Uit Profetische Stemmen nummer 58 van october 2001
1. "Voor minister van staat Mark Eyskens is de mens geen gevallen engel,maar een overeind gekropen aap, die graag naar de hemel kijkt", zo begint de interviewer zijnverslag van het vraaggesprek met Mark Eyskens over "Geloven in tijden vangodsverduistering", opgenomen onder de rubriek Spiritualiteit in Tertio nr 70,2e jaargang, van 13 juni 2001, bladzijde 13 en 14.
2. Eerst enige citaten van Mark Eyskens, om de kern van de zaak tebenaderen.
« De mens bestaat waarschijnlijk al zo’n drie tot vier miljoen jaar. Toen hij in datverre verleden ... overeind begon te kruipen, voltrok zich een aantal fysiologische processen. Hetzwaartepunt in de mensaap veranderde. Hij werd een tweevoetige aapmens. Zijn herseninhoud begon toete nemen. Hij ging leven tussen hemel en aarde, en keek naar de hemel »
« Darwin leerde, dat de mens een evoluerend wezen is, gedetermineed dooromgevingsfactoren. Dat is de wet van de selectie. Maar vandaag zet de mens zijn omgeving naar zijnhand, en biogenetisch is hij zelfs bezig zichzelf te bepalen. ... De mens is zijn eigen baas, heeftniemand meer nodig. Ook God niet, Hij wordt zelf God. »
« Ik onderscheid drie grote gebeurtenissen op deze planeet. Ten eerste: de vitalisatie van de anorganische stof of het levend worden van de materie - de eerste cel,3½ miljard jaar geleden. Vervolgens de hominisatie van het dierlijk leven. Hetdier wordt mens - drie miljoen jaar geleden. En tenslotte: de mens kent een transcendentaleevolutie. Dat is de divinisatie van de mens. Naarmate de mens ‘goed’,rechtvaardig wordt, en de waarheid leert waarderen. Deze evolutie, denk ik, is maar mogelijk met dehulp van wie of wat wij God noemen. »
« Wel, als de kerk nu eens zou zeggen: ‘De evolutiegedachte is eenprachtige gedachte, maar wij gaan nog een stuk verder dan Darwin. Darwin gaat van devitalisatie naar de hominisatie. Wij voegen er een derde bedrijf aan toe: de divinisatie.’... Ik zou het credo dus enigszins anders formuleren. »
3. Mark Eyskens doet nog al wat krachtige uitspraken over de oorsprong, over deoorsprong van het leven op aarde, de oorsprong van de planten, de dieren, en de mens,óók over de oorsprong van de geestelijke vermogens van de mens, zoals zijnreligiositeit. Hij verbindt daaraan de drie ‘prachtige’ begrippen van vitalisatie,hominisatie, en divinisatie. Wat die inhouden, blijft echter wat in het vage. Maar hij spreekt (inhet vraaggesprek) niet over de oorsprong van de dode stof (waar komt die vandaan; die moester eerst zijn voor vitalisatie kon optreden). Hij spreekt niet over de oorsprong en devorming van de kosmos, de hemellichamen (waarom is juist de aarde onze woonplaats ?). Hij spreektniet over tijd en eeuwigheid (is er een begin in de tijd, is het heelal eeuwig of tijdelijk?).
4. Hij spreekt wel over de wet van zg. natuurlijke selectie, het eerst geformuleerd doorDarwin (die geen universele, maar slechts een beperkte wet is, omdat Darwin’sbiologische kennis veel geringer was dan die van ons nu, waarover verderop meer), maar hij spreektniet over de klaarblijkelijke doelgerichtheid in de natuur (de basis daarvan ziet men vooralin de complexe structuur van het DNA van de celkern van de zygote, die het gehele nieuwe individubepaalt). Hij suggereert wel, dat tijdens het evolutieve proces de mens evolueerde tot eengodsdienstig wezen, maar hij zegt niet waarom dit zo nodig was (waarom zou de zichzelfstandig evoluerende mens zich een God hebben gedacht ?). Hij spreekt over de geestelijkevermogens van de mens, maar zegt niets over de klaarblijkelijke verschillen in geestelijkevermogens tussen mensen en hogere zoogdieren (waarom kan een mensaap geen fuga van Bachspelen ?). Hij spreekt over voortgaande evolutieve ontwikkeling gedurende miljoenen jaren,maar vermeldt niet, dat wij heden met al onze wetenschappelijke apparatuur een dergelijkeontwikkeling niet kunnen constateren (waarom zijn niet alle hogere apen tot mensengeëvolueerd, maar als onderscheiden soort blijven bestaan ?). Deze vragen - en vele andere -vereisen te worden beantwoord.
