Het is juist, dat de handcommunie - correcter ware het te spreken van een zekere vorm van de handcommunie - in vroegere tijden enkele eeuwen in de Kerk in gebruik is geweest. Echter - hoewel er minder overtuigende schriftelijke en oudheidkundige bewijzen zijn, dan men zou wensen - toch is daaruit met voldoende zekerheid bekend, dat minstens de eerste 100 jaar de Communie altijd werd ontvangen geknield en op de tong. Nadien werd in de 2e en 3e eeuw langzamerhand, en eerst alleen plaatselijk, overgegaan op een bepaalde vorm van de handcommunie, die echter niet die van onze dagen is.
Voor een goed begrip dient men te weten, dat in de oudste tijden van de Kerk de Heilige Hosties uitsluitend werden bewaard om aan de zieken en stervenden te worden uitgereikt. De gelovigen communiceerden altijd - als zij te Communie gingen - tijdens de Heilige Mis met de tijdens die Mis geconsacreerde Hosties.
De Heilige Sixtus - Paus van 117 tot 126 - verklaart, dat alleen priesters en diakens gerechtigd zijn de Heilige Mysterieën aan te raken. Daarmede wordt de handcommunie, waarbij de vingers van de gelovige de Hostie aanraken, uitgesloten.
De Heilige Justinus (100 - 166) verklaart, dat alleen de priesters en diakens de Heilige Communie mogen uitdelen en naar de zieken dragen. Daarmede wordt de handcommunie, waarbij de vingers van de communicant de Hostie aanraken, uitgesloten.
Bij uitzondering, gedurende de vervolgingen, mochten sommige gelovigen de Heilige Eucharistie in hun huis bewaren en uitdelen aan de zieken en stervenden. Echter alleen wanneer er geen priesters of diakens in de streek waren. In het jaar 313, bij het decreet van Milaan, dat de godsdienstvrijheid afkondigde, waardoor de vervolgingen een einde namen, werd deze toelating ingetrokken.
De Heilige Stefanus I - Paus van 254 tot 257 - verklaart, dat de leken zich niet de bevoegdheid van de priesters mogen toe-eigenen. Dit heeft vooral betrekking op de toediening van de Sacramenten, waaronder begrepen de uitreiking van de Heilige Communie.
De Heilige Eutychiánus - Paus van 275 tot 283 - wijst de priesters op hun plicht de Heilige Communie zelf naar de de zieken te dragen en dit niet te laten doen door de gelovigen.
Ook uit talrijke visioenen en hemelse boodschappen zijn de oude gewoontes van het ontvangen van de Heilige Communie bekend. Hieronder twee voorbeelden van visioenen, die het oorspronkelijke gebruik van het geknield ontvangen van de tongcommunie bevestigen. Maar er bestaan vele tientallen soortgelijke teksten uit allerlei bronnen.
In de visioenen van Anna-Katarina Emmerick leest men (boekdeel VI, p.246): � ..., zag ik de Heilige Maagd uit de handen van Petrus het Heilig Sacrament geknield ontvangen. Hij had in de hand boven het schoteltje ... een stukje [van de Heilige Hostie] ... en hij reikte Haar dit toe in de mond. �
In het boek Avertissements de l'Au-delà leest men (p.192 e.v.): � Christus heeft, nadat Hij het Brood heeft gebroken, dit niet in de handen van de Apostelen gelegd. ... De Apostelen, ... hebben nooit anders gehandeld. Zij gaven de Heilige Communie in de mond. Indien men later het [geconsacreerde] Brood in de handen heeft genomen, komt dat, omdat men de zaken slecht begreep. �
� Christus heeft het nooit gewild. Hijzelf heeft Het [geconsacreerde Brood] in de mond gegeven. En zelfs de Heilige Maagd ontving dit Sacrament nooit anders, en altijd geknield, waarbij zij zich diep boog. �
De eerste conclusie is dan ook, dat het geknield ontvangen van de Heilige Communie op de tong tot de apostolische traditie behoort.
De tweede conclusie is dat het uitreiken van de Communie altijd door priester of diaken moet geschieden.
