de praktijk, dat de liftkabels bij belasting breken, dan is het model fout, en zal moetenworden verbeterd, of zelfs moeten worden verlaten voor een ander model. Daarover is in denatuurwetenschappen en in de ingenieurskunsten nimmer discussie, want het experiment en dewaarnemingen bewijzen de juistheid van het model. In de (technische) wetenschappen bestaat zelfs degrondregel, dat, al zijn er honderd bewijzen vóór een bepaald model, één tegenbewijs voldoende is om het model als onbetrouwbaar tequalificeren.

10. De moeilijkheid met het creatiemodel en het evolutiemodel is nu, dat dezebeide over de oorsprong handelen. Niemand was er bij, geen aards oog heeft het gezien, deoorsprong kan door ons niet experimenteel worden geschouwd, niet worden herhaald, alleen de langetijden al beletten dit. Experimenten op aarde kunnen hoogstens enige tientallen jaren duren. Delange tijden bij evolutie of creatie beletten welke experimentele verificatie dan ook. Evenminbestaat er betrouwbare, vastgelegde informatie over de oorsprong, die als een waar verslag van degebeurtenissen in het verleden kan worden beschouwd. Ongeveer, zoals wij het schriftelijk verslagvan experimenten met het fokken van diersoorten, geschreven 400 jaar geleden, kunnen beschouwen alsvastgelegde, betrouwbare informatie. Veel meer dan oude volksverhalen over de oorsprong dervolkeren (waarvan de Bijbel er een is) hebben wij niet. En hoe betrouwbaar zijn die als(natuur)wetenschappelijk verslag ? Velen willen de gevonden artefacten en paleontologischevondsten, fossielen, en dergelijke, als betrouwbare vastgelegde waarnemingsgegevens beschouwen, entot op zekere hoogte zijn zij dat ook. Maar er is altijd discussie onder de wetenschappers over deouderdom en het ontstaan van die voorwerpen en fossielen. Veel ware zekerheid verschaffen zij danook niet.

Een complex model

11. Samenvattend: De juistheid van welk - (natuur)wetenschappelijk verantwoord - modelvan de oorsprong der dingen dan ook, is principiëel onbewijsbaar ! Wil dat danzeggen, dat wij maar altijd in onwetendheid over onze oorsprong moeten blijven verkeren ? Geenszins! Dik-wijls beschouwt men het evolutiemodel en het creatiemodel als behorend in hoofdzaak tot denatuurwetenschappen, maar dit is niet juist. In feite zijn beide modellen een gestructureerd complex van deelmodellen uit meerdere vakgebieden. Men dient onderscheid te maken tussen benaderingen uit de volgende wetenschappen: natuur- eningenieurswetenschappen (thermodynamica, cosmologie, geofysica, kernfysica, radiologie, fysischechemie, biologie, vooral erfelijkheidsleer, microbiologie en biogenetica, wiskundige statistiek,waterbouwkunde, anatomie en fysiologie van mens en dier, ecologie), oudheidkunde, psychologie,demografie, linguistiek, filosofie, theologie (exegese, dogmatiek, mystiek).

12. Om door de bomen het bos te blijven zien, moet men bewust de beschouwingen enonderzoekingen, en de resultaten daarvan, beperken tot het beschouwde vakgebied, èner voor waken geen resultaten over te brengen naar een ander vakgebied, alwaar die - in hetalgemeen - niet geldig zijn. Men dient bovendien voortdurend te bedenken, datéén tegenbewijs voldoende is om een deelmodel (welk dan ook) als ongeldig tebeschouwen. En men moet die vaststellingen voor zo veel mogelijk wetenschapsgebieden doen, om toteen verantwoorde uitspraak over het gehele model te kunnen komen.

Een zelfbeperking

13. Het is natuurlijk onmogelijk, om de bovenstaande uitspraken van Sch. te beschouwen inhet licht van àl de genoemde vakgebieden. Dat zou een geheel boek vereisen.

[Dat boek bestaat overigens. Zie de internetsite: http://users.skynet.be/courlisius/index.htmlonder boeken, algemene theologie, en wel hetboek: BR314 Evolutie: Zin enOnzin !].

14. In de onderhavige bespreking van het artikel van Sch. wordt een zelfbeperkingtoegepast tot drie vakgebieden, te weten: A. de natuurwetenschappen(voornamenlijk de biologie), B. de filosofie, en: C. de theologie (dat is deRooms-Katholieke theologie). Die keuze hangt samen met de interessesfeer van de schrijver Sch.zoals die blijkt uit het bedoelde artikel.