5. Er zijn heden in de wetenschappen twee modellen in zwang om de oorsprong en devorming van de aarde, de levende wezens, en de mens te verklaren. Het oudste model is het creatiemodel. Het creatiemodel gaat uit van de oorsprong der dingen, ongeveer zoals beschrevenin de Bijbel, vooral in het boek Schepping. Het aanvaardt een plotseling verschijnen van de levendewezens, ongeveer tegelijkertijd, ieder uniek in zijn soort, op een jonge aarde, niet ouder dan ca.6.000 jaar. Het aanvaardt het scheppend Meesterbrein van de almachtige God, die geheel los van deaarde bestaat, en verantwoordelijk is voor de doelgerichtheid. Het aanvaardt het catastrofemodel, wat wil zeggen, dat door enorme natuurlijke calamiteiten van kosmische enaardse oorsprong de oppervlakte van de aarde flink dooreen is geworpen (o.a. door dezondvloed).
6. Het jongste model is het evolutiemodel. Dit model (dat pas bestaat vanaf ca.1850) gaat uit van het uniformiteitsbeginsel, dat een ongestoorde onrwikkeling verondersteltgedurende miljoenen en miljarden jaren, van dode stof middels planten en dieren tot de mens. Geenkosmische of andere grote rampen, hoogstens plaatselijke omwoelingen van de aardkorst. In hetoorspronkelijke model hing alles van het toeval af, van zg. natuurlijke processen, van natuurlijkeselectie, zonder doelgerichtheid. Later, toen de bezwaren tegen deze uitsluitend op het toevalberustende evolutie te groot werden, schreef men de evolutie toe aan de zg. ‘zelforganisatie van de materie’ door een ‘innerlijke drijvendekracht’, die de evolutie gedurende die miljoenen jaren op ‘natuurlijke’ wijzein de ons bekende richting heeft gestuurd. Sommige filosofen en theologen proberen zuivere evolutiete verenigen met het geloof in een soort Godheid, waarover verderop meer.
7. Mark Eyskens hangt duidelijk het evolutiemodel aan, zoals debovengegeven citaten laten zien. Men spreekt ook over darwinisme, neo-darwinisme, evolutietheorie,zelfs over evolutieleer (hetgeen vals is, want een leer is bewezen zeker te zijn, en evolutie isdat geenszins). De creationisten proberen (natuur)wetenschappelijke bewijzen te vinden voorde juistheid van het creatiemodel, de evolutionisten doen dit zelfde voor het evolutiemodel.Gewoonlijk is het zó, dat een bewijs vóór het één tegelijkertijdeen bewijs is tégen het andere model. Het evolutiemodel kent een aantal ondersoorten,deelopvattingen, een aantal variaties, afhankelijk van de opvatting over het al of niet bestaan vandoelgerichtheid in de natuur en de oorzaak daarvan.
8. Hoe nu op verantwoorde wijze bepalen, welk model de werkelijkheid het beste beschrijft? Want, dàt is het doel van een model: Een ware representatie te zijnvan de werkelijkheid, ongeveer zoals een maquette van een gebouw een beeld van de werkelijkheid vanhet gebouw geeft, maar met beperkingen, eigen aan het model. Een maquette geeft bijvoorbeelddeurkrukken niet weer. In de natuur- en ingenieurswetenschappen werkt men zeer veel met modellen,vaak in de vorm van een formule of vergelijking. Men stelt voor een bepaald probleem, bijvoorbeeld het bepalen van de dikte van de kabels van een lift in een hoog gebouw, een modelop. Gewoonlijk is dat een fysisch model, weergegeven in een wiskundige formule. Dat model wordt dangetoetst, men beproeft het in het labo, of anderszins. Op grond van die experimenten, op grond vanwaarnemingen, wordt dan het model verfijnd. Als het model betrouwbaar genoeg wordt geacht, past menhet toe om de werkelijkheid te structureren: Men berekent de liftkabels en bouwt de lift. Blijktechter in de praktijk, dat de liftkabels bij belasting breken, dan is het model fout, en zal moetenworden verbeterd, of zelfs moeten worden verlaten voor een ander model. Daarover is in de natuur-en ingenieurswetenschappen nimmer discussie, want het experiment en de waarnemingen bewijzen dejuistheid van het model. In de (technische) wetenschappen bestaat zelfs de grondregel, dat, al zijner honderd bewijzen vóór een bepaald model, één tegenbewijsvoldoende is om het model als onbetrouwbaar te qualificeren.
9. De moeilijkheid met het creatiemodel en het evolutiemodel is nu, dat deze beideover de oorsprong handelen. Niemand was er bij, geen aards oog heeft het gezien, deoorsprong kan door ons niet experimenteel worden geschouwd, niet worden herhaald, alleen de langetijden al beletten dit. Experimenten op aarde kunnen hoogstens enige tientallen jaren duren. Delange tijden bij evolutie of creatie beletten welke experimentele verificatie dan ook. Evenminbestaat er betrouwbare, vastgelegde informatie over de oorsprong, die als een waar verslag van degebeurtenissen in het verleden kan worden beschouwd. Ongeveer, zoals wij het schriftelijk verslagvan experimenten met het fokken van diersoorten, geschreven 400 jaar geleden, kunnen beschouwen alsvastgelegde, betrouwbare informatie. Veel meer dan oude volksverhalen over de oorsprong dervolkeren (waarvan de Bijbel er een is) hebben wij niet. En hoe betrouwbaar zijn die alswetenschappelijk verslag ? Velen willen de gevonden artefacten en paleontologische vondsten,fossielen, en dergelijke, als betrouwbare vastgelegde waarnemingsgegevens beschouwen, en tot opzekere hoogte zijn zij dat ook. Maar er is altijd discussie onder de wetenschappers over deouderdom en het ontstaan van die voorwerpen en fossielen. Veel ware zekerheid verschaffen zij danook niet.