Echter, ongeveer vanaf de 2e/3e eeuw tot de 5e/6e eeuw, met een hoogtepunt ongeveer in de 4e eeuw, en met een enkele plaatselijke uitschieter tot in de 9e eeuw, werd de handcommunie toegepast. Maar, dat was niet de nu bij ons bekende vorm.
De pasgedoopten kregen aan het einde van de 4e eeuw de instructie om beide handen tesamen uit te strekken, waarbij zij "de linkerhand tot een troon" maakten "voor de rechterhand, die de Koning ontvangt." Dus: De linkerhand ondersteunt de vlakke uitgestrekte rechterhand. Beide handen worden omhoog geheven, de armen half gestrekt, tot ongeveer mondhoogte. De Hostie wordt neergelegd op de vlakke rechterhand. Daarop buigt de communicant het hoofd en neemt de Hostie met tong en lippen op van de hand. De communicant neemt de Hostie dus niet vast, raakt deze niet met de vingers aan.
In de hedendaagse praktijk ontvangt de communicant echter de Heilige Hostie op de vlakke uitgestrekte hand, neemt deze met de vingers van de andere hand, en brengt daarmede de Hostie naar de mond. Men bedenke, dat deze vorm van de handcommunie er op neer komt, dat men zich zelf de Communie uitreikt. Inderdaad komt het eveneens voor, dat men een schaal met geconsacreerde Hosties laat rondgaan, waarbij iedereen zelf de Hostie uit de schaal neemt en deze daarna in de mond steekt.
De hedendaagse praktijk is niet de praktijk van de 4e eeuw. De hedendaagse praktijk van de handcommunie behoort dan ook niet tot de kerkelijke traditie, en staat bovendien in feite in tegenstelling met de eerbied, die het Allerheiligst Sacrament dient te worden betoond.
Het is ook die oude praktijk van de 4e eeuw welke in de Verklaring van de Congregatie van de Goddelijke Eredienst van october 1985 voor onze dagen wordt voorgeschreven. Daar leest men ook nog: � Men mag de gelovigen niet de plicht opleggen de praktijk van de Communie op de hand te aanvaarden. Iedereen is vrij op de ene of op de andere wijze te communiceren. �
De derde conclusie is, dat de hedendaagse praktijk van de handcommunie naar de vorm zeker niet het herstel van een oude kerkelijke traditie betekent.
Er zijn talrijke bewijzen uit de kerkgeschiedenis te halen van het voortdurende streven van het kerkelijke gezag - zowel van de Westerse als van de Oosterse kerk - om de handcommunie af te schaffen en de apostolische tradities van het bewaren en het ontvangen van de Heilige Hosties (weer) in te voeren, of te bestendigen. De redenen daarvoor zijn telkens duidelijk: het gebrek aan eerbied voor het Heilig Sacrament, en de achteruitgang van het geloof in de werkelijke tegenwoordigheid van het Lichaam des Heren onder de gedaante van brood.
De Heilige Damásus I - Paus van 360 tot 384 - verbiedt het Goddelijk Voedsel in huis te bewaren. De consequentie van dit thuis bewaren, was altijd, dat de bewoners de Hosties zelf gingen nemen, deze zichzelf gingen toereiken, of gingen uitreiken aan anderen.
Het (plaatselijk) Concilie van Saragossa (380) spreekt de banvloek uit tegen hen, die voortaan het Sacrament blijven behandelen zoals gedurende de vervolgingen. In 400 doet het Concilie van Toledo hetzelfde. Duidelijk is dat de bijzondere omstandigheden van de tijd der vervolgingen niet langer meer golden.
De Heilige Gregorius I - Paus van 590 tot 604 - legde de Heilige Hostie altijd in de mond van de communicanten en eiste hetzelfde van zijn priesters. Duidelijker kan het niet worden gezegd.
Het (plaatselijk) Concilie van Rouen (rond 650) voorziet zware sancties tegen priesters, die de geconsacreerde Heilige Hosties in handen geven van de gelovigen. Deze priesters moeten van het altaar worden verwijderd, zo bepaalt dit Concilie, dat is: zij moeten uit hun ambt worden ontzet. Deze bepaling houdt een veroordeling in van zowel de oude praktijk van de handcommunie, als van de hedendaagse praktijk.