Darwin

15. Sch. schrijft veel te positief over Darwin; hij hemelthem op. Lees echter maar eens recente biografieën van Darwin om de waarheid te leren kennen.Darwin was helemaal geen ‘geniale natuuronderzoeker’, maar een charlatan. Hij brachtweinig ‘kennis’, en veel verzinsels, voort. Zijn opleiding zit vol manco’s, hijheeft meerdere opleidingen niet afgemaakt, hij was helemaal geen bioloog, maar een misluktearts-student, tevens mislukt theoloog. Het kon slechts iemand met de halve kennis van Darwin zijn,die de betreffende biologische verzinsels voor waarheid bracht. En dan moeten wij in een zg.katholiek blad als Kwartana ook nog een foto van Darwin bewonderen. Pasteur, dieheeft bewezen, dat leven slechts voortkomt uit leven, was een betere keuze voor de foto geweest, ofeen andere grote Franse, waarlijk katholieke, bioloog, zoals Le Jeune, die debiogenetica veel verder heeft gebracht.

16. Darwin kende niet het verschil tussen enerzijds mutaties binnen de biologische soort(die bestaan), en anderzijds mutaties van soort tot andere soort - die laatste bestaan nl. niet ! Heden zeggen wij: Darwin kende niet het verschil tussen micro-evolutie(die bestaat en is bewezen), en macro-evolutie, die bestaat niet ! Wat mutaties betreft: Diebestaan, maar dat betekent niet, dat er betere individuën, of hogere wezens, uitvoortkomen. Integendeel alle bekende mutaties leiden altijd tot degeneratie,tot achteruitgang van de individuën van de soort, niet tot een betere of een anderesoort. Een spontane mutatie, die tot een beter individu leidt, met betere eigenschappen, is nog nooit aangetoond. Evenmin is aangetoond een mutatie, die leidt tot een nieuwe soort met andereerfelijke eigenschappen. Bij door de mens opgezette kruisingen binnen een soort kunnen welexemplaren ontstaan met betere eigenschappen dan de voorouders, maar dat gaat ook altijd gepaardmet verlies van waardevolle erfelijke eigenschappen. En dat heeft niets met evolutie te maken. Evolutie, te verstaan als het vanzelf en/of door omgevingsinvloeden ontwikkelen van een stabiele enunieke hogere diersoort uit een lagere soort, bestaat niet: Evolútio non exístit!, Evolutie bestaat niet !

Het ontstaan van het leven, en verder

17. Sch. schijft: "Ook het leven is ontstaan uit dit evolutieproces, uit het spel vantoeval en noodzakelijkheid, van selectie en mutatie. Zo is de school ontstaan, die men nuneo-darwinisme noemt." Dit is zowel natuurwetenschappelijk, als filosofisch, als theologisch grote onzin. Filosofisch is het onzin, want: Nemo dat, quod non habet ! Niemandgeeft, wat hij niet heeft. Iets wat het leven niet bezit, kan het niet voortbrengen. Leven kan nietvanzelf ontstaan, filosofisch niet, en natuurwetenschappelijk niet. Leven komt slechts voort uitleven. Dit is in de biologie definitief bewezen, al door Pasteur. Theologisch is hetbeweerde een ketterij, want ‘God schiep de levende wezens...’ ex níhilo,uit het niets, zo staat het er, in de Bijbel. En dit is een de fide geloofsuitspraak, dat iseen absoluut en onweerlegbaar juiste geloofsregel, waar geen discussie over mogelijk is !

18. Om evolutie aannemenlijk te blijven vinden, plausibel te maken, moet men wel eenduister begrip invoeren als ‘de zelforganisatie van de materie’. Sch. doet ditook. "Alles is evolutie, alles ontstaat vanzelf uit [lees: door] deze zelforganisatie van dematerie in steeds hogere en complexere vormen." Dit is in feite de visie van Teilhard, detaal van een man, die verliefd is op een groot idee, ja, op een GROOT IDEE. Men spreekt ook overeen innerlijke, drijvende kracht, aanwezig in de dode en de levende stof, die de evolutietot gevolg heeft.

19. Maar het bestaan van deze innerlijke drijvende kracht, deze zelforganisatie, isnatuurwetenschappelijk nooit aangetoond, en dus is het voor de bioloog en de fysicus geen aanvaardbare verklaring. Voor de theoloog, die zijn vak ernstig neemt, is het alhelemaal niet aanvaardbaar, want nu wordt de Scheppende Vader-God vervangen door eenduistere zg. natuurkracht, die voor de natuurwetenschappers echter helemaal niet bestaat, dus geennatuurkracht is ! In de filosofie bestaat welhaast totale vrijheid van denken, dus kan men daar weluit de voeten met een algeheel verzinsel als de zelforganisatie. In feite is het een geloof.Een geloof in de zelforganisatie, of een innerlijke drijvende kracht, die nu doet, wat anderen aanGod toeschrijven. Maar, omdat dit geloof in strijd is met de natuurwetenschap, is het geloof inevolutie een mythe geworden, omdat natuurwetenschappelijk is aangetoond, dat evolutie niet bestaat ! De Creator-Vader-God is eveneens onderhevig aan geloof, maar omdat creatie niet in strijd is met de natuurwetenschap, is het creationisme geen mythe !

