BOEKBESPREKING: En God zag dat het heel goed was
De heiligheid van sexualiteit
ART11102207 - Jan A. A. van der Wulp - 22 october 2011
Bespreking naar aanleiding van de tweede druk.
Mgr. Everard de Jong,
Hulpbisschop van Roermond
EN GOD ZAG DAT HET HEEL GOED WAS
DE HEILIGHEID VAN SEKSUALITEIT
Uitgeverij Stichting De Boog,
2006, pp.125,
ISBN 90.6257.053.4.
Tweede druk october 2008
HEILIGE SEXUALITEIT ?
Over sacrale dingen en heiligheid
1. Sacraal betekent ‘geheiligd, gewijd’. Dat sexualiteit iets intiems is, en omgeven moet zijn met een beschermende sfeer, is natuurlijk oude katholieke leer. Dat het deel mogen hebben aan Gods scheppende kracht om nieuw leven voort te brengen de nodige eerbied en bescherming vereist, is voor een ware katholiek oud nieuws. Dat sexualiteit ‘sacraal’ zou zijn, in de betekenis van ‘heilig, geheiligd,’ is echter iets geheel nieuws.
2. Ook het woord ‘heilig’ heeft theologisch een welbepaalde betekenis. Zelfs de Grote Van Dale geeft als eerste betekenis van ‘heilig’: ‘geestelijk volmaakt, onzondig.’ Dat sexualiteit ‘geestelijk volmaakt, onzondig’ zou zijn is echter absoluut in tegenspraak met de bestendige katholieke leer. De kerkvaders, de kerkleraren, en de Pausen leren (tot circa 1950) iets gans anders.
3. De tweede betekenis van ‘heilig’ in de Van Dale duidt steeds op ‘alles wat met de dienst aan God in verband staat, wat daaraan zijn wijding ontleent,’ of slaat ‘op plaatsen en personen, die in het bijzonder aan God of de eredienst zijn toegewijd.’
4. Echter voor dit woord kan men een aanzienlijke begripsinflatie vaststellen in het gewone taalgebruik. Immers, en als voorbeeld, men spreekt koudweg over de ‘heilige steden’ van de islam, bijvoorbeeld in Irak. Ten eerste is er niets heiligs aan de islam als godsdienstige leer, ten tweede niet aan de stad, die heilig wordt genoemd. Steden in Irak waar om godsdienstige redenen gemoord wordt bij het leven, kan men moeilijk ‘heilig’ noemen, in dezelfde betekenis als een katholiek Frans Lourdes een heilige plaats vindt.
5. En men noemt de Koran een ‘heilig’ boek, terwijl het boek vol staat met opdrachten Joden en christenen te vermoorden en hun bezittingen te roven, hetgeen een normaal christenmens toch niet als ‘zondeloos’ kan duiden. Inderdaad een losjes gebruik van oerkatholieke woorden en de invoering van een geheel nieuwe betekenis. Begripsverruiming in erge mate.
6. Wij menen echter dat een dergelijk los en onzeker taalgebruik niet zal mogen voorkomen in het verkondigingsboek van een bisschop. Het lijkt ons dan ook normaal, dat wij de woorden ‘sacraal’ en ‘heilig’ in het boek, en de mond, van de bisschop, moeten verstaan zoals deze in de katholieke godsdienst al eeuwen worden verstaan. Dat is een vast punt bij de nu volgende kritiek.
De boze begeerlijkheid
7. De titel van dit boek is bedrieglijk. De uitspraak van onze God-Schepper, toen Hij zag, dat Hij alles zeer goed had gemaakt, staat in het boek Génesis (Schepping) in hoofdstuk 1, vers 31. En dat is nog vóór de vervloeking van de zondeval, die in hoofdstuk 3 wordt verhaald. In dat hoofdstuk 3 staat ook de uitspraak: "Gij zijt stof en tot stof zult gij wederkeren." Wat duidt op de sterfelijkheid van het lichaam der mensen na de zondeval. Het bestaan van lijden en dood is een gevolg van de erfzonde.
8. Dáárop kan de uitspraak van God 'alles is heel goed' natuurlijk niet slaan. Vóór de zondeval genoten Adam en Eva van onsterfelijkheid en van zondeloosheid. Dat was natuurlijk 'heel goed.' Zij wisten zelfs niet wat zonde was, totdat zij van de boom met de kennis van goed en kwaad hadden gegeten. Zij schaamden zich niet voor hun beider naaktheid, totdat zij van de boze vrucht, hen aangereikt door de duivel, hadden geproefd.
9. Door de erfzonde kwam de boze begeerlijkheid in de wereld, in het Latijn concupiscéntia. In het algemeen is dit het zinnelijk streefvermogen, dat de genoegens, die de zinnen geven, nastreeft. Vóór de zondeval was dit volkomen onderworpen aan het verstand en de wil, hetwelk een voorrecht was, geschonken door God, samen met de oorspronkelijke gaafheid en rechtvaardigheid van de menselijke natuur. En door de toestand van genade was de menselijke wil geheel gericht op de goddelijke wil.
10. Ten gevolge van de zonde van Adam ging deze buitennatuurlijke gave verloren, en kent de mens de begeerlijkheid. De menselijke wil is niet steeds meer gericht op de goddelijke wil. Men noemt dit de boze begeerlijkheid, omdat zij een gevolg is van de erfzonde, en tot zonde aanzet. Maar de mens heeft een vrije wil, en kan zich - onder invloed van de genade - tegen de zonde verzetten. De boze begeerlijkheid is niet dwingend. De mens kan de zonde afwijzen (als hij meewerkt met de goddelijke genade), en als hij dat een leven lang doet, kan hij heilig (zondeloos, zedelijk volmaakt) worden.
11. De Heilige Schrift spreekt vaak over de boze begeerlijkheid. Het is een openbaringsbegrip, wat niet geloochend kan worden zonder van het katholieke geloof af te vallen. Zie Jac.1,15; Rom.7,23; Gal.5,17; Mt.26,41; Mc.14,38; Gen.2,25; Gen.3,en 10-11. Het Concilie van Trente heeft in het decreet over de erfzonde een duidelijke uitspraak gedaan over de begeerlijkheid, ook wel zondehaard genoemd (zie Denz 792, Denz 1050 en 1051).
12. De begeerlijkheid is dus een straf voor, en een gevolg van, de erfzonde. De erfzonde bestaat in de beroving van de oorspronkelijke gerechtigheid. De gerechtigheid was een eenheid van vermogens en wil. De wil was op God gericht en de lagere vermogens waren onderworpen aan de wil. De lagere vermogens waren geordend op de hogere vermogens. Dit verband werd door de erfzonde verbroken. Men kan nu spreken over ongeordende hartstochten, wat vóór de erfzonde niet mogelijk was.