Het Concilie van Constantinopel (692) bepaalt hetzelfde, en bedreigt met excommunicatie diegenen, die zichzelf de Communie toereiken. Dit "zichzelf de Communie toereiken" is onderdeel van de hedendaagse praktijk van de handcommunie.
De vierde conclusie is, dat het kerkelijk gezag het in de handen ontvangen van de Hostie, het nemen van de Hostie door de gelovigen, het zichzelf toereiken van de Hostie door de gelovigen - zoals dat als noodmatregel in gebruik was in de eeuwen van vervolging en, uit gewoonte, nog enige tijd daarna - sedert de 4e eeuw altijd heeft afgekeurd.
De Heilige Thomas van Aquino (1225-1274) - kerkleraar - zegt, dat alleen de geconsacreerde handen van de priester het Heilig Sacrament aan mogen raken. Dit houdt een veroordeling in van de handcommunie - in welke vorm dan ook - die overigens ten tijde van Sint Thomas nergens bestond. In de praktijk mocht ook de al-diaken-gewijde seminarist, die dus op weg was naar het priesterschap, de Heilige Communie uitreiken. Permanente diakens bestonden in de Middeleeuwen allang niet meer.
Het Concilie van Trente (1545-1563) bepaalt, dat degenen, die de Heilige Vaten - kelk, ciborie, pyxis, monstrans - aanraken, zonder daartoe te zijn gemachtigd, heiligschennis begaan, omdat die gewijde voorwerpen in aanraking zijn geweest met het Lichaam des Heren. In feite waren het gewoonlijk slechts de priesters, de diakens en subdiakens, en de sacristijn (koster), die de gewijde vaten mochten aanraken. Uit deze bepaling kan men afleiden, dat de aanraking van het Lichaam des Heren zelf, door een niet-gemachtigde, een nog veel grotere heiligschennis is.
De Heilige Pius X - Paus van 1903 tot 1914 - schrijft in zijn Grote Catechismus, hoofdstuk IX, paragraaf 4, 'Hoe moet men communiceren ?': � Om de Heilige Communie te ontvangen moet men geknield zijn, het hoofd een weinig opgeheven, de ogen eerbiedig gekeerd naar de Heilige Hostie, de mond genoeg geopend, en de tong vooruitgestoken tot op de onderste lip. Men moet het communiekleed zo openhouden, dat daarop de Heilige Hostie zou terechtkomen, als ze zou vallen. Indien de Heilige Hostie aan het gehemelte zou plakken, moet men ze met de tong losmaken, maar nooit met de vinger. � Het hier genoemde communiekleed is een kort of lang kleed, aan de uiteinden vastgehouden door dienaren, of bevestigd aan de communiebank, wat onder de kin van de knielende communicanten wordt gehouden.
Paus Paulus VI - Paus van 1963 tot 1978 - schrijft in zijn encycliek Mystérium Fídei, dat is: Het Geheim van het Geloof, uitgekomen in 1965: � De [bekende] manier om de Heilige Communie uit te delen [aan de gelovigen, geknield en op de tong] moet behouden blijven, niet alleen omdat zij een eeuwenoude traditie achter zich heeft, maar vooral omdat zij de diepe eerbied van de gelovigen voor de Heilige Eucharistie uitdrukt. Deze eerbied toont zeer goed aan, dat het hier niet gaat om brood en wijn, maar om het Lichaam en het Bloed van de Heer. Deze eeuwenoude wijze van uitreiken van de Heilige Communie waarborgt de nodige waardigheid en eerbied, en sluit elk gevaar voor ontheiliging uit. �
Het Algemeen Statuut van het Latijnse origineel van het Romeins Missaal, 2e uitgave van 1975, bepaalt in artikel 80, de voorwerpen, die moeten worden gebruikt in de Heilige Mis. Daar wordt ook genoemd de communiepateen. Dat is een plat gouden schaaltje, dat tijdens het uitreiken van de Communie door een dienaar onder de kin van de geknielde communicant wordt gehouden, of door de communicant zelf zo wordt vastgehouden, met de bedoeling een eventueel vallende Heilige Hostie op te vangen. Voor de handcommunie heeft men uiteraard geen communiepateen nodig.