10. Samenvattend: De juistheid van welk - wetenschappelijk verantwoord - model van deoorsprong der dingen dan ook, is principiëel onbewijsbaar ! Wil dat dan zeggen,dat wij maar altijd in onwetendheid over onze oorsprong moeten blijven verkeren ? Geenszins !Dikwijls beschouwt men het evolutiemodel en het creatiemodel als behorend in hoofdzaak tot denatuurwetenschappen, maar dit is niet juist. In feite zijn beide modellen een gestructureerdcomplex van deelmodellen uit meerdere vakgebieden. Men dient onderscheid te maken tussenbenaderingen uit de volgende wetenschappen: natuur- en ingenieurswetenschappen (thermodynamica,cosmologie, geofysica, kernfysica, radiologie, fysische chemie, biologie, vooral erfelijkheidsleer,microbiologie en biogenetica, wiskundige statistiek, waterbouwkunde, anatomie en fysiologie vanmens en dier, ecologie), oudheidkunde, psychologie, demografie, linguistiek, filosofie, theologie(exegese, dogmatiek, mystiek).
11. Om door de bomen het bos te blijven zien, moet men bewust de beschouwingen enonderzoekingen, en de resultaten daarvan, beperken tot het beschouwde vakgebied, èner voor waken geen resultaten over te brengen naar een ander vakgebied, alwaar die - in hetalgemeen - niet geldig zijn. Men dient bovendien voortdurend te bedenken, datéén tegenbewijs voldoende is om een deelmodel (welk dan ook) als ongeldig tebeschouwen. En men moet die vaststellingen voor zo veel mogelijk wetenschapsgebieden doen, om toteen verantwoorde uitspraak over het gehele model te kunnen komen.
12. Het is natuurlijk onmogelijk, om de bovenstaande uitspraken van Mark Eyskens te beschouwen in het licht van àl de genoemde vakgebieden. Dat zou een geheelboek vereisen. [Dat boek bestaat overigens. Zie de internetsite:
http://users.skynet.be/courlisius/index.html
onder boeken, algemene theologie, boek BR314 Evolutie: Zin en Onzin !].
In het onderhavige artikel wordt een zelfbeperking toegepast tot drie vakgebieden, te weten: A. de natuurwetenschappen (voornamenlijk de biologie), B.de filosofie, en: C. de theologie (dat is de Rooms-Katholieke theologie). Die keuze hangtsamen met de interessesfeer van Mark Eyskens (hierna te noemen ME) zoals die blijktuit het interview.
13. Uit het vraaggesprek blijkt duidelijk, dat ME als politicus/theoloog/filosoof weinigof niets, herhaal: vrijwel niets, afweet van de hedendaagse stand van de natuurwetenschappen, vooral niet van de biogenetica en de fysica. In filosofisch opzicht veroorlooft hij zich vrijheden van denken, die gemeenlijk niet wordenaanvaard onder filosofen. Bovendien neemt hij in theologisch opzicht een loopje met debestendige katholieke geloofsleer, vooral met de dogmatiek van de erfzonde en de Schepping. Hetis tegenwoordig niet omdat er dr., of kardinaal, of bisschop, of minister van staat, of wat ook,voor de naam staat, dat het geschrevene de waarheid over de natuur bevat.
14. De overgrote meerderheid van de tegenwoordige wat oudere priesters,pol-soc’ers, filosofen en theologen heeft in hun opleidingstijd vrijwel nietsgeleerd van de natuurwetenschappen. En dat wreekt zich heden. Voor de tweede wereldoorlog werdbijvoorbeeld in Nederlandse seminaries al het Teilhardisme gedoceerd. Het hedendaagsevolutiegeloof heeft oude wortels. Want het zijn juist de filosofen en theologen, die datevolutiegeloof heden nog steeds verdedigen, wat geen enkele natuurwetenschapper vandaag-de-dag nog zal doen (gezien vanuit het eigen vakgebied), omdat men heel goed weet, dat, natuurwetenschappelijk gezien, evolutie onzin is. (Dit wordtverderop geadstrueerd). Zij, de filosofen en theologen, proberen ook nog steeds de katholiekedogmatiek te verzoenen met het Teilhardisch denken, wat natuurlijk niet gaat. Ook ME lijkt dat tedoen. Maar, men bedenke, dat Teilhard en zijn theorieën veroordeeld zijn door dekatholieke Kerk als zijnde ketters, en die veroordeling geldt nog altijd.
15. ME lijkt een veel te positieve mening te hebben over Darwin. Lees echter recente biografieën van Darwin om de waarheid te leren kennen. Darwinwas helemaal geen geniale natuuronderzoeker, maar een charlatan. Hij bracht weinig gefundeerdekennis, en veel verzinsels, voort. Zijn opleiding zit vol manco’s, hij heeft meerdereopleidingen niet afgemaakt, hij was helemaal geen bioloog, maar een mislukte arts-student, tevensmislukt theoloog. Het kon slechts iemand met de halve kennis van Darwin zijn, die de betreffendebiologische verzinsels als algemeen geldende waarheid naar voren bracht.