13. Men onderscheidt de begeerlijkheid van de ogen en de begeerlijkheid van het vlees. De begeerlijkheid van de ogen omvat de ongeordende hartstochten van de zintuigen (behalve de tastzin), vooral de lust, die men ervaart bij het zien, en het verlangen, en het in bezit (willen) nemen van allerlei stoffelijke goederen (voorwerpen, dingen, personen), die men op onordelijke wijze begeert. Onordelijk betekent hier: niet gericht op God en het eigen geestelijk welzijn, zoals God dat ziet en wil.
14. De begeerlijkheid van het vlees omvat de ongeordende hartstochten, waarbij de lust vooral wordt ervaren door lichamelijk contact, door het feitelijk genieten van iets. Deze hartstochten kunnen dus aanleiding worden tot echte zonden van het vlees, dat wil zeggen de onkuisheid in al haar vormen, in moderne taal sexuele zonden te noemen, en de onmatigheid of gulzigheid in spijs en drank.
Sexualiteit
15. De titel van het boek van de bisschop suggereert nu, dat God de huidige beleving van de sexualiteit wel goed vindt. Wat onjuist zou zijn, daar ‘het heel goed zijn’ in de Heilige Schrift alléén maar slaat op de toestand vóór de zondeval. Als men de media van onze dagen enigszins volgt, kan men zich moeilijk aan de indruk onttrekken, dat het met de sexualiteit tegenwoordig helemaal niet zo goed zit. Sexuele uitwassen en misdaden komen veel voor en worden te kust en te keur breed uitgesponnen. Men kan het zo gek niet bedenken of de vreselijkste sexuele wandaden komen heden overal voor.
16. En jonge mensen beginnen al vroeg met sexuele ervaringen op te doen, met allerlei kwalijke gevolgen, zoals soa's en zwangerschappen van kindmoedertjes, ondanks allerlei vormen van onnatuurlijke anticonceptie. Echtscheidingen als gevolg van ontucht en sexuele vrijheden leiden tot veel kinderleed. Ach, wij hoeven het hier niet verder uit te spinnen, u weet allen, dat het vrijwel overal een sexueel zootje is. Wat is daar nu zo goed aan ? En hoe is dat te rijmen met de zogenaamde 'heiligheid' van de sexualiteit ?
17. Wat is 'sexualiteit' eigenlijk ? Wat verstaat men er onder ? Sexualiteit kan op de eerste plaats betekenen 'geslachtelijkheid', dat is het bestaan van twee geslachten - mannelijk en vrouwelijk - bij alle planten, dieren en de mens. Dan is het meer een biologisch begrip. Op de tweede plaats kan het woord verwijzen naar de 'geslachtsdrift,' welke ook bij dieren voorkomt en eveneens meer biologisch te verstaan is. Op de derde plaats omvat de sexualiteit het menselijk geslachts- en liefdesleven in al de mogelijke verschijningsvormen en variaties. Deze laatste betekenis komt het meest voor, en zal hier ook worden aangehouden. Kennelijk gebruikt de bisschop in zijn boek eveneens deze betekenis.
18. Deze betekenis van het begrip sexualiteit is echter zuiver descriptief (beschrijvend). Men kan beschrijven welke sexuele gedachten mogelijk zijn, en welke vormen van geslachtelijke handelingen bestaan. Dat zegt echter niets over het goed of kwaad zijn van de vele verschijningsvormen van, en de variaties in, het geslachts- en liefdesleven. Daarvoor hebben wij de theologie nodig, en wel de moraaltheologie en de zedenleer. De theologie geeft antwoord op de vraag of bepaalde gedachten en daden zedelijk goed zijn, of niet, dat wil zeggen zondig zijn, of niet, en waarom wel of niet. Het 'goed of kwaad zijn' werd door de Schepper-God bepaald, niet door de mens zelf.
19. De moderne mens wil echter zelf beslissen wat goed of kwaad is, en hanteert daarbij gewoonlijk het criterium, dat men aan een ander geen schade mag toebrengen. Dat is een zeer rekbaar criterium, wat tot allerlei verschillende interpretaties kan leiden. Een oudere man, die een jong meisje in een gezagsrelatie tot sex verleidt, kan gemakkelijk beweren, en aantonen, dat zij dat goed vindt, en dat het dus geen kwaad is. Geen ware katholiek zal hem bijtreden.
20. De klassieke theologie leert ons de christelijke waarden en normen in sexuálibus (betreffende de sexualiteit) kennen. Daar zijn allereerst de Tien Geboden, waarvan er al twee zich richten op de begeerten van het vlees, het Zesde en het Negende Gebod. Het Zesde Gebod zegt: "Gij zult geen onkuisheid doen," en het verbiedt zonden door werken en woorden. Het Negende Gebod zegt: "Gij zult geen onkuisheid begeren," en het verbiedt de zonden door begeerten en het verlangen. De begeerte naar echtbreuk wordt als zeer zwaar zondig beschouwd.
21. Waarom heeft God de mensheid de Tien Geboden gegeven ? Omdat de mens, door de boze begeerlijkheid gemakkelijk tot zonde geneigd is. En God haat de zonde. Dus geeft hij de mens een stel duidelijke regels, om die mens te helpen zondeloos te blijven. En omdat twee van de Tien Geboden over sexualiteit gaan, mag men concluderen, ja, moet men wel vaststellen, dat kennelijk de sexualiteit heel dikwijls aanleiding kan zijn tot zondig gedrag, buiten het huwelijk altijd, en binnen het huwelijk soms. Welnu, de praktijk van het leven doet ons inzien, dat dit volkomen juist is. En de media bevestigen ons dit heden wel heel duidelijk.
22. Om volledig te zijn: De Tien Geboden zijn absolute verplichtingen, die voor alle mensen van alle tijden gelden. Het zijn geen idealen, die men al of niet zou kunnen bereiken, waarbij het niet bereiken niet zo erg zou zijn. Geen sprake van. De mens kan met zijn vrije wil afwijken van de Tien Geboden, en dan zal hij of zij worden gestraft en zal gaan betalen voor die overtreding van de Wet Gods. Dit oeroude openbaringsbegrip komt in het boek slechts verwaterd aan de orde.
De zedelijk goede elementen van het huwelijk
23. Sint Augustinus onderscheidt al de bona matrimónii, (de zedelijk goede elementen), de drie grote zedelijke waarden: kroost, trouw, en sacrament, waardoor het huwelijk goed en ja, heilig, is. Het huwelijk is inderdaad heilig.