Natuurwetenschappelijke gegevens

20. De belangrijkste natuurwetenschappelijke argumenten volgen hierna in het kort.Klaarblijkelijk zijn de meeste theologen niet op de hoogte van de volgende natuurwetenschappelijkvaststaande gegevens:

A. Dat op grond van de microbiologie en de erfelijkheidsleer, de afstammingvan alle mensen van één ouderpaar zeker is. Alle biologischesoorten, de mens inbegrepen, zijn uniek. Elke soort heeft een eigen uniek DNA (complex erfelijkefactoren), en de soorteigen DNA is niet in die van een andere soort om te zetten. Daaromzijn alle exemplaren van de biologische soort mens afstammelingen van één eersteouderpaar. Het polygenisme, dat is de opvatting, dat de namen Adam en Eva staan voor groepen eerstemensen, is biologisch onmogelijk en is door het katholieke kerkelijke leergezag als vals verklaard.

B. Dat er meer dan 70 bewijzen aangeven, dat de aarde en demensheid jong zijn (jong, dat betekent ca. 6.000 jaar). De meeste van die bewijzenzijn gebaseerd op waarnemingen en gedachtenexperimenten, ondersteund door veldproeven, uit de natuurwetenschappen. Een minderheid is uit andere wetenschappen, zoals uit de demografie. Dat de aarde (zoals wij die kennen), de dieren en de mensheid jong zijn, is wetenschappelijkniet meer te betwijfelen. De uitkomsten van de berekeningen van de ouderdom van de aarde indie 70 gevallen variëren van 100 jaar tot enkele honderdduizenden jaren. De wetenschappelijkegegevens geven een aanvaardbare spreiding te zien van de ouderdom van de aarde van zeg 100 tot zegca. 10.000 jaar. Deze uitkomsten klonteren rond ca. 6.000 jaar. Het belangrijkste is echter,dat de uitkomsten geen tienduizenden of honderdduizenden of miljoenen jaren zijn. De spreiding komtdoor de onzekerheid in sommige aannames en waarnemingen, en is wetenschappelijk gezien volkomennormaal en te verwachten. Het belangrijkste is echter, dat al de uitkomsten klonteren rond de 6.000jaar, en zeker niet in de miljoenen of miljarden jaren lopen.

C. Dat uit de Tweede Hoofdwet van de Thermodynamica (deel van de fysica)volgt, dat er een begin in de tijd moet zijn. Dus zijn een oneindig heelal eneen eeuwig heelal onmogelijk. Bovendien zegt de Uitgebreide Tweede Hoofdwet van deThermodynamica, dat er intelligentie en energie voor nodig zijn om een hogereordening te bereiken (hetgeen geschiedt bij de overgang van lagere soorten dieren naar hogeresoorten).

Men denke als voorbeeld aan de bouw van een huis, waarbij een ordeloze stapel stenen doortoevoer van intelligentie (architect, aannemer, metselaars) en energie (bouwers) tot een huiswordt. Fysisch is de entropie (maat van wanorde op moleculaire schaal) afgenomen. Daartegenoverstaat het verval van een (onbewoond) huis tot een ruïne, een ordeloze hoop stenen, als menniets doet en de tijd zijn gang laat gaan. Fysisch is de entropie (maat van wanorde)toegenomen.

Het evolutiemodel acht het toeval voldoende voor de overgang van lagere naar hogeresoorten dieren, òf roept de - in de natuurwetenschappen niet-aantoonbare - innerlijkedrijvende kracht te hulp. Maar het toeval leidt altijd tot lagere ordening, en het bestaanvan de innerlijke drijvende kracht is nooit aangetoond. De afname van de entropie (maat vanwanorde) bij het ontstaan van hogere ordenuing kan door het evolutiemodel niet wordenverklaard. Daarom is het evolutiemodel in strijd met de Tweede Hoofdwet.

Het creatiemodel kent dit probleem niet, want de almachtige Schepper-God isdegene, die de nodige intelligentie en energie bezit, en die door zijn wil de entropie (maat vanwanorde) van het geheel bij de schepping van een hogere soort kan doen afnemen.

D. Dat deze Tweede Hoofdwet óók een bevestiginginhoudt van de zondeval. Immers, als alles vanzelf in puin valt en als de ordeningvanzelf vermindert, als alles op aarde vanzelf tot wanorde vervalt, als men niets doet, dat is: alsde entropie (wanorde) toeneemt, als men niets doet, dan bevestigt datde vloek van God, die op de aarde en op de natuur rust als gevolg van de zondeval van Adam enEva.

E. Dat het volgens de wiskundige statistiek en de biogenetica absoluut onmogelijk is, dat nieuwe biologische soorten door enige vorm vanevolutie - atheïstisch, of pantheïstisch, of deïstisch (zie verderop) - kunnenontstaan uit bestaande soorten. Daarvoor is het unieke DNA van elke soort veel te stabiel. Biologische soorten zijn niet in elkander om te zetten, tenzij door eenscheppende almachtige God, wat dan theïstische evolutie zou zijn, of pure creatie. Het DNA vanhogere zoogdieren, zoals apen, verschilt veel te veel van dat van de mens, opdat iets anders daneen scheppend goddelijk Meesterbrein tot zo’n omzetting van aap naar mens in staat zouzijn.