16. Darwin kende niet het verschil tussen enerzijds mutaties binnen de biologische soort(die bestaan), en anderzijds mutaties van soort tot andere soort - die laatste bestaan nl. niet ! Heden zeggen wij: Darwin kende niet het verschil tussen micro-evolutie (die bestaat en is bewezen), en macro-evolutie, die bestaat niet ! Watmutaties betreft: Die bestaan, maar dat betekent niet, dat er betere individuën, ofhogere wezens, uit voortkomen. Integendeel alle ons bekende mutaties leiden altijd totdegeneratie, tot achteruitgang van de individuën van de soort, niet tot een betere ofeen andere soort. Een mutatie, die tot een beter individu leidt, met betere eigenschappen, is nognooit aangetoond. Evenmin is het bestaan aangetoond van mutaties, die leiden tot eennieuwe soort met andere erfelijke eigenschappen. Evolutie, te verstaan als het vanzelfontwikkelen van een hogere diersoort uit een lagere soort, bestaat niet: Evolútio nonexístit !, Evolutie bestaat niet !
17. ME beweert, dat het leven is ontstaan door het evolutieproces uit de dode stof. Ditis zowel natuurwetenschappelijk, als filosofisch en theologisch onzin. Filosofisch ishet onzin, want: Nemo dat, quod non habet ! Niemand geeft, wat hij niet heeft. Uit een legetheepot kan men geen thee schenken. Iets wat het leven niet bezit, kan het niet voortbrengen. Levenkan niet vanzelf ontstaan, filosofisch niet, en natuurwetenschappelijk niet. Leven komtslechts voort uit leven. Dit is in de biologie definitief bewezen, al door de grotegeleerde Pasteur. Theologisch is het beweerde een ketterij, want ‘God schiep delevende wezens...’ ex níhilo, uit het niets, zo staat het er, in de Bijbel. Endit is een de fide geloofsuitspraak, dat is een absoluut juiste, en onweerlegbaar juiste,geloofsregel !
18. Om evolutie aannemenlijk te blijven vinden, plausibel te maken, moet men wel eenduister begrip gebruiken als ‘de zelforganisatie van de materie’. ME doet dit(impliciet) ook. Alles ontstaat vanzelf door deze zelforganisatie van de materie in steeds hogereen complexere vormen. Dit is in feite de visie van Teilhard, de taal van een man, dieverliefd is op een groot idee, ja, op een GROOT IDEE. Men spreekt ook over een innerlijke,drijvende kracht, aanwezig in de dode en de levende stof, die de evolutie tot gevolg heeft.
19. Maar het bestaan van deze innerlijke drijvende kracht, deze zelforganisatie, isnatuurwetenschappelijk nooit aangetoond, en dus is het voor de bioloog en de fysicus geen aanvaardbare verklaring. Voor de katholieke theoloog, die zijn vak ernstig neemt,is het al helemaal niet aanvaardbaar, want nu wordt de Scheppende Vader-God vervangen dooreen duistere zg. natuurkracht, die voor de natuurwetenschappers echter helemaal nietbestaat, dus geen natuurkracht is !
20. In de filosofie bestaat welhaast totale vrijheid van denken, dus kan men daar wel uitde voeten met een postulaat (lees: algeheel verzinsel] als de zelforganisatie. In feite is het eengeloof. Een geloof in de zelforganisatie, of in een innerlijke drijvende kracht, die nudoet, wat anderen aan God toeschrijven. Maar, omdat dit geloof in strijd is met denatuurwetenschap, is het geloof in evolutie een mythe geworden, omdat natuurwetenschappelijkis aangetoond, dat evolutie niet bestaat ! De Creator-Vader-God is eveneens onderhevig aangeloof, maar omdat creatie niet in strijd is met de natuurwetenschappen, is het creationismegeen mythe !
21. De belangrijkste natuurwetenschappelijke argumenten volgen hierna in het kort.Klaarblijkelijk zijn de meeste filosofen en theologen niet op de hoogte van de volgendenatuurwetenschappelijk vaststaande gegevens:
22. Interessant is het om te weten, dat Darwin regelmatig ‘s-nachts badendin het angstzweet wakker werd als hij dacht aan de onverenigbaarheid van zijn simplistischeevolutie-gedachten met de complexheid van het menselijk oog. Inderdaad zijn de onvoorstelbareingewikkeldheid van organen als het oog en de lever, en de fysiologische processen in het menselijklichaam, en vooral het immuniteitssysteem, volkomen onverenigbaar met een primitieve gedachte alsdie van de evolutionisten, met hun toeval en selectie, om niet te spreken van de zg.zelforganisatie, waar een natuurwetenschapper niets mee kan doen, omdat die voor hem niet bestaat,want niet aantoonbaar is.