24. Kroost is er wel niet altijd, maar past in se (naar het wezen) bij het huwelijk. Het doel van het huwelijk is immers op de eerste plaats zich nageslacht verwerven, in overeenstemming met het schriftwoord: “Gaat heen en vermenigvuldigt u.” Deze geloofsuitspraak over het primaire doel van het huwelijk is een senténtia certa-uitspraak, wat betekent, dat zij theologisch zeker is, en wel in de derde graad van zekerheid, na een de fide-uitspraak (eerste graad van geloofszekerheid, absoluut waar), en na een senténtia próxima-uitspraak (tweede graad van geloofszekerheid). Men zie een goed boek over dogmatiek, zoals Ludwig Ott, Grunddriss der Katholischen Dogmatik, 13e Auflage, Nova et Vétera, 2005.
25. Trouw is volgens Sint Augustinus het totaal geven aan de partner van datgene wat die toekomt, de onderlinge hulp en steun, zonder beperkingen. Dit past bij het tweede doel van het huwelijk: Elkander tot steun en hulp zijn, de voortdurende welwillendheid om het welzijn van de ander, en de kinderen, te zoeken. Het tweede doel van het huwelijk omvat het wederzijds bijstaan, en het op zedelijk geordende wijze voldoen aan de geslachtsdrift. Men spreekt ook over een menswaardige bevrediging. Ook deze uitspraak is een senténtia certa-uitspraak. Men zie Denzinger cum suis DS3838 en DH3838, en in het oude Kerkelijke Wetboek, dat is CIC (1917), de paragraaf 1013, §1.
26. Tegenwoordig wordt ‘kroost bekomen’ als het tweede doel van het huwelijk gezien, en het elkaar bijstaan als eerste doel, hetgeen niet overeenkomt met de traditie. In het nieuwe Kerkelijk Wetboek van 1983 worden in canon 1055, §1, beide doeleinden wel in ongeveer dezelfde bewoordingen als eertijds gegeven, maar de volgorde werd omgedraaid. Niet duidelijk is of de vermeldingen nevenschikkend of onderschikkend worden bedoeld. De grote Katechismus van de Katholieke Kerk van1993 herhaalt onder nummer 1601 de tekst van het nieuwe wetboek.
27. Hoe het zij: Beide boeken wijken af van de eeuwenoude leringen, hierboven gegeven. Kennelijk bestaat er geen respect meer voor oude senténtia certa-uitspraken. Men bedenke echter nog, dat heden de mensen veel ouder worden dan in de tijd van Sint Augustinus. Als gevolg treden er tegenwoordig meer ouderen in het huwelijk, ouderen, waarbij geen nageslacht meer te verwachten is. Voor hen zal het elkaar bijstaan feitelijk tot eerste doel zijn geworden.
28. Sacrament duidt bij Sint Augustinus op de onontbindbaarheid, het blijvend elkander steunen, en aan de hartstochten een genezende beperking opleggen. Ah, hartstochten, wat zijn dat ? De neiging te veel te eten. Of te drinken. Of te gokken. En de neiging tot overmatig sexueel verkeer, waarbij de hartstochten de overhand krijgen, en de partner tot lustobject wordt gedegradeerd, om het modern te zeggen. Sacrament duidt ook op het diepere en hogere doel van het huwelijk, te weten, de partners en de kinderen naar de hemel voeren. Immers God wil de hemel bevolkt zien met Zijn schepselen, en daar moeten de echtgenoten voor zorgen.
Heilige sexualiteit ???
29. Practisch denke men, wat de bona van het huwelijk betreft, aan de liefde en de welwillendheid voor partner en kinderen, de opofferingsgezindheid, het zichzelf wegcijferen, de betrachting van voortdurende godsdienstigheid en trouw. Voor de bona matrimónii geldt, dat meer beter is, dat wil zeggen zedelijk hoogstaander. Dat is wat badinerend gezegd, maar serieus bedoeld. Immers meer trouw, grotere opofferingsgezindheid, meer zorg voor de kinderen, dat is altijd zedelijk beter. De bona kunnen, zoals de deugden, gemaximaliseerd worden. Aan deugdzaamheid is geen bovengrens. Aan heiligheid ook niet. Het kan altijd nog wat heiliger en deugdzamer.Het katholieke geloof is een geloof, dat om maximalisatie vraagt in zedelijk opzicht.
30. Bisschop De Jong beweert nu, dat de sexualiteit heilig (onzondig, geestelijk volmaakt) is. Dat impliceert, dat de sexualiteit tot de bona van het huwelijk zou behoren. En, als de sexualiteit tot de bona zou behoren dan zou ook daarvoor gelden, dat meer of betere sexualiteit ook (zedelijk) beter is. Dit leidt in extremis (tenslotte) ertoe, dat meer of betere sexualiteit (meer gemeenschap, vuriger gemeenschap, wat u wilt) tot grotere heiligheid zou leiden. Het is gewoon de consequentie van de stelling, van het uitgangspunt van de bisschop, dat sexualiteit heilig is. Het is het logische gevolg van die grondstelling. Heiligheid kan immers vermeerderd worden, en dat zou dan ook door meer of betere sex kunnen geschieden. Maximaliseren van de bona is immers altijd goed.
31. Natuurlijk weet iedere gezond en traditionel denkende katholiek dan direct dat dit niet klopt. Practisch betekent dat immers een vrijbrief voor de wellustigen en de onbeheersten. Dat kan natuurlijk niet waar zijn. Dat is juist: Het huwelijk is heilig, de sexualiteit is niet heilig.
Weer de boze begeerlijkheid
32. Inderdaad bestaat de boze begeerlijkheid (in het Latijn concupiscéntia) een al oude theologische term, welke begeerlijkheid in de mens aanwezig is als gevolg van de erfzonde, en de mens tot zonde aanzet. De Heilige Schrift spreekt daar vaak over. Volgens Sint Augustinus komt de boze begeerlijkheid vooral tot uiting in de geslachtelijke omgang. De boze begeerlijkheid heeft de menselijke natuur echter niet in die mate bedorven, dat de mens niet meer tot goede daden in staat zou zijn.
33. Samengevat zegt Sint Augustinus: De huwelijksgemeenschap, die niet tot kinderen leidt, bijvoorbeeld bij onvruchtbaarheid of bij ouderen, is slechts een uitvloeisel van de begeerlijkheid, en als zodanig in beginsel af te keuren. Maar, omdat het tweede doel van het huwelijk de trouw aan het verbond inhoudt, wordt deze onmatigheid door God niet aangerekend. Echter: Men mag niet zo dikwijls gebruik maken van deze tegemoetkoming, dat het gebed der echtelieden er onder zou lijden. Hier volgt Sint Augustinus de Apostelen. Men zie Sint Paulus in 1Tess.4,4 en Sint Petrus in 1Pet.3,7.
