Het is met zekerheid bewezen, dat er nimmer, noch in de kerken van het Oosten, noch in die van het Westen, een celebratie van de Mis versus pópulum, dat is 'gekeerd naar het volk', heeft bestaan. Het is onjuist te menen, dat men met de celebratie gekeerd naar het volk, een gebruik van de jonge Kerk doet herleven.
De alleroudste gewoonte is die van het gebed gekeerd naar de Heer, naar het Oosten, Ad Oriéntem, genoemd Ad Dóminum. Dit gebruik, om te bidden gekeerd naar de opkomende zon, symbool van de godheid, bestond ook bij andere religies, zoals bij de oude Joden en de Romeinen (men leze Vitrúvius).
De gedachte van een gekeerd zijn naar elkaar van priester en volk stamt van Maarten Luther (16e eeuw). Vóór Maarten Luther vindt men nergens - niet in geschreven teksten, niet op voorwerpen, niet in de architectuur, niet door oudheidkundige opgravingen - enige verwijzing, welke dan ook, naar de gedachte, dat de priester tijdens de Mis gekeerd naar het volk, gekeerd naar de gemeenschap, zou celebreren.
De middeleeuwse en latere voorstellingen van het Laatste Avondmaal - zoals Luther die voor ogen had - waarbij Jezus en de leerlingen zijn gezeten aan een lange rechte tafel, Jezus in het midden van de lange zijde, met één groep Apostelen links van hem, en de andere groep Apostelen rechts van Jezus, zijn historisch onjuist.
In die oude tijden bevond de ereplaats, zoals die door Jezus bij het Laatste Avondmaal werd ingenomen, zich op de rechterhoek - in cornu dextro - van een halve ringvormige tafel. Men denke aan een grote ringvormige tafel welke langs een middellijn is doorgesneden. De tweeds belangrijkste persoon zat op de er tegenover gelegen linkerhoek van die halfringvormige tafel. Vloermozaïeken in oude basilieken (Ravenna) tonen deze opstelling.
Werd de tafel gebruikt om er aan te eten, dan had de bediening plaats langs de holle zijde van het halfrond. Na de gewone maaltijd, of - op de eerste Witte Donderdag - nà de maaltijd van het Joodse Pasen, werd diezelfde tafel gebruikt voor de sacramentele viering van de instelling van de Heilige Mis.
Waren de allereerste christenen tijdens het liefdesmaal (agapè) gezeten aan dergelijke halfronde tafels, na de liefdesmaaltijd stond men op voor de viering van de Eucharistie en stelde men zich in een halve cirkel op achter de priester aan het altaar, zoals de Didascália - een instructie voor de christenen, gedateerd 2e of 3e eeuw - nadrukkelijk voorschrijven, daarbij eisend, dat men - priester plus gelovigen - zich nauwkeurig naar het Oosten zou richten.
Sint Jan van Damascus (gestorven in 749) schrijft, dat de Wederkomst van de Mensenzoon wordt verwacht vanuit het Oosten, omdat Hij bij Zijn Hemelvaart naar het Oosten is opgestegen, en dat hij daarom, gekeerd naar het Oosten, wordt aanbeden.
Niet alle oude kerken waren strict ge-oost, dat is met de absis op het Oosten en de ingang op het Westen. Er waren kerken, die de absis naar het Westen gekeerd hadden en de ingang op het Oosten. In die oude kerken heeft het de schijn, dat de priester gekeerd naar het volk bad. Toch keerde óók in deze laatste kerken het volk, dat vooral in de zijbeuken stond en niet in het schip, zich om te bidden met de priester naar het Oosten (bij die kerkgebouwen dus naar de ingang van de kerk), zodat ook daar niet van een celebratie versus popúlum kan worden gesproken.
Bovendien was in die oude tijden in die oude basilieken - en ook in de basilieken met ingang op het Westen - het centraal in de ruimte van het schip van de kerk geplaatste altaar, overhuifd met een baldakijn, en aan het oog onttrokken door gordijnen. Oogcontact tussen priester en gelovigen was daardoor geheel onmogelijk, hoe de kerk ook was gebouwd.