Er is, omwille van het uniek en stabiel zijn van het soorteigen DNA, geen enkelenatuurwetenschappelijke methode bekend, waarmede diersoorten in andere soorten kunnenworden omgezet door uitwendige en natuurlijke omgevingsinvloeden (kosmische straling,grondstraling, temperatuur, druk, e.d.). Dergelijke methoden zijn evenmin te verwachten alsresultaat van voortgezet onderzoek, want alles ís al geprobeerd. Men bedenke, dat debiologie de oudste practische wetenschap is, en dat de mensheid al minstens 4.000 jaar ervaringheeft met het fokken en telen van planten en dieren. Nieuwe grondsoorten, of biologische soortenzijn nimmer ontstaan. Kruisingen wel, maar een kruising is geen nieuwe soort. Want eennieuwe soort moet een geheel ander complex erfelijke eigenschappen hebben dan de andere bekendesoorten.

Tegenwoordig kent men de zg. gen-egineering. Daarbij wordt door de wetenschapperingegrepen in de genen - de dragers van de erfelijke eigenschappen - vanvoortplantingscellen. Men kan zo klonen, dat is meerdere individuen met dezelfdeeigenschappen maken. Men kan sedert kort zo ook nieuwe en andere wezens maken, dus niet bestaandedierlijke wezens met andere eigenschappen dan de bekende soorten. Dit echter is engineering,het is een technische kunst, het heeft niets te maken met de hier besprokenevolutie, want het is de ingrijpende en actieve wetenschapper, die de nieuwe genen-samenstellingvoortbrengt.

F. Dat het statistisch onmogelijk is, dat doorelectrische ontladingen in een oersoep van allerlei moleculen aminozuren, de bouwstenen van alleeiwitten, zouden kunnen ontstaan. Het spontaan ontstaan uit dood anorganisch materiaal vanorganische eiwitten, opgebouwd uit meerdere aminozuren, is statistisch onmogelijk. In de wiskundige statistiek neemt men algemeen aan, dat als de waarschijnlijkheid van hetoptreden van een gebeurtenis kleiner is dan 1 op 1050, dat is een 1 met 50 nullen, datdan die gebeurtenis nimmer zal optreden. Maar de waarschijnlijkheid om uit dode anorganischestof op de bedoelde wijze een volwaardig aminozuur van een eencellig wezen te maken is nog velemalen kleiner dan 1 op 1050. En, zou dit wel lukken, dan weet men nog steeds niet, ofdat ook betekent, dat er leven ontstaat !

G. Dat er nimmer en nooit enige fossiele resten zijn gevonden van zg. evolutieve biologische tussenvormen. Men vindt wel steedsfossielen van bestaande biologische soorten, en van zg. uitgestorven soorten, maar nooit van zgtussenvormen. Als inderdaad de hominiden en de mens miljoenen of honderdduizenden jaren oud zoudenzijn, zoals evolutionisten beweren, dan zouden wij overal op aarde moeten struikelen over debeenderresten en de achtergelaten artefacten. Welnu, die zijn er helemaal niet. Dus is die langelevensduur gewoon onzin !

H. Dat het evolutiemodel geen verklaring kan geven voor de cosmologische feiten van ons zonnestelsel. Op onze aarde is leven mogelijk, omdat dejuiste condities daarvoor bestaan. Hoe en waardoor zijn die condities veroorzaakt ? Hoe is de ozongordel hoog boven de aarde ontstaan, die al het leven beschermt tegen de dodelijkekosmische straling. Zou de ozonlaag verdwijnen, dan was binnen enkele sconden alle leven op aardedood, ja, dood ! Waarom is de gemiddelde afstand van de aarde tot de zon, zoals ze is? Slechts 5% dichter bij zou ons doen verbranden, slechts 5% verder weg zou ons van koude doensterven. Hoe is de zuurstofhoudende aardatmosfeer ontstaan, met juist die samenstelling vangassen, die de ademhaling van al het levende mogelijk maakt ? Wat is de oorsprong van de stof water, die in fysische eigenschappen afwijkt van verwante stoffen, en juist daarom het levenmogelijk maakt ? Had water dezelfde eigenschappen als verwante stoffen, leven zou niet mogelijkzijn. Vragen, vragen, waarop het evolutiemodel geen antwoord weet te geven, maar die in hetcreatiemodel heel eenvoudig te beantwoorden zijn.

Evolutieve dilemma’s

21. Er zijn enkele tientallen deugdelijke bewijzen uit de natuurwetenschappen (voor deelproblemen en in deelgebieden), die een definitieve uitspraak doen over de controverse Evolutie of Schepping ?, ten aanzien van debedoelde deelproblemen, nl., dat evolutie nimmer verantwoordelijk kan zijn voor de bedoeldenatuurwetenschappelijke feiten. Elk van deze, in totaal enkele tientallen, deelbewijzen tegenevolutie, bevestigt óók, dat er een Meesterbrein zit achter de levende en de dodenatuur.