34. Sint Augustinus noemt de huwelijksgemeenschap, die niet vereist is voor de vruchtbaarheid, veniále peccátum, wat bij hem betekent ‘een vergeeflijke zonde.’ Dat is een zonde, welke er geen is. Theologisch was dit een goede vondst, want zo kon Augustinus alle geopenbaarde waarheden staande houden, en tevens alle ketterijen van zijn tijd bestrijden.
Eerbied voor het heilige
35. Paus Gregorius I (590-604), Sint Gregorius de Grote, heeft eens een brief geschreven waarin een belangwekkend gedeelte over de huwelijksgemeenschap gaat. De Paus weegt alle mogelijkheden, die kunnen voorkomen bij de huwelijksgemeenschap, ten opzichte van het betreden van een kerkgebouw, hetwelk men destijds gewoonlijk slechts deed om naar de Heilige Mis te gaan en de Heilige Communie te ontvangen. Daarvoor moest/moet men in een schuldeloze toestand zijn, dat is geen zondeschuld meedragen. Paus Gregorius verwoordt de kerkelijk leer van het jaar 600.
36. De Paus zegt dan, dat de welgeordende huwelijksgemeenschap, waarbij de hartstochten worden beheerst, zondeloos kàn (niet: moet) verlopen. Deze oude pauselijke uitspraak staat de gelovigen toe in dàt geval te Communie te gaan. Meent men, of vreest men, echter, dat de huwlijksdaad tot enige zondeschuld kan hebben geleid, dan beveelt de Paus een onthoudingsperiode aan van drie dagen alvorens de Communie te ontvangen.
37. Immers, door een te veel toegeven aan de hartstochten van de boze begeerlijkheid zou de daad der gemeenschap door de lust niet vrij van schuld kunnen zijn. In dat geval moet men de gewijde ruimte van de kerk drie dagen mijden. Men kan niet spreken van heilige sexualiteit als deze tot zondeschuld aanleiding kan geven.
Een samenvatting van Paus Gregorius de Grote
38. Samengevat zegt Paus Gregorius de Grote rond 600 het volgende:
* De huwelijksomgang is op zichzelf beschouwd niet slecht, en zal als zodanig geen schuldgevoelens oproepen.
* De geoorloofde omgang is die, waarbij men kinderen wil verwekken.
* Huwelijksomgang (uitsluitend) omwille van de lust is niet geoorloofd en levert een grond op voor spijt.
* De geoorloofde gemeenschap wordt naar haar aard gewoonlijk begeleid door gevoelens van lust.
* Deze lust kan al of niet vrij zijn van schuld.
* Het betreden van gewijde plaatsen (zoals de kerk) moet vermeden worden als men niet vrij van zondeschuld is (waardoor dan ook ontstaan).
* Indien de lust, ervaren bij de huwelijksomgang, niet vrij van schuld is, moet men (dus) vermijden gewijde plaatsen (zoals kerken) te betreden.
* Indien men niet weet, of de (ervaren) lust vrij van schuld is, kieze men de voorzichtiger weg en blijve (enige tijd) weg uit de heilige plaatsen (zoals kerken).
* Indien men meent, dat de (ervaren) lust vrij is van schuld, kan men de kerk binnengaan.
39. Waarbij moet worden aangetekend, dat in die dagen het besef, dat de kerk een heilige plaats is, waar men slechts binnenging in schuldeloze toestand om heilige handelingen bij te wonen, zeer sterk was. Tot die heilige handelingen behoorden vooral het bijwonen van de Heilige Mis en het te Communie gaan.
Theologen en Concilies spreken
40. Volgens Sint Thomas van Aquino is de begeerlijkheid een straf voor, en een gevolg van, de erfzonde. Ook hij gebruikt het begrip peccátum veniále, wat hoogstwaarschijnlijk weer vergeeflijke zonde betekent. Ook hij spreekt over een zekere tegemoetkoming (indulgéntiam) van goddelijke zijde, omdat de vereiste trouw de daad, waarbij genot wordt gezocht, aanvaardbaar maakt. Sint Thomas zoekt in feite naar iets wat de huwelijksgemeenschap honesteert, dat is eerzaam maakt: “De waarden van het huwelijk maken de vleselijke begeertes eerzaam,” zo schrijft hij.
41. Latere theologen vullen die inzichten aan met de mogelijke afwending van de menselijke vrije wil van de wil van God, en het niet altijd onderworpen zijn van de lagere (sexuele) vermogens aan de (goede) wil. En zo kan er sprake zijn van de ongeordende hartstochten van het zintuigelijk begeren. Ook bij de huwelijkssexualiteit, welke hartstochten zondeschuld kunnen veroorzaken. Wederom: Daden, die zondeschuld kunnen (NIET: zullen) veroorzaken, kunnen nimmer heiligheid met zich mee brengen.
42. Het Concilie van Trente heeft duidelijke uitspraken gedaan over het bestaan en de aard van de begeerlijkheid of zondehaard. De Romeinse Catechismus, samengesteld in 1563-1566, in opdracht van het Concilie van Trente, en daarna plechtig door Paus Pius V afgekondigd, was bestemd voor de plaatselijke pastoors. Dit boek herneemt de bekende leer over huwelijk en sexualiteit, en herhaalt de leer van de kerkvaders en kerkleraren, zoals boven gegeven. Deze catechismus bleef in gebruik tot in de twintigste eeuw, ongeveer tot 1950. Pas in de opgang naar Vaticánum II, en daarna, kwamen allerlei theorieën over de sexualiteit, niet behorend tot de bestendige leer, op.
43. Ook sommige gevoelens en daden binnen het huwelijk zijn zondig en niet heilig. De zwaarte van die zonden variëert nogal. Dat hangt samen met de mate waarin de partijen het genieten van lust nastreven. Hoe belangrijker de lustbeleving is bij de gemeenschap, des te eerder is er sprake van zondeschuld. Zelfs de normale huwelijksgemeenschap, die in beginsel gericht is op het verwerven van nageslacht, en niet ten eerste op het genieten van de lust, kan (niet: moet) enigszins belast zijn met zondeschuld, die echter vergeeflijk genoemd wordt in de klassieke theologie, omdat het goede doel, namelijk het blussen van de begeerlijkheid, de eventuele zondeschuld wegneemt.
44. Dit geldt ook voor ouderen en onvruchtbaren, want daar behoort de onvruchtbaarheid (buiten de menselijke wil om) tot de natuur van die personen. De gemeenschap, waarbij alleen lust wordt nagestreefd, en het ontvangen van kinderen opzettelijk door niet-natuurlijke anticonceptie wordt vermeden, kan zelfs zwaar zondig zijn. Elk geval, elke daad, moet op zich worden beschouwd, wat voor de (jong)gehuwden niet altijd gemakkelijk is, vooral als men niet over een goed gevormd geweten beschikt.