23. Het is onmogelijk al de boven bedoelde voorbeelden hier uitgebreid aan te halen. Maarde nek van de giraffe is heel eenvoudig uit te leggen. Elke mens weet, dat als hij, gebuktstaande, zijn schoenveters vast maakt, en daarna omhoog komt, hij ‘licht in het hoofd’kan worden. Lange mensen hebben daar meer last van dan korte mensen. Welnu, de giraffe graast op degrond, zowel als hoog in de bomen. Als het dier, bij het grazen, in een ruk zijn kop van de grondnaar boven beweegt, kan het hoogteverschil gemakkelijk 5 meter bedragen. Zonder specialevoorzieningen zou de bloeddruk in de kop van de giraffe zo ver dalen, dat het dier bewusteloos zouraken. Dat gebeurt echter niet, omdat een ingenieus stelsel van kleppen de bloeddruk in de kopconstant houdt.
24. Welnu, als de giraffe het gevolg zou zijn van toevallige mutaties van een voorgaandesoort door omgevingsinvloeden, hoe weet dan dat toeval, dat juist die kleppen boven in de hals inde bloedbanen moeten worden aangebracht? En, als men in plaats van het toeval de‘zelforganisatie van de materie’ aanneemt, wat is dan die zelforganisatie precies? Hoe weet die zelforganisatie, tijdens het evolutieve proces, dat juist die kleppen moeten wordenaangebracht ? Waar zetelt die zelforganisatie ? De bioloog vindt díe zetel niet ! Isdat, filosofisch gezien, iets anders, dan een vergoddelijking van de materie ? Vragen, vragen,waarop het evolutiemodel geen bevredigend antwoord weet.
25. En, men vergete vooral niet, dat alle noodzakelijke genetische veranderingen moetengeschieden in de voortplantingscellen, anders ontstaat er geen nieuwe stabiele soort. Menbedenke verder nog, dat bij de stabiele soorten een soort ‘zelforganisatie’ bestaat, want het DNA in de cellen ‘weet’, nasamensmelting van de voortplantingscellen tot een nieuw individu, en zodra de vrucht gaat groeiendoordat de cellen zich steeds verder delen, hóe dit individu moet worden opgebouwd. Sommigecellen worden tot het beenderstelsel, andere tot organen, weer andere tot spieren. Het gansepatroon is al vastgelegd in de cellen van de jonge vrucht. Déze vorm van‘zelforganisatie’ bestaat, en is biologisch bekend, maar dat is iets heelanders, dan een overgang produceren naar een andere stabiele soort, met andere erfelijkeeigenschappen, want zulk een zelforganisatie bestaat biologisch niet !
26. Sommigen gebruiken in hun argumentatie voor evolutie nog het gezagsargument,maar dan wel vertekend. Men haalt dan een recente uitspraak van Paus Jan-Paul II aan: "Tegenwoordiggeven nieuwe ontdekkingen er aanleiding toe in de evolutietheorie meer te zien dan een hypothese."De Paus is kennelijk verkeerd voorgelicht, en hij behoort kennelijk tot de groep theologen, die(te) weinig afweten van de natuurwetenschappen, om in te zien, dat er natuurwetenschappelijk juist geen aanleiding is in het evolutiemodel meer te zien dan een hypothese. Dezeuitspraak van de Paus is overigens - theologisch gezien - geen onfeilbare uitspraak excáthedra. Ze is ook geen te aanvaarden uitspraak van het gewone magistérium, want ze blijkt in tegenstelling te zijn met de ouderebestendige leer van het gewone en buitengewone leergezag, en moet daarom dus worden genegeerd.
27. Want, er is een duidelijke tegenspraak met de onfeilbare leer van het Concilievan Trente, èn met de leringen van de Pauselijke Bijbelcommissievan vóór 1950, welke destijds (nog) deelde in de onfeilbaarheid van het gewoneleergzag. Bovendien is er de eeuwenoude sensus fídei, het algemenegeloofsaanvoelen, èn er is de bestendige verkondiging, gedurende al die 19eeuwen vóór zeg ca. 1900, toen er in kerkelijke documenten nooit en te nimmer sprakewas van evolutie (of een vergelijkbaar begrip), en men altijd de historiciteit van de Scheppingheeft aangenomen en geleerd. Daarom behoort dit tot de onfeilbaarheid van het gewone leergezag.
28. ME lijkt dan op het einde van het vraaggesprek nog zg. theïstische evolutie te verdedigen met de woorden: "Deze evolutie is maar mogelijk met behulp van wie ofwat wij God noemen." Wederom: Natuurwetenschappelijk is dit fout, is dit vals, want nietbestaande, want niet aantoonbaar. Theologisch is het een pogen van twee walletjes teeten, door schepping en evolutie te verenigen in één visie. Meestal is het zo, dat,als men poogt twee visies met elkaar te verzoenen, omdat men de voordelen van beide wil genieten,men in feite blijft zitten met de nadelen van beide. Zo ook hier.