22. Daarvan worden hier als voorbeeld alleen maar genoemd: 1. De nek van de giraffe,2. Het hart van de menselijke vrucht, 3. Insecten in barnsteen, 4. Het ozon-dilemma,5. Orgaanvorming, zoals het menselijk oog, 6. Het continent Australië.

23. Interessant is het om te weten, dat Darwin regelmatig ‘s-nachts badendin het angstzweet wakker werd als hij dacht aan de onverenigbaarheid van zijn simplistischeevolutie-gedachten met de complexheid van het menselijk oog. Inderdaad zijn deonvoorstelbare ingewikkeldheid van organen als het oog en de lever, en de fysiologische processenin het menselijk lichaam, en vooral het immuniteitssysteem, volkomen onverenigbaar met eenprimitieve gedachte als die van de evolutionisten, met hun toeval en selectie, om niet te sprekenvan de zg. zelforganisatie, waar een natuurwetenschapper niets mee kan doen, omdat die voor hemniet bestaat, want niet aantoonbaar is.

24. Het wordt algemeen aangenomen, dat vele, vele jaren geleden het Australischevasteland losraakte van de andere vastelanden, en zodoende altijd geheel omringd was door het watervan de zee. Inderdaad vertoont de planten- en dierenwereld van Australië bijzondere trekken ennergens anders voorkomende soorten. Zo komen er de kangeroes voor. Hoe komt het, datklaarblijkelijk alleen in Australië kangeroes zich evolutief hebben ontwikkeld, en waarom isdit niet elders op aarde ook geschied ? Het evolutiemodel weet die vraag niet tebeantwoorden.

25. Het is onmogelijk al de genoemde voorbeelden hier uitgebreid te bespreken. Maar denek van de giraffe is heel eenvoudig uit te leggen. Elke mens weet, dat als hij, gebuktstaande, zijn schoenveters vast maakt, en daarna omhoog komt, hij ‘licht in het hoofd’kan worden. Lange mensen hebben daar meer last van. Welnu, de giraffe graast op de grond, zowel alshoog in de bomen. Als het dier, bij het grazen, in een ruk zijn kop van de grond naar bovenbeweegt, kan het hoogteverschil gemakkelijk 5 meter bedragen. Zonder speciale voorzieningen zou debloeddruk in de kop van de giraffe zo ver dalen, dat het dier niet slechts ‘licht in hethoofd’ zou worden, maar bewusteloos zou raken. Dat gebeurt echter niet, omdat een ingenieusstelsel van kleppen de bloeddruk in de kop constant houdt.

26. Welnu, als de giraffe het gevolg zou zijn van toevallige mutaties van een voorgaandesoort door omgevingsinvloeden, hoe weet dan het blinde toeval, dat juist die speciale kleppen bovenin de hals moeten worden aangebracht in de bloedbanen ? En, als men in plaats van het blinde toevalde ‘zelforganisatie van de materie’ aanneemt, wat is dan diezelforganisatie precies ? Waar zetelt die ? Hoe weet die zelforganisatie, tijdens hetevolutieve proces, dat juist die kleppen daar ter plaatse moeten worden aangebracht ? De bioloogvindt díe zetel niet ! Is dat, filosofisch gezien, iets anders, dan een vergoddelijkingvan de materie ? Vragen, vragen, waarop het evolutiemodel geen bevredigendantwoord weet.

27. En, men vergete vooral niet, dat alle noodzakelijke genetische ver-anderingen moetengeschieden in de voortplantingscellen, anders ontstaat er geen nieuwe stabiele soort. Menbedenke verder nog, dat bij de stabiele soorten inderdaad een soort ‘zelforganisatie’ bestaat, want het DNA in de cellen ‘weet’, nasamensmelting van de mannelijke en vrouelijke voortplantingscellen tot een nieuw individu, en zodrade vrucht gaat groeien doordat de cellen zich steeds verder delen, hóe dit individumoet worden opgebouwd. Sommige cellen worden tot het beenderstelsel, andere tot organen, weerandere tot spieren. Het ganse ontwikkelingspatroon is al compleet vastgelegd in de cellen van dejonge vrucht.

Déze vorm van ‘zelforganisatie’ bestaat, en is biologisch goed bekend,en men moet steeds weer constateren dat deze ‘zelforganisatie’ telkens weerleidt tot een nieuw individu van die bekende stabiele soort. Maar dat is iets heelanders, dan een overgang produceren naar een andere stabiele soort, met andere erfelijkeeigenschappen, want zulk een zelforganisatie bestaat biologisch niet !

Het magistérium

28. Sch. gebruikt in zijn artikel ook nog het gezagsargument, maar dan welvertekend. Hij haalt een uitspraak van Paus Jan-Paul II aan: "Tegenwoordig geven nieuweontdekkingen er aanleiding toe in de evolutietheorie meer te zien dan een hypothese." De Paus iskennelijk verkeerd voorgelicht, en hij behoort kennelijk tot de groep filosofen en theologen, die(te) weinig afweten van de natuurwetenschappen, om in te zien, dat er natuurwetenschappelijk juist geen aanleiding is in het evolutiemodel meer te zien dan een hypothese. Deze uitspraakvan de Paus is overigens geen onfeilbare uitspraak ex cáthedra (vanaf de Leerstoel).Ze is evenmin een te aanvaarden uitspraak van het gewone magistérium (leergezag),want deze uitspraak blijkt in tegenstelling te zijn met de oudere bestendige leer van het gewone enbuitengewone leergezag, en moet daarom dus worden genegeerd.