45. Toch bestaat ook de gemeenschap, gericht op een nieuw kindje, waarbij de beide partijen geheel zondeloos handelen, en er geen zondeschuld optreedt. Als voorbeeld hiervan denke men aan de gemeenschap van Sint Joachim en Sinte Anna, de ouders van de Heilige Maagd Maria. Ook Paus Gregorius de Grote erkende deze mogelijkheid, zoals hiervoor werd beschreven. Om zo'n zondeloze huwelijksgemeenschap te beleven, moet men echter al aardig ver zijn gevorderd op de weg naar persoonlijke heiligheid, wat vanzelfsprekend bij de Sinten Joachim en Anna het geval was.
46. Elk serieus katholiek echtpaar, wat lang getrouwd is, vroeger goed in het ware geloof werd opgevoed, en dus beschikkend over een goed gevormd geweten, kan bevestigen, dat de huwelijkspraktijk gewoonlijk niet zo zondeloos is, ondanks de goede wil bij de echtelieden Gods normen aan te willen houden. Voor niet-katholieken, die gewoonlijk een minder goed gevormd geweten hebben, en niet over de genademiddelenvan de Kerk beschikken, is het nog veel moeilijker om de hartstochten van de begeerlijkheid de baas te blijven. Ook de hedendaagse jongeren, ook zij, die slechts in naam katholiek zijn, die geen goede gewetensvorming gehad hebben, zullen moeite hebben met de inschatting van het al of niet zondig zijn van hun (sexuele) gedachten en daden.
Conclusie
47. Ergo: De sexualiteit is niet heilig, in de betekenis van onzondig en geestelijk volmaakt. De oude Kerkvaders en kerkleraren, de Pausen en de Concilies, spreken heel wat minder vriendelijke woorden over de sexualiteit dan bisschop De Jong. En zij zijn heel wat realistischer in hun opvattingen. Naar verstandige en traditionele kerkelijke inzichten gelden de regels van Paus Gregorius heden nog steeds, met de aanvulling, dat als kinderen ontvangen niet mogelijk is (door onvruchtbaarheid of ouderdom), de instandhouding van de trouw en het blussen van de hartstochten de gemeenschap honesteren (onzondig maken), indien het genot van de lust niet het gebed van de echtelieden verhindert of vermindert. De ervaringen van een vijftigjarig katholiek huwelijksleven van vele oudere katholieke echtparen bevestigen deze traditionele leer van de Kerk, en niet de moderne, meer anthropologisch-psychelogische inzichten van bisschop De Jong over de ideale zelfgave van de echtelieden aan elkaar.
Opmerkingen bij deze theologische uitleg
48. In dit verband bedenke men, dat aan de hedendaagse orthodoxe gehuwde priesters wordt bevolen drie dagen geslachtelijke onthouding in acht te nemen alvorens de Heilige Mis op te gaan dragen. Dus: Het wezenlijk heilige van de Mis en de Communie is slecht te verenigen met de onlangs beoefende sexualiteit (die immers mogelijk zondeschuld kan geven), waardoor de sexualiteit in zich nooit heilig kan zijn.
49. Ook het vasthouden van de katholieke Kerk aan het celibaat van de priesters en bischoppen duidt op de (mogelijke) onverenigbaarheid van de sexualiteit en het heilige. Ook deze regel verwijst tenslotte naar de oude leer van de Apostelen en de kerkvaders. De kerkgeschiedenis leert verder, dat gehuwde mannen, die tot het priesterschap werden geroepen, wat in de vroege middeleeuwen regelmatig voorkwam, af moesten zien van de huwelijksgemeenschap. Zij mochten zelfs de samenleving met hun echtgenote onder één dak niet voortzetten.
50. Ook deze regels wijzen weer op de (mogelijke) onverenigbaarheid van het heilige met de geslachtelijke lichamelijkheid. Al deze regels vallen niet voldoende te verklaren door de wens tot grotere inzet van de celibataire priesters voor hun gelovigen, vergeleken met gehuwden, die ook de zorg voor hun gezin hebben. Er zit meer achter, en dat heeft betrekking op de sexualiteit, die in heel wat gevallen regelmatig tot enige zondeschuld kan leiden, ergo, niet als heilig kan worden aangemerkt.
Verdere practische inzichten
51. De bisschop is, volgens eigen mededeling, dol op analogieën, op redeneringen van overeenkomst, waaruit hij dan conclusies trekt. Hij wil meer het hart van de jongeren aanspreken dan het hoofd, zoals hij zelf mededeelt, maar verwaarloost daarbij onzes inziens het verstand. De bisschop lijkt meer van moderne anthropologische theorieën opgeslorpt te hebben, dan van geopenbaarde waarheden.Waarbij hij dan wel de bestendige theologische waarheid hier en daar geweld aandoet. Het is duidelijk, dat bisschop De Jong de klassieke katholieke theologie van huwelijk en sexualiteit niet voldoende verkondigt.
52. In het voorwoord van het boek zegt de schrijver, dat zijn boek vooral wordt opgedragen aan universiteits- en HBO-studenten, en aan alle jongeren, die hij heeft leren kennen. Bij zijn werk als studentenmoderator en aalmoezenier heeft hij geconstateerd, zo schrijft hij, dat "als ik de waarden en de normen van de katholiekeKerk inzake sexualiteit aannemelijk wilde maken, één ingang vrijwel altijd succes had: de methode via het begrip van sacraliteit."
53. Dan schrijft hij nog: "Het is een hybride boekje [letterlijk: een kruisingsproduct] geworden. De hoofdinsteek is godsdienst-filosofisch [wijsgerig], maar geprobeerd is om ook theologische [godsdienstige], anthropologische [volkenkundige] en wetenschappelijke [bedoeld wordt psychologische en sociologische] argumenten te verweven in de tekst."
54. Helpt het boek van bisschop De Jong jongeren nu bij de vorming van hun katholiek geweten op sexueel terrein, en het leiden van een waarlijk katholiek leven ? Neen, niet echt ! Want de katholieke leer betreffende geloof en zeden is vastgelegd in de theologie, en niet in de filosofie, en al zeker niet in de moderne anthropologie of psychologie.
55. Het bewust en nadrukkelijk gebruiken van moderne filosofische, anthropologische en psychologische begrippen en het verschuiven van de bekende theologische begrippen naar het tweede plan, zal men niet aantreffen bij de grote kerkelijke leermeesters van de catechese. Immers het katholieke geloof is een openbaringsgeloof, wat berust op historische gebeurtenissen, welke men moet aangeven bij de catechese en de normale geloofsoverdracht als verantwoording van de over te brengen waarheden.