Vanaf het begin van de 5e eeuw wordt het echter gewoonte om de absis van alle nieuwe kerken op het Oosten te plaatsen en de ingang op het Westen; het kerkgebouw wordt ge-oost. Priester en volk keren zich dan tijdens de vieringen altijd tesamen naar het Oosten. Het altaar schuift in de loop der eeuwen op vanuit het midden van het schip in de richting van de absis, nog later zelfs tot in de absis. Het baldakijn en de gordijnen rondom het altaar werden nog tot diep in de Middeleeuwen in vele kerken gevonden.
Voor niet-deskundigen in de liturgische oudheidkunde heeft het er de schijn van, dat er een celebratie versus pópulum bestond in die oude basilieken, die gebouwd waren met absis op het Westen en ingang op het Oosten. De ware deskundige weet echter wel beter: zulk een celebratie heeft nimmer, in geen enkele kerk der christenheid, waar dan ook, noch in het Oosten, noch in het Westen, bestaan. Het is in navolging van het protestantse gedachtengoed van Maarten Luther (16e eeuw), dat eerst nà het Tweede Vaticaans Concilie (1963-1965) deze vorm van celebreren in katholieke kerken is ingevoerd. Het hele begrip celebratie versus pópulum is - gezien vanuit de traditie - voor katholieken en orthodoxen een geheel vals begrip !
Want beslissend voor de stand van de priester aan het altaar is het offerkarakter van de Heilige Mis, dat in het verborgene wordt verwerkelijkt door het verrichten van de sacramentele handelingen. De offeraar - de priester - keert zich vanzelfsprekend naar Degene, aan Wie het offer wordt gebracht en opgedragen.
Dit is ook de traditie, die sinds mensenheugenis in alle godsdiensten, die offers kennen, bestaat. Ook de Joodse priester van het Oude Testament stond aan het altaar gekeerd náár de Allerhoogste. En de heidense priesters van de talrijke afgodendiensten namen nooit en nimmer een andere positie in. Het is een universele menselijke ervaring, dat - als men een of meerdere Hogere Wezens erkent - men bij het brengen van offers daaraan - bloedige of onbloedige, menselijke of dierlijke - zich keert náár dat Hogere Wezen.
Daarom staan tijdens de Heilige Mis óók de katholieke en de orthodoxe priester in beginsel vóór het altaar, gekeerd ad Dóminum, gewend naar de Heer, met de gelovigen, in dezelfde richting blikkend, achter zich. Vasthouden aan dit beginsel belet evenwel niet, dat er, door de offerende priester, ook enkele woorden worden gesproken, of enkele lezingen worden voorgedragen, gekeerd naar de gelovigen, of dat er enige oproepen tot de gelovigen worden gericht, omdat het beginsel van de juiste stand daardoor niet wordt aangetast.
In de kerken in onze streken, die correct zijn ge-oost, dus met absis op het Oosten en ingang op het Westen, en waar het tabernakel zich in de absis bevindt, kan de gezamenlijke stand van priester en gelovigen ad Dóminum op gelukkige wijze worden gerealiseerd. Immers gekeerd naar het Oosten, staat men tevens gekeerd naar het tabernakel. Blikkend naar de stralen van de opkomende zon, ziet men tegelijkertijd naar de geslachtofferde Heer in de Heilige Hostie.
Kerken, waarvan de lengte-as wel Oost-West loopt, maar die de absis op het Westen hebben en de ingang op het Oosten, zijn niet correct ge-oost. Als daar het tabernakel in de absis is geplaatst, is het het beste, dat priester en volk bidden tesamen gekeerd naar absis en tabernakel. Gewoonlijk is dit ook de oude gewoonte in die kerken, hetgeen men meestal aan de oorspronkelijke plaatsing van het kerkelijk meubilair kan aflezen.
Voor kerken met de lengte-as in een willekeurige richting, die het tabernakel in de absis hebben, geldt eveneens, dat priester en volk het beste kunnen bidden tesamen gekeerd naar absis en tabernakel. Gewoonlijk is dit ook in die kerken de oude gewoonte, hetgeen men - evenals bij de andere soort kerken - aan de oorspronkelijke plaatsing van het kerkelijk meubilair kan aflezen.
Men zie o.a.: Mgr. Klaus Gamber, Tournées vers le Seigneur ! [Zum Herrn hin !], Éditions Sainte-Madeleine, F 84330 Le Barroux, 1993, ISBN 2-906972-12-6.
Jan A. A. van der Wulp