29. Er is een duidelijke tegenspraak met de leer van het Concilie van Trente, èn met de leringen van de Pauselijke Bijbelcommissie vanvóór 1950, welke destijds (nog) deelde in de onfeilbaarheid van het gewone leergezag.Bovendien is er de sensus fídei, het algemene geloofsaanvoelen, èn eris de bestendige verkondiging, gedurende al die 19 eeuwen vóór zeg1950, toen er in kerkelijke documenten nooit en te nimmer sprake was van evolutie (of eenvergelijkbaar begrip), en men altijd de historiciteit van de Schepping heeft aangenomen engeleerd. Daarom behoort dit tot de onfeilbaarheid van het gewone leergezag.

Theïstische evolutie

30. Sch. verdedigt dan op het einde nog zg. theïstische evolutie metde woorden: "Zonder twijfel is er evolutie, zonder twijfel zijn er in de natuur mechanismen vanevolutie, ze hebben zin, ze zijn zinvol, we kunnen de zin ervan ontdekken, omdat ze door deSchepper in de schepping zijn ingeschreven. ... God bedient zich ook van de evolutie om het werkvan de schepping te verwezenlijken."

Dit zijn werkelijk schokkende woorden voor een hoge katholieke prelaat, beter gezegd: eenniet-meer-zo-katholieke prelaat !

31. Wederom: Natuurwetenschappelijk is dit fout, is dit vals, want niet bestaande,want niet aantoonbaar. Theologisch en filosofisch is het een pogen van twee walletjeste eten, door schepping en evolutie te verenigen in één visie. Meestal is het zo,dat, als men poogt twee visies met elkaar te verzoenen, omdat men de voordelen van beide wilgenieten, men in feite blijft zitten met de nadelen van beide. Zo ook hier.

32. Sommige geleerden, die in evolutie geloven, maar die het bestaan van een Schepper-Godniet (helemaal) willen opgeven, hebben mengvormen bedacht tussen zuivere evolutie encreatie. Er zijn verschillende filosofisch-theologische opvattingen. Let op: Dit zijnfilosofisch-theologische opvattingen, geen natuurwetenschappelijke. Men onderscheidtheden algemeen:

  1. Atheïstische evolutie: Er is geen God, alles is door evolutie ontstaan, door natuurlijkeprocessen, onder invloed van het toeval, gedurende zeer lange tijd, tot miljoenen enmiljarden jaren toe. Het pure, eerste en oudste, atheïstische evolutiemodel. Ook welspontane evolutie genoemd. In latere jaren - nadat er te veel bezwaren kwamen tegen de zg.spontane evolutie - vervangen door het pantheïstische evolutiemodel, waarbij eengeheimzinnige, innerlijke drijvende kracht - de zelforganisatie - voor de gedachte spontaneverandering naar hogere soorten zorgt.
  2. Deïstische evolutie: God heeft de basisvoorwaarden geschapen en laat de rest verder doorevolutie geschieden, waar Hij zich helemaal buiten houdt. De innerlijke, evolutieve krachtis door God in de natuur gelegd en God laat die zijn werk doen. De God-horlogemaker van Voltaire. Als de radertjes van het horloge eenmaal draaien, omdat de veer is opgewonden, danloopt alles vanzelf verder.
  3. Theïstische evolutie: God begeleidt de evolutie bij elke stap. Ook wel geleideevolutie genoemd, waarbij die 'evolutie' een uitdrukking is van de bestendige, goddelijke invloed.Men spreekt dan ook wel van scheppingsproces, een onduidelijk begrip, daar scheppen altijd in eenoogwenk en ex níhilo (uit het niets) is, en proces op een langere tijdsduurwijst en op de invloed van omgevingsfactoren. Er is de uiterlijke oorzaak (God), maar het ontstaangaat niet in een oogwenk, zoals bij het echte scheppen, behalve wellicht bij de schepping van dematerie in het allereerste begin.
  4. Creatie: God heeft alles geschapen, zoals de Heilige Schrift dit beschrijft. Het pure creatiemodel. Alle planten- en diersoorten zijn apart, en als zodanig, geschapen in korte tijd,ieder naar zijn eigen soort.

33. Volgens atheïstische evolutie bestaat er geen God, dus is Die nietbetrokken bij het ontstaan en het ontwikkelen van het leven. Alle leven ontstond naturalistisch (door natuurlijke processen) en mechanistisch (vanzelf, door toeval,zonder ingreep van buitenaf) en zonder enig doel.