56. In het hoofdstuk over de Maagd Maria staat niet duidelijk, dat Maria niet belast was met de vlek van de erfzonde: Mácula originális non est in te. Dit is een zeer groot tekort. Dit punt mag in geen enkel waarlijk katholiek boek ontbreken. Trouwens, de erfzonde en de gevolgen daarvan komen in het gehele boek nauwelijks aan bod, en niet zoals het behoort, terwijl dit de verklaring is voor het bestaan van de boze begeerlijkheid. De reeks: Adam -> zondeval -> erfzonde -> boze begeerlijkheid=zondehaard -> begeerlijkheid van het vlees -> sexualiteit blijft in dit boek vrijwel geheel onderbelicht.
57. Bij de tips voor een goede relatie tussen de twee partijen in het huwelijk staat, dat men de ander gelukkig moet maken. Dit is te mager voor een katholieke bisschop. Het belangrijkste huwelijksdoel is de andere partij, en de kinderen, naar de hemel te voeren. Dat staat er niet.
58. Het boek telt 227 noten op 27 bladzijden, met vermeldingen van boeken en publicaties. Soms staan er wel tien of meer boeken per noot genoemd. Totaal kan het wel om tegen de duizend vermelde boeken en publicaties gaan. Het nut hiervan voor de bedoelde lezersschaar ontgaat ons, tenzij de schrijver wil bewijzen, dat hij een belezen man is. Voor een boek van deze soort lijkt een dergelijk groot notenapparaat weinig zinvol. Bovendien zijn er boeken bij die jonge en onervaren lezers, dat is onervaren in de klassieke katholieke theologie, beter niet kunnen lezen.
59. Feit is nog, dat de overgrote meerderheid van de vermelde boeken uit niet-zeer-katholieke hoek stamt. En die overgrote meerderheid dateert dan ook nog van nà 1960. Alsof er vóór 1960 geen degelijke moraaltheologie werd bedreven. Gelukkig zijn er ook enige verwijzingen naar Sint Thomas van Aquino, Sint Augustinus, Dietrich von Hildebrand, en de zalige Elisabeth. Er is een verwijzing naar de Heilige Maria Goretti, naar de bijbelgeleerde Ignace de la Potterie, en wonder boven wonder naar enige kerkvaderteksten.
60. Er zijn verwijzingen naar boeken over sexualiteit van Freud, Jung, McKinsey, en Masters & Johnson, welke in een studie over de katholieke opvatting der sexualiteit best gemist hadden kunnen worden. Die werken dragen geen katholieke inzichten aan. En de kerkvaders en de bekende pauselijke leringen en de oude theologen kan men in dit opzicht echt niet verbeteren met moderne psychologische en filosofische beweringen.
61. Er zijn verwijzingen naar teksten van de Pausen Paulus VI en Johannes-Paulus II, niet naar oudere Pausen. Er zijn verwijzingen naar teksten van Vaticánum II, niet naar oudere concilies. Het lijkt wel of de Kerk pas met het Tweede Vaticaans Concilie is begonnen, en daarvóór nooit iets over huwelijk of sexualteit heeft geleerd. Het Concilie van Trente, dat behartenswaardige dingen heeft gezegd over de erfzonde en de boze begeerlijkheid, wordt niet genoemd. De vaste en onfeilbare leer van dit Concilie over deze onderwerpen, welke toch de basis geeft van alle leringen over sexualiteit, ontbreekt in dit boek.
Een brief van de bisschop
62. Omdat wij fair willen zijn, en u als lezer zelf willen laten oordelen, geven wij hieronder een gedeelte weer van de brief van bisschop De Jong, geschreven als reactie op onze kritiek.
63. Begin citaat. « Hartelijk dank voor uw nogal stevige brief [met kritiek]. U hebt het boekje echter met een bepaalde kijk gelezen, waardoor u er blijkbaar nogal door onthutst bent. Als u inderdaad vindt, dat de taal van de klassieke handboeken de enige taal is waarin over seksualiteit geschreven kan worden, hebt u waarschijnlijk gelijk met uw kritiek. Maar ik ben die mening niet toegedaan. De taal van de jonge mensen van tegenwoordig, die voor het overgrote deel ongelovig zijn, en dus niet direct openstaan voor het zondebegrip, is anders. Via een meer filosofische en psychologische taal heb ik geprobeerd ze een gevoel te geven voor wat de Kerk vindt van huwelijk, gezin en seksualiteit. Daarna kunnen ze natuurlijk alles van de dieper gaande theologie lezen wat ze willen. »
64. « Ik heb me bovendien niet uitgesproken tegen de kerkelijke documenten en handboeken. Integendeel. Mijn leer is daar volkomen mee in overeenstemming. Ook zijn mijn opvattingen zeer compatibel met de door Johannes Paulus II ontwikkelde "Theologie van het lichaam", die overigens ook niet geschreven is in de taal van de klassieke handboeken... Als u het boekje goed gelezen hebt, zult u gemerkt hebben, dat alle opvattingen van de katholieke Kerk goed tot hun recht komen. Ik wijs b.v. expliciet pornografie, echtbreuk, buitenechtelijk geslachtsverkeer, voorbehoedsmiddelen, in vitro fertilisatie, embryonaal, etc. af. »
65. « De grootste reden van het misverstand is waarschijnlijk dat de term "heiligheid" door mij in een bredere zin is opgevat dan door u. Ik spreek op een filosofische manier, voortkomend uit de filosofie van de culturele antropologie; u vanuit een bepaald theologisch begrip. Beide vormen zijn geldig. Als filosoof mag men een andere taal gebruiken dan de theoloog, met name als men probeert te communiceren met mensen van deze tijd. Beide talen kunnen elkaar aanvullen. De waarheid die er onder ligt is echter één. »
66. « Overigens kan ik u wijzen op een tekst van het Tweede Vaticaans Concilie die heel duidelijk de heiligheid van het huwelijk en gezin stelt, terwijl we allen weten dat er niet veel echt heilige huwelijken zijn. » Einde citaat.
Verder commentaar
67. De bisschop spreekt wel over ‘onthutst zijn’ en over ‘een misverstand’, maar dat is onzin. Wij weten goed wat wij weten. Natuurlijk is het juist, dat de bisschop in het boek alle overtredingen van de bekende zedenleer en de Tien Geboden op het vlak van de sexualiteit afwijst en als zondig bestempelt. Wat orthopraxis betreft zijn de bisschop en wij het beslist wel eens. De verschillen van inzicht liggen in de overdracht van de orthodoxie, de geloofspunten, die aan de basis van die praktijk liggen.