29. Sommige geleerden, die in evolutie geloven, maar die het bestaan van een Schepper-Godniet (helemaal) willen opgeven, hebben mengvormen bedacht tussen zuivere evolutie encreatie. Er zijn verschillende filosofisch-theologische opvattingen. Let op: Dit zijnfilosofisch-theologische opvattingen, geen natuurwetenschappelijke. Men onderscheidt hedenalgemeen:
30. Volgens atheïstische evolutie bestaat er geen God, dus is Die nietbetrokken bij het ontstaan en het ontwikkelen van het leven. Alle leven ontstond naturalistisch (door natuurlijke processen) en mechanistisch (vanzelf, door toeval,zonder ingreep van buitenaf) en zonder enig doel.
Bij de meer pantheïstische gedachte evolutie wordt het toeval vervangen door devergoddelijking van de materie door de invoering van een geheimzinnige, innerlijke, drijvendekracht. Dit laatste is ook het model van Teilhard de Chardin.
31. Men moest deze geheimzinnige innerlijke drijvende kracht wel als een postulaat(een aanname vooraf) invoeren, omdat de zuivere atheïstische en deïstische evolutie opwetenschappelijke gronden - vooral uit de biologie - onmogelijk is. Overigens is diegeheimzinnige innerlijke drijvende kracht natuurwetenschappelijk nooit aangetoond, en ookniet aantoonbaar. Deze opvattingen komen echter - theologisch bezien - in strijd met deHeilige Schrift en met het dogma van de erfzonde.
32. Bij het deïstisch model heeft God het eerste levenveroorzaakt, en vervolgens - zo meent de deïstische filosoof-theoloog - heeft dit leven zichdoor zg. natuurlijke processen (die echter in de natuurwetenschappen niet aantoonbaar zijn)ontwikkeld tot datgene, wat men heden om zich heen ziet. Er is echter geen specifiek doelbij deze ontwikkeling. Dit model omzeilt in feite alléén het probleem van destap van dode stof naar het eerste leven. De 'God', die de basisvoorwaarden schept en de boelverder laat aanmodderen, is zeker niet de christelijke God. De meeste deïstischeevolutionisten aanvaarden wel de onmiddellijke schepping van de materie in het begin doorGod, waaruit alles zou zijn voortgekomen. Deze opvatting komt echter - theologisch bezien - instrijd met de Heilige Schrift en met het dogma van de erfzonde.
33. Volgens theïstische evolutie heeft God niet alléén hetlevensproces opgestart, maar leidde Hij het stap voor stap verder door alle periodes van deevolutie. Het leven, dat men vandaag om zich heen ziet, is dan het resultaat van dit gerichte,doelmatige, goddelijk gestuurde, miljoenen jaren durende, evolutieproces. De meestetheïstische evolutionisten aanvaarden wel de onmiddellijke schepping van de materie inhet begin door God, waaruit alles zou zijn voortgekomen. Theïstische evolutie neemt hetbestaan en de werking (dat is een zekere werking) van God aan. Wat bewezen is biologisch onmogelijkte zijn - een nieuwe soort produceren in vele stappen - doet God dan telkens eventjes. God maakttelkens mogelijk, wat biogenetisch onmogelijk is. Deze opvatting is vooral strijdig met denatuurwetenschappen, omdat er van de vele tussenvormen, vereist door evolutie, nimmer enigefossiele resten zijn gevonden. En, ook deze opvatting komt - theologisch - in strijd met de HeiligeSchrift en met het dogma van de erfzonde.
34. Door verschillende uitspraken van het gewone en het buitengewone leergezag - met namedoor het Concilie van Trente - is met onfeilbare zekerheid de leer over de erfzonde vastgelegd. Hetkwaad (de zonde), het lijden, en de dood ontstonden door de eerste zonde van Adam (de erfzonde),óók de dood van planten en dieren. In het verdwenen Aards Paradijs bestond de doodniet, niet voor mensen, niet voor planten, niet voor dieren. Sint Paulus leert nadrukkelijk, dat dedood ontstond door de eerste zonde van Adam. Dit betekent, dat elke opvatting van evolutie, welkedan ook, dogmatisch onmogelijk is, omdat er geen enkel exemplaar, van welke soort dan ook, stierfvóór de zonde van Adam. Dit dogma is de doodsteek voor elke evolutie,óók voor theïstische evolutie.
35. Het is theologisch absoluut onmogelijk, dat Adam het eindpunt is van een reeksdiersoorten - hoe dan ook ontstaan - omdat het afsterven van individuën van die soorten en hetuitsterven van soorten, dogmatisch onmogelijk zijn, omdat de dood nog niet bestondvóór de erfzonde werd gepleegd.
36. Men bedenke nog, dat er een duidelijke Openbaring bestaat over de Nieuwe Hemel en deNieuwe Aarde, alwaar de dood niet meer zal zijn, en lijden en ziekte niet meer zullen bestaan,omdat de (persoonlijke) zonde er niet meer zal zijn. Dus: de dood, die wij nu kennen op deze, onzehuidige, aarde, zal niet meer zijn op de Nieuwe Aarde, waar mensen zullen wonen en leven ongeveerzoals wij nu leven, maar met een andere technologie, nl. een technologie niet schadelijk voor onsdanmalige milieu. Die Nieuwe Aarde is in feite niets anders dan het Herstelde Aards Paradijs. Demededelingen over het ontbreken van de dood op de Nieuwe Aarde bevestigen indirect het nietvoorkomen van de dood in het Aards Paradijs (vóór de zondeval). In tallozehedendaagse profetieën, behorend tot de bestendige katholieke profetische traditie, kan meninteressante details lezen over het leven op de Nieuwe Aarde. Overigens zal het scheppen van deNieuwe Aarde niet erg lang meer op zich laten wachten, geen decennia meer. Velen van de hedenlevenden zullen het nog meemaken.