Bij de meer pantheïstisch gedachte evolutie wordt het toeval vervangen door devergoddelijking van de materie door de invoering van een geheimzinnige, innerlijke, drijvendekracht. Dit laatste is ook het model van Teilhard de Chardin. Over de aantoonbaredoelgerichtheid spreekt men liever niet, want de zg. zelforganisatie houdt dat in feite wel in.

34. Men moest deze geheimzinnige innerlijke drijvende kracht wel als een postulaat(een aanname vooraf) invoeren, omdat de zuivere atheïstische en deïstische evolutie opwetenschappelijke gronden - vooral uit de biologie - onmogelijk is. Overigens is die geheimzinnigeinnerlijke drijvende kracht natuurwetenschappelijk nooit aangetoond, en ook nietaantoonbaar. Deze opvattingen komen echter - theologisch bezien - in strijd met de Heilige Schriften met het dogma van de erfzonde.

35. Bij het deïstisch model heeft God het eerste levenveroorzaakt (vitalisatie), en vervolgens - zo meent de filosoof-theoloog - heeft dit leven zichdoor zg. natuurlijke processen (die echter in de natuurwetenschappen niet aantoonbaar zijn)ontwikkeld tot datgene, wat men heden om zich heen ziet. Er is echter geen specifiek doelbij deze ontwikkeling (wat in strijd is met de waarnemingen). Dit model omzeilt in feite alléén het probleem van de stap van dode stof naar het eerste leven.

De 'God', die de basisvoorwaarden schept en de boel verder maar laat aanmodderen, is zeker niet de christelijke God. De meeste deïstische evolutionisten aanvaarden dus wel deonmiddellijke schepping van de materie in het begin door God, waaruit alles dan verder zouzijn voortgekomen, weer door die beroemde, niet aantoonbare, innerlijke drijvende kracht.Natuurwetenschappelijk is dit laatste onzin. Deze opvatting komt echter - theologisch bezien - instrijd met de Heilige Schrift en met het dogma van de erfzonde.

36. De meeste theïstische evolutionisten aanvaarden wel deonmiddellijke schepping van de materie in het begin door God, waaruit alles zou zijnvoortgekomen. Volgens theïstische evolutie heeft God niet alléén hetlevensproces opgestart (vitalisatie), maar leidde Hij het stap voor stap verder door alleperiodes van de evolutie. Het leven, dat men vandaag om zich heen ziet, is dan het resultaat vandit gerichte, doelmatige, goddelijk gestuurde, miljoenen jaren durende, evolutieproces.

37. Dit model lijkt de opvattingen over evolutie en van de theologie te verzoenen, heterkent tenminste de doelgerichtheid, maar blijkt - bij nadere beschouwing - de nadelen van beide inzich te verenigen. Theïstische evolutie neemt het bestaan en de werking (dat is een zekerewerking) van God aan. Wat bewezen is biologisch onmogelijk te zijn - een nieuwe soort produceren invele stappen, de mens inbegrepen (hominisatie), doet God dan telkens eventjes. God maakt telkensmogelijk, wat biogenetisch onmogelijk is. Deze opvatting is strijdig met denatuurwetenschappen, omdat er van de vele tussenvormen, die wezenlijk behoren bij dit evolutieveproces, nimmer enige fossiele resten zijn gevonden. En, ook deze opvatting komt -theologisch - in strijd met de Heilige Schrift en met het dogma van de erfzonde.

De doodsteek voor alle soorten evolutie

38. Door verschillende uitspraken van het gewone en het buitengewone leergezag - metname door het Concilie van Trente - is met onfeilbare zekerheid de leer over de erfzondevastgelegd. Het kwaad (de zonde), het lijden, en de dood ontstonden door de eerste zonde van Adam(de erfzonde), óók de dood van planten en dieren. In het verdwenen Aards Paradijsbestond de dood niet, niet voor mensen, niet voor planten, niet voor dieren. Dit betekent, dat elkeopvatting van evolutie, welke dan ook, dogmatisch onmogelijk is, omdat er geen enkel exemplaar, vanwelke soort dan ook, stierf vóór de zonde van Adam. Dit dogma is de doodsteek voorelke evolutie, óók voor theïstische evolutie.

39. Het is theologisch absoluut onmogelijk, dat Adam het eindpunt is van een reeksdiersoorten - hoe dan ook ontstaan - omdat het afsterven van individuën van die soorten, enhet uitsterven van soorten, dogmatisch onmogelijk zijn, omdat de dood nog niet bestondvóór de erfzonde werd gepleegd.

40. De consequentie van dit alles is, dat al het gepraat en al het geschrijf over de zg.pre-historie onzin is. De pre-historie, met zijn primitieve hominiden, en anderemensachtige voorlopers, en zijn zg. primitieve mensen, bestaat helemaal niet. Immers alle menselijke geschiedenis vangt aan met onze stamvader Adam en onze stammoeder Eva.Daarvóór bestonden er geen mensen, bestonden er geen mensachtigen, bestond de doodniet, dus was er geen sprake van enige geschiedenis te noteren. Alle zg. mensachtigen en zg.voorlopers van de mens, dateren allemaal van (ver) nà Adam. Met name van de Neanderthaler, die gewoonlijk als een soort voorloper van de mens wordt gezien, is recentbekend geraakt, dat deze een afstammeling is van de homo sápiens (de huidige mens metverstand en wijsheid).