68. De belangrijkste tekorten van het boek zijn onzes inziens dan ook:
● Het niet-katholieke en niet-normale gebruik, zowel in theologisch als in algemeen taalkundig opzicht (zoals het in de dikke Van Dale staat), van het woord 'heilig' en het begrip 'sacraal', wat de verwarring in theologisch opzicht slechts kan vergroten.
● Het redeneren vanuit een filosofische, anthropologische en psychologische basis, en niet vanuit de vaststaande katholieke theologie, terwijl de katholieke godsdienst over geloof en zeden gaat en niet over het hedendaagse ratjetoe van moderne filosofieën en anthropologische meningen.
● Het vermijden van het aandragen en uitleggen van een duidelijk zondebegrip, ook van sexuele zonden, welk begrip een grondpunt van de Openbaring is, en daarom niet vermeden mag worden.
● Het niet duidelijk verkondigen van vaststaande geloofswaarheden, maar zich plooien naar de onkunde van de onwetende jongeren.
69. De bisschop schrijft in zijn weerwoord, dat hij de vormen van aanpak, waar wij bezwaar tegen hebben, aanvaardbaar, ja, normaal, vindt, wat wij beslist niet met hem eens zijn. En wij zijn het niet eens met zijn aanpak van de verkondiging aan jongeren. De schrijver van deze kritiek heeft twintig jaar ervaring in het les geven aan hogeschoolstudenten en zijn ervaring is juist, dat concrete en heldere uitspraken het meest worden gewaardeerd. Wattige en onduidelijke taal worden door moderne jongeren niet gesmaakt.
70. Wij menen, dat de verkondiging, elke geloofsverkondiging, óók die aan onwetende jongeren, zeker door een bisschop, de volle geloofswaarheid moet geven, inclusief onplezierige termen zoals zonde, berouw en straf, in de juiste bestendige theologische taal, en niet een of ander flauw en verwaterd aftreksel in filosofische termen, waarbij men dan vermijdt om duidelijk en volledig over zonde, schuld en berouw te spreken.
71. Beide verkondigingsvormen kunnen dan 'wel geldig' zijn, zoals er in de brief van de bisschop staat, maar dan toch niet voor een katholieke priester of bisschop. Laat dat filosofisch gepraat dan maar aan de echte a-godsdienstige filosofen over.
72. En, hoe kunnen mensen een uitleg of een argumentatie begrijpen als het basisbegrip (heiligheid in katholieke zin) anders is dan gebruikelijk in de katholiek theologie ? Zoals gezegd: De Grote Van Dale geeft als eerste betekenis van 'heilig' de termen 'zondeloos' en 'zedelijk volmaakt', en de bisschop vervalst dit tot zoiets als 'met eerbied en respect'.
73. Daar komt bij, dat een katholieke bisschop is gehouden het katholieke geloof te verkondigen - fas et nefas, te pas en te onpas - dus katholieke theologie te bedrijven, en geen soms dubieuze filosofie of anthropologie te verkondigen.
74. Bij de door de bisschop gevolgde aanpak is de grond van zijn verkondiging niet zichtbaar gebaseerd op de Openbaring, noch op de vaststaande kerkelijke leer. Bisschop De Jong kan dan wel zeggen, en menen, dat dit wel zo is, maar voor zijn lezers van het boek blijkt dat niet.
75. De bisschop schrijft in zijn brief, dat jongeren heden geen zondebesef meer hebben, en hij ze daarop dus niet kan aanspreken. Je moet ze eerst gevoelig maken voor het goede en het mooie, en daarna pas kun je uitleggen wat zonde is, zo is zijn standpunt.
76. Dit is onzes inziens een drogreden. Elk mens kent de natuurwet, en dus weet men van nature wat zonde is. Het bestaan van een wet voor het menselijk handelen, die berust op de redelijke natuur van de mens, is als geloofsleer te beschouwen. Dit is een constant gegeven in de traditie en in de uitspraken van het gewone leergezag. Sint Paulus zegt ook in Rom2, 14-16 dat de heidenen van nature de werken der wet verrichten en aldus tonen, dat deze in hun hart staat gegerift.
77. Wij spreken hier over gewone jongeren, niet over geharde misdadigers, waarbij het geweten geheel gesmoord is. Normale jongeren weten heel goed wat (sexuele) zonden zijn, en men moet hun dat helder en duidelijk mededelen. De eerlijkheid vereist dat ook. Of zij het aanvaarden en er naar handelen is een tweede. Als de verkondiging tekort schiet, is men zelf als geloofsverkondiger schuldig.
78. Bovendien behoort het zondebegrip tot de Openbaring. Het is onzes inziens totaal onverantwoord dit zondebegrip uit de weg te gaan. Het is een basisbegrip, wat door een katholieke bisschop niet vermeden màg worden. En het is niet voldoende het begrip even te noemen om formeel in orde te zijn, en er daarna niets meer over mede te delen.
79. Over het zich plooien van de verkondiging van de bisschop naar de onkunde van de jongeren kan men nog toevoegen, dat zulks in geen enkel leervak mogelijk blijft. Neem als voorbeeld het wiskunde-onderricht. De leraar kan eenvoudig beginnen met kindertaal te gebruiken, maar hij kan dat niet blijven doen. Op zeker moment moet hij toch de juiste terminologie en de ware concepten en stellingen van de wiskunde invoeren. Hij mag dat langzamerhand doen, hij kan het niet achterwege laten, wil hij de leerlingen met die wiskunde ook iets laten doen.
80. En dan, vage concepten zeggen vaak weinig, en ze zijn gevaarlijk, omdat de vlag de lading niet dekt. En als men de stellingen en de wetten niet kent is het allemaal vergeefse moeite omdat de kennis onbruikbaar blijft. In de wiskunde is zulk een handelen dodelijk, en in de theologie ook. Immers het Nederlands is een oude cultuurtaal en het vak theologie kent een oude degelijke vaktaal. Men moet die gebruiken bij de geloofsoverdracht. Vermijdt men die begrippen en definities dan verbreekt men de continuïteit in de geloofsoverdracht tussen de generaties. Overigens: De Tien Geboden spreken evenmin in vage filosofische concepten over goed en kwaad. Zij zijn zeer practisch en concreet, juist zoals de Heilige Schrift over dit alles is.
Slotwoord
81. Nogmaals, er staan ook heel wat goede punten in het boek van de bisschop. Maar die goede elementen wegen niet op tegen de nadelen, de onvolledigheden en de dwalingen. De goede wil van de bisschop wordt niet in vraag gesteld. Wij hebben veel respect voor de acties van de bisschop om misdaden als abortus en euthanasie aan de kaak te stellen. Wij wijten zijn onorthodoxe aanpak eerder aan het volgen van moderne theologische theorieën, die botsen met de klassieke theologie.