Artikel 117 van hetzelfde Algemeen Satuut bepaalt de wijze van communiceren: � De priester biedt de Heilige Hostie aan de gelovige aan en deze houdt de pateen onder de kin en ontvangt zo het Heilige Sacrament. � Indirect blijkt hieruit, dat de Communie op de tong moet worden gegeven.
Er zijn talrijke recente visioenen en hemelse boodschappen, waarin al het bovenstaande wordt bevestigd, en waarin de handcommunie - in welke vorm dan ook - wordt afgekeurd. Er wordt altijd aangedrongen op het geknield en op de tong ontvangen van het Lichaam des Heren. En het uitreiken van de Communie mag slechts door de priester of seminarist-diaken geschieden.
Sedert de tijd der Apostelen is het de bestendige traditie van de katholieke Kerk om de Heilige Communie slechts te ontvangen geknield en op de tong onder gebruikmaking van een communiekleed of een communiepateen. De hedendaagse praktijk van de handcommunie, waarbij de vingers van de communiecant de Heilige Hostie aanraken, is altijd verboden geweest. De handcommunie is heden niet als verplicht voorgeschreven.
Sommige lezers hebben ons er op gewezen, dat het onduidelijk is, of - volgens de hemelse boodschappen - diakens nu wel of niet de Heilige Communie mogen uitreiken, al wordt dit tegenwoordig overal wel zo gedaan. Wij hebben deze kwestie ten gronde uitgezocht en geven u hieronder het resultaat. Allereerst: Er bestaat absoluut geen twijfel over: De kerkelijke traditie (van vóór 1962), en de hemelse boodschappen, zijn het geheel over het volgende eens: De Communie behoort te worden ontvangen geknield (tenzij men ziek, of invalide is), en uit de handen van de priester of bisschop. De discussie gaat alleen over het uitreiken van de Communie door diakens, die, volgens vele argumenten, geen gewijde handen hebben.
Vóór Vaticánum II bestond er slechts één soort diaken, die men tegenwoordig noemt transeúnte diaken, maar die term was vroeger niet erg gebruikelijk. Dit is de diaken, die seminarist is, en die dus op weg is naar het priesterschap, en die door zijn diakenwijding tot de clerus behoort. Gewoonlijk was (en is) deze diakenwijding één jaar vóór de priesterwijding. Men bedenke, dat deze transeúnte diakens zich strict aan het celibaat moesten houden. Het is overigens juist, dat bij de diakenwijding de handen niet worden gewijd, en bij de daaropvolgende priesterwijding wel.
De kerkelijke traditie is glashelder, en het Kerkelijke Wetboek van 1917 bevestigt dit: De transeúnte diaken mocht, tijdens pastorale stages, de Heilige Communie uitreiken. Men kan dit bij iedere oudere priester, die gewijd is voor Vaticánum II, navragen. De Priesterbroederschap van Sint Pius X houdt zich ook heden nog strict aan deze traditie, en deze regel, en men kan dit aan de jongere priesters van die Broederschap navragen: Ook zij deelden als diaken, op weg naar het priesterschap, de Communie aan het volk uit. Dit geldt trouwens ook voor alle andere Broederschappen en Instituten, die zich aan deze oude liturgische regels houden. Dit type diaken heeft altijd bestaan in de Latijnse ritus van de Kerk. Permanente diakens bestonden toen niet.
Na Vaticánum II is de toestand veel meer complex. Naast de transeúnte diaken, als boven beschreven, bestaat sindsdien de permanente diaken. Dit is de diaken, die diaken blijft, en die NIET op weg is naar het priesterschap. Daarvan zijn er echter drie ondersoorten, waarvan één de gehuwde permanente diaken is. Volgens het Kerkelijk Wetboek van 1983 zijn alle diakens, dus óók de permanente diakens, clérici, zij behoren tot de clerus, zij zijn geestelijken, zij zijn geen leken (wat pastorale werkers en pastorale assistenten wèl zijn). Het Kerkelijk Wetboek van 1983 geeft aan alle vier soorten diakens het recht de Communie uit te reiken.