Publieke en de privé openbaring

41. Men bedenke nog, dat er een duidelijke publieke (algemene) Openbaring bestaat over deNieuwe Hemel en de Nieuwe Aarde, alwaar de dood niet meer zal zijn, en lijden en ziekte niet meerzullen bestaan, omdat de (persoonlijke) zonde er niet meer zal zijn. Dus: de dood, die wij nukennen op deze, onze huidige, aarde, zal niet meer zijn op de Nieuwe Aarde, waar mensen zullenwonen en leven, wellicht ongeveer zoals wij nu leven. Die Nieuwe Aarde is in feite niets anders danhet door God Herstelde Aards Paradijs. De mededelingen over het ontbreken van de dood op de NieuweAarde bevestigen daarom indirect het niet voorkomen van de dood in het Aards Paradijs (dat isvóór de zondeval).

42. In talloze hedendaagse profetieën (hemelse boodschappen), behorend tot debestendige katholieke profetische traditie, kan men interessante details lezen over het komendeleven op de Nieuwe Aarde. Overigens zal het scheppen van de Nieuwe Aarde niet erg lang meer op zichlaten wachten, geen decennia meer. Velen van de heden levenden zullen het nog mee kunnen maken.

43. Van groot belang zijn ook de profetische mededelingen over de ouderdom van deaarde en de gebeurtenissen in de tijd na de verjaging van Adam en Eva uit het Aards Paradijs vanbijvoorbeeld de bekende mýsticæ Anna Katarina Emmerick en Leonieke Van DenDyck, om slechts die twee te noemen. Al deze profetische mededelingen bevestigen de gang van zakenzoals beschreven in het boek Génesis (Schepping) van de Heilige Schrift, te weten, de aarde,zoals wij die kennen, is ca. 6000 jaar oud, en de zg. pre-historische voorlopers van de mens, zoalsde Neanderthalers, zijn allemaal afstammelingen van de kindskinderen van Adam en Eva. Allenatuurwetenschappelijke gegevens over de controverse Evolutie of Creatie ?, zoals hierbovenbeschreven, worden door de hemelse boodschappen ondubbelzinnig bevestigd.

44. Het is niet doenlijk in het bestek van dit artikel dieper op deze zaken in te gaan.Men gelieve de relevante (betreffende) hoofdstukken van onze uitgave BR314 Evolutie: Zin enOnzin ! te raadplegen, met name de theologische gedeelten daaruit. Oók voor denatuurwetenschappelijke argumentatie kan men natuurlijk het boek met vrucht raadplegen.

Een wrang gegeven

45. Het is een wrang gegeven van de huidige toestand, dat het vooral de filosofen en detheologen zijn, die (valselijk) menen, dat door de natuurwetenschappen is bevestigd, dat evolutiebestaat, en die daarom pogen de katholieke geloofsleer te verzoenen met de evolutiegedachte. Zij,de theologen en filosofen, weten niet, dat er helemaal geen noodzaak is om degeloofsgedachten te herzien op grond van betrouwbare en definitieve natuurwetenschappelijkegegevens pro evolutie. Want, die zijn er gewoon niet.

46. In feite is de situatie zo, dat elke creationist gerust op beide oren kan gaanslapen, want de natuurwetenschappen hebben al lang onweerlegbaar zeker aangetoond, dat evolutieonmogelijk is, dat is: niet bestaat. En dus, blijft het creationisme vanzelf over als de enigeredelijke en aanvaardbare verklaring van de wereld om ons heen. Waarmede niet gezegd wil zijn, datheden van creatie alles al volledig wetenschappelijk zou zijn verklaard. Want dat is niet zo. Er isnog veel wetenschappelijk onderzoek nodig om werkelijk alles bevredigend te verklaren. Men denkebijvoorbeeld aan de wetenschappelijke verklaring van het voorkomen van reuzenmensen, beschreven inGénesis, of aan de oorzaak en het verloop van de Zondvloed (die beide werden bevestigd inprofetieën).

47. Helaas weten de hedendaagse theologen en filosofen gewoonlijk te weinig van denatuurwetenschappen om in te zien, dat er in het geheel geen noodzaak is, om de bestendige envertrouwde godsdienstige inzichten aan te passen aan die van de natuurwetenschappen. Het blijktgewoon, dat de oude filosofisch-theologische inzichten het nog heel goed kunnen doen, en beslistniet behoeven te worden veranderd. Natuurlijk zijn er filosofen en theologen die anderetheologische wegen willen bewandelen dan de traditionele katholieke weg. Dat is hun vrije keus,maar laten zij nimmer zeggen, dat zij dit doen, gedwongen als het ware door de nieuwste inzichtenvan de natuurwetenschappen, want dat zou een leugen inhouden.