37. Het is niet doenlijk in het bestek van dit artikel dieper op deze zaken van dedogmatiek en de mystiek in te gaan. Men gelieve de relevante (betreffende) hoofdstukken van onsboek BR314 Evolutie: Zin en Onzin ! te raadplegen, met name de theologischegedeelten daaruit. Want er zijn ook talrijke steekhoudende exegetische argumentenvóór de juistheid van de traditionele uitleg van de Heilige Schrift. En er zijn demystieke argumenten, waaronder wordt verstaan, dat in talloze hedendaagse profetieën door dehemel is betoogd, dat evolutie niet bestaat, en dat de aarde en de levende wezens zijn geschapenca. 6000 jaar geleden. Dit boek bevat ook een uitgebreid systematisch overzicht van allenatuurwetenschappelijke argumenten, en van argumenten uit andere takken van wetenschap zoals deoudheidkunde, de demografie, de linguistiek, enz.
38. Het is een wrang gegeven van de huidige toestand, dat het vooral de filosofen en detheologen zijn, die menen, dat door de natuurwetenschappen is bevestigd, dat evolutie bestaat, endie daarom pogen de katholieke geloofsleer te verzoenen met de evolutiegedachte. Zij, die theologenen filosofen, weten klaarblijkelijk niet, dat er helemaal geen noodzaak is omde geloofsgedachten te herzien op grond van zg. natuurwetenschappelijke gegevens pro evolutie. Want, die laatste zijn er gewoon niet. In feite is de situatie zo, dat elke creationist gerustop beide oren kan gaan slapen, want de natuurwetenschappen hebben al lang onweerlegbaar zekeraangetoond, dat evolutie onmogelijk is, dat is: niet bestaat. En dus, blijft het creationismevanzelf over als de enige redelijke en aanvaardbare verklaring van de wereld om ons heen.
39. Helaas weten de hedendaagse filosofen en theologen gewoonlijk te weinig van denatuurwetenschappen om in te zien, dat er in het geheel geen noodzaak is, om de godsdienstigeinzichten aan te passen aan die van de natuurwetenschappen. Het blijkt gewoon, dat de oudeinzichten het nog heel goed kunnen doen, en beslist niet behoeven te worden veranderd. Natuurlijkzijn er filosofen en theologen die andere theologische wegen willen bewandelen dan de tradi-tionelekatholieke weg. Dat is hun vrije keus, maar laten zij nimmer zeggen, dat zij dit doen, gedwongenals het ware door de nieuwste inzichten van de natuurwetenschappen, want dat zou een leugeninhouden.
40. Op onze internetsite http://users.skynet.be/courlisius/index.html kan men doorkiezen naar de verkrijgbare boeken.Daar staan onder ‘algemene theologie’ de titels van meerdere boeken en brochures overevolutie vermeld. Men kan ook klikken op de verwijzing Evolutie vs Creatie alwaar men detitels van meerdere artikelen vindt.
41. Men zie vooral onze uitgave, het boek BR314 Evolutie: Zin enOnzin ! - ca. 160 pagina's A5 - voor een gedetailleerde uitleg van alle(natuur)wetenschappelijke argumenten tegen evolutie en vóór creatie. Dit boek isverkrijgbaar bij Ioánnes Courlísius, Domus Editória v.z.w. Besteladres:Maxburgdreef 41, B 2321 Hoogstraten-Meer. Gaarne vooraf betalen, in contanten, of per bank. Zie deinternetsite voor alle bestelgegevens. Af is de prijs afgehaald, Pp is de prijs per post francohuis.
BR314 - Ir. Ing. Jan A. A. van der Wulp
Evolutie: Zin en Onzin ! Aangevulde uitgave juli 1997
164 blz. A5 Prijs: Af: BF 420 / f 23,- - Pp: BF 490 / f28,-.
Het doel van dit werk is het verschaffen van duidelijkheid betreffende de zg. Big-Bangtheorie, het darwinisme, het neo-darwinisme, en de alles samenvattende evolutietheorie of het evolutiemodel.
De belangrijkste moeilijkheid bij het beoordelen van het evolutiemodel is, dat dezetheorie niet tot één duidelijk afgepaald gebied vanwetenschap behoort. Het neo-darwinisme en de evolutietheorie kennen natuurwetenschappelijkeelementen, maar evenzo wordt een beroep gedaan op de oudheidkunde, de psychologie, de demografie,de taalkunde, de anthropologie (volkenkunde), de wijsbegeerte, ja, op de theologie, vooral op deexegése (bijbeluitleg).