Latere kerkelijke wetgeving geeft het recht de Communie uit te reiken óók aan zg. Buitengewone Bedienaars. Dat zijn leken, ja, tegenwoordig zelfs vrouwelijke leken. Maar daarover zijn de hemelse boodschappen glashelder: Geen enkele leek, en zeker niet een vrouw, mag (in normale omstandigheden) de Heilige Hostie aanraken. De hemel beschouwt dit als heiligschennis. Natuurlijk zijn werkelijke noodgevallen hiervan uitgezonderd: Als in oorlogstijd een granaat het priesterkoor van de plaatselijke kerk treft, mag iedereen - priester, diaken, man, vrouw of kind - de overal verspreide, geconsacreerde Hosties oprapen, en verzamelen, en zonodig direct zelf nuttigen, om te voorkomen, dat ongelovige vijanden de Hosties zouden vertrappen.
Terug naar de soorten permanente diakens. Er is de permanente diaken, die monnik is van bijvoorbeeld een van de oude ordes, zoals de Benedictijnen of de Trappisten. Omdat hij monnik is, houdt hij zich aan het celibaat. Volgens de huidige wetgeving dienen sommigen van deze diakens de Communie toe, bijvoorbeeld aan de gelovigen, die de conventsmis van hun abdij bijwonen.
Dan is er de permanente diaken, die wel gehouden is aan het celibaat, maar die geen monnik is, en die gewoon in een of andere parochie kan werken, of catechese kan geven, of wat voor werk dan ook kan doen. Dit type is zeer zeldzaam, maar het bestaat. Tenslotte is er de permanente diaken, die gehuwd is, en een gezin heeft, en die in een parochie werkt, of in het onderwijs, of wat voor werk dan ook kan doen. Dit type is tegenwoordig niet zeldzaam.
Welnu, zo ver als kon worden nagegaan, wordt er in de boodschappen aan Little Pebble geen onderscheid gemaakt tussen de vier soorten diakens. Als er in die boodschappen afkeurend wordt gesproken over het communie-uitreiken door diakens, dan is het niet duidelijk welke soort diaken daarbij wordt bedoeld. In de openbare boodschap van Mary Jane Even voor februari 1999 (gegeven op 1 januari 1999) leest men op bladzijde 11 van volume 2, dat men de Communie mag ontvangen van een seminarist, die diaken is gewijd. Dit is de enige uitzondering, zo zegt de boodschap (op het gebod, dat alleen een priester de Communie uit mag reiken). Zonder dat de boodschap het woord transeúnt gebruikt, is het toch klaar/helder, dat die soort diaken wordt bedoeld.
Het is duidelijk, dat de boodschappen van Mary Jane Even niets anders doen, dan de oudste traditie volgen. Teneinde een definitief antwoord van de hemel te verkrijgen hebben wij de zaak nog eens voorgelegd aan Little Pebble, die immers door de hemel is aangewezen om in zulk soort controversiële kwesties uitspraak te doen. Op 19 mei j.l. kregen wij het antwoord: � So I would say to receive Communion from a Seminarian-Deacon would be okay, while the others would be questionable, however. � In vertaling: � Daarom zou ik zeggen, dat het in orde is om de Communie te ontvangen van een Seminarist-Diaken, terwijl dit echter twijfelachtig is bij een van de andere (soorten diakens). �
Het is hieruit duidelijk, dat het volgen van de oudste en de oude tradities, de hemel welgevallig is. Er wordt niet (door Little Pebble) medegedeeld, waarin het twijfelachtige karakter van de Communie-ontvangst is gelegen, maar daarover zijn wel vermoedens. Het zou iets te maken kunnen hebben met het al of niet volgen van het celibaat. Immers, de priesters en bisschoppen volgen het celibaat, en de transeúnte diaken volgt dit immers óók, terwijl de meeste permanente diakens dit niet doen, met uitzondering dan van de monnik-permanente diaken, en de celibataire-permanente diaken, die echter slechts uiterst zelden voorkomt. Maar dit zijn speculaties, voor zover ons bekend is daar geen hemelse uitspraak over.
Jan A. A. van der Wulp