Voor het natuurwetenschappelijk beoordelen van het evolutiemodel zijn vooral van belang:de wiskunde (vooral de wiskundige statistiek), de natuurkunde (fysica), de scheikunde (chemie), debiologie (vooral de biogenetica en de microbiologie), sommige ingenieurswetenschappen (zoals dewaterbouwkunde), de geologie (aardkunde of delfstofkunde), de cosmologie (kennis van dewereldruimte), de paleontologie (fossielkunde of oudheidkunde van de fossielen).
Het evolutiemodel ondervindt concurrentie van het scheppingsmodel. Beide modellenbetreffen voornamelijk de oorsprong van de hemellichamen, planten, dieren en mensen. Het evolutionisme is de tegenhanger van het creationisme.
Creatie veronderstelt de Schepper-God en het creationisme zoekt een wetenschappelijkeonderbouwing van de schepping en poogt (natuur)-wetenschappelijk vast te stellen, dat debeschrijving van het ontstaan van wereld, aarde en levende wezens volgens de Bijbel, overeenkomtmet de fysieke werkelijkheid.
Om door de bomen het bos te blijven zien, is het nodig om de grootst mogelijk orde te betrachtenbij de beschouwingen. Daarmede is dan hèt kenmerk van dit werkje genoemd: Eenstrakke, ordelijke, streng wetenschappelijke, behandeling van evolutiemodel en creatiemodel,waarbij de inbreng van de aparte vakgebieden goed wordt afgebakend.
Dit werk is geschreven voor de geïnteresseerde niet-specialist. Maar opdat despecialisten in de aparte vakgebieden hun eigen vak zouden blijven herkennen, is niet geschuwd devaktaal van de betreffende vakgebieden te gebruiken.
EVOLUTIE: ZIN EN ONZIN !
Big-Bang, darwinisme, neo-darwinisme, evolutiemodel, evolutietheorie, creationisme encreatiemodel kritisch beschouwd
VOORWOORD
HYPOTHESEN, THEORIEËN EN MODELLEN
Begripsafbakening
Modelbouw en theorievorming
Verificatie en toetsing
Samenvatting
DE EVOLUTIETHEORIE EN HET CREATIEMODEL
Het evolutiemodel
Een wetenschappelijke theorie ?
Het creatiemodel
Creatie of evolutie ?
Een voorlopige conclusie
DE EVOLUTIETHEORIE NADER BESCHOUWD
Schepping en evolutie vergeleken
Het darwinisme
Het neo-darwinisme
Mengvormen tussen evolutie en creatie
NATUURWETENSCHAPPELIJKE BENADERING
De behoudswetten en de entropie
Vóóronderstellingen
Het ontstaan van de hemellichamen
Chaos of orde
Afstand en tijd
Te veel toevalligheden ?
Een oude of een jonge aarde ?
Insecten in barnsteen
De aarde, een open systeem: het ozon-dilemma
Radio-actieve datering
Het ontstaan van het leven
De oersoep
Het ontstaan van hogere planten en dieren
Selectie en mutatie
De nek van de giraffe
Erfelijkheidsleer en microbiologie
De wiskundige statistiek
Het ontstaan van de mens
Is theïstische evolutie mogelijk ?
Specialisatie en orgaanvorming
Het hart van de menselijke vrucht
Eén ouderpaar
De hoge leeftijden van de eerste mensen
Raskenmerken van menselijke rassen
Een experimentele bevestiging
Programmeren om te leven
Verdere statistische overwegingen
Ecologie en evolutie
OUDHEIDKUNDIGE BENADERING
Fossiele getuigen
Oudheidkundige vondsten
PSYCHOLOGISCHE BENADERING
Verschillen tussen mens en zoogdier
DEMOGRAFISCHE BENADERING
Het demografisch model
Eenvoudige demografische berekeningen
LINGUÏSTISCHE BENADERING
Van rijke naar armere talen
Drie hypotheses (veronderstellingen)
De spraak
WIJSGERIGE BENADERING
Gemeenzame trekken
Wat is evolutie wijsgerig ?
De Uitgebreide Tweede Hoofdwet
Niemand geeft wat hij niet heeft
Gevolgen van het evolutieve denken
THEOLOGISCH-EXEGETISCHE BENADERING
Welke præmisse is nodig ?
Welke filosofisch-theologische basis ?
Welke exegetische benadering past ?
Tekstanalyse van het boek Génesis
De eerste mensen volgens het boek Génesis
De ouderdom van de mens volgens de Schriften
THEOLOGISCH-DOGMATISCHE BENADERING
Leerstellige uitspraken
Gevolgen van de erfzonde
Graden van zekerheid
Geloofswaarheden over de menselijke ziel
Geloofswaarheden over de schepping
Geloofswaarheden over de erfzonde
Geloofswaarheden over het bestaan van God
THEÏSTISCHE EVOLUTIE
Diachrone of synchrone creatie
Is Adam uit een hominide of uit klei geschapen ?
Samenvatting theïstische evolutie
THEOLOGISCH-MYSTIEKE BENADERING
Een mystieke grondstelling
Anna-Katarina Emmerick
Maria Valtorta
Leonie Van Den Dijck