82. Een kritische bespreking van een boek gaat nu eenmaal vooral over de bezwaren, die er tegen te opperen zijn. Daarom moeten wij het boek als niet geslaagd beschouwen, ondanks de goede wil en de beste bedoelingen van de bisschop, waarvan wij overtuigd zijn. Jammer, maar de theologische realiteit is niet anders.
83. Nog twee punten. De titel van het boek van bisschop de Jong bevat de zin: “En God zag dat het heel goed was.” Deze titel is bedriegelijk, omdat deze uitspraak van de Schepper-God betrekking heeft op de toestand in het Aards Paradijs, dat is dus vóór de zondeval, dat is vóór het bestaan van de (boze) begeerlijkheid. De titel suggereert nu, dat dit ‘heel goed’ zijn ook kan slaan op de tegenwoordige toestand, hetgeen onjuist is.
84. Het boek van de bisschop werd uitgegeven door Uitgeverij De Boog. Deze uitgeverij werkt - voor zover ons bekend - onder verantwoordelijkheid van de prelatuur Opus Dei. Wij meenden, dat Opus Dei trouw was aan de vaste kerkelijk leer, en die leer verkondigde. Hoe kan men dan dit boek, wat de bestendige theologie niet geeft, uitgeven ? Of is Opus Dei niet zo vast in de leer, als wij meenden ?
Naschrift: Het Personalisme
85. Het lijkt er op, dat de wijze van aanpak en de verkondiging in het boek van de bisschop werden beinvloed door een zekere vorm van het personalisme, een psychologisch-theologische theorie, welke vooral nà Vaticánum II opgang heeft gemaakt. Ook de Theologie van het Lichaam van Paus Johannes-Paulus II wordt door een sterke en moderne vorm van het personalisme gekenmerkt. Op dat specifieke personalisme - het holistisch personalisme - is veel kritiek gekomen van de traditionele katholieke theologen.
86. De verklaring van Vaticánum II over godsdienstvrijheid en positieve religieuze tolerantie - Dignitátis Humánae (1965) - is gebaseerd op dit holistische personalisme. Het vertrekpunt is niet meer de epistemologische stelling van de énige waarheid, dat wil zeggen van het katholieke christendom als énige ware godsdienst, maar de ethische stelling van het onvervreemdbaar recht op de vrijheid van het eigen gewten, dat wil zeggen de vrijheid om eigen overtuigingen te volgen en te uiten, met als enige grens, dat anderen er niet door mogen worden geschaad.
87. Holistisch heeft betrekking op de primaire waarde van een geheel of een totaliteit. Personalisme is de opvatting of gedachtenstroming welke de nadruk legt op de waardigheid van de menselijke persoonlijkheid. De mens wordt als persoon in het middelpunt gesteld. Epistemologie is kennisleer en epistemologisch slaat op de kennistheoretische aspecten. Ethiek is de leer van de zedenkundige begrippen en gedragingen, ook zedenkunde. In deze theologie is het niet meer de vaststaande en enige ware leer van de katholieke Kerk over geloof en zeden, welke het vertrekpunt is, want dat is de waardigheid van de menselijke persoon, en de vrijheid van het menselijke geweten, dat niet gedwongen mag worden.
88. Sommige theologen hebben ook een integrale (algehele) personalistische huwelijksethiek ontwikkeld. Gewoonlijk berust die op een herinterpretatie (een opnieuw uitleggen) van het traditionele denken omtrent de natuurwet. Het begrip van de natuurwet wordt dan vervangen door het persoonsbegrip. De klassieke benadering van het menselijk handelen wordt daarbij verbonden met het hedendaags fenomenologisch persoonsbegrip. De fenomenologie is een filosofische en geesteswetenschappelijke richting, die de verschijnselen alleen als zodanig beschouwt, als verschijningsvormen, en die nagaat wat die ons te zeggen hebben op grond van hun innerlijke gestalte, niet van hun oorsprong en historie.
89. Het huwelijk wordt in die personalistische theologie dan beschouwd als een liefdes- en levensgemeenschap. De klassieke dubbele doeleindenleer, die de procreatie (voortplanting) tot eerste doel van het huwelijk maakt en het relationeel aspect secundair acht, wordt verlaten. Het relationele krijgt de centrale plaats, en wordt begrepen als een verbond, dat ook de sexualiteit integreert als wezenlijk voor het huwelijksleven. In de traditionele leer wordt de sexualiteit vooral geassociëerd met de voortplanting, terwijl in de personalistische benadering erotiek en sexualiteit als realisatie en uitdrukking van het verbondsleven worden gezien, als een soort ‘cultuur van de echtelijke liefde’. Dan komt eveneens het begrip van de zelfgave te voorschijn, waaronder ook te verstaan is de zogenaamde zelfgave in en tijdens de geslechtsgemeenschap.
90. Vanuit deze nieuwe theologische visie op het huwelijk komt de vruchtbaarheid ter sprake. Zo ontstaat het concept van verantwoord ouderschap. Een principïële edelmoedige openheid ten opzichte van te ontvangen kinderen moet blijven bestaan, maar of het reëel verantwoord is kinderen te verwekken, en zo ja, wanneer en hoeveel en welk aantal, dat wordt een gewetensvolle beslissing van het ouderpaar. In het holistisch personalisme krijgt de ethiek zelf een pastorale dynamiek.
91. Het traditioneel onderscheid tussen objectief en subjectief als algemeen methodologisch interpretatieprincipe van het menselijk gedrag is bestendige klasieke leer Op het vlak van de leer huldigt men een duidelijk deductief standpunt omtrent de objectieve morele orde. Wie de morele wet niet volgt, leeft gewoonlijk in zware zonde, dat is klaar en helder. Subjectief hanteert men echter niet dezelfde gestrengeid en men houdt er rekening mede, dat bepaalde psycho-sociale en affectieve factoren het gedrag van een bepaalde mens zo kunnen conditioneren, dat hun vermogen om vrij en verantwoordlijk te handelen, gedeeltelijk of geheel kan zijn aangetast.
92. Anders gezegd: de zonde die objectief zeer zwaar kan zijn, kan in een bepaald geval, bij een zekere mens, subjectief dus, minder zwaar door God worden aangerekend omdat de wil niet geheel vrij was en het verstand niet zuiver kon redeneren. Dit voert dan tot deculpabilisering - verontschuldiging - op subjectief vlak, zonder dat daarmede iets wordt afgedaan aan aan het objectief karakter van het kwaad en de overtreding van de wet. Bij de beoordeling van de zondigheid van de daad spelen altijd verzachtende omstandigheden en verontschuldigende subjectieve factoren een rol. Een mogelijke infantilisering (verkleutering) wordt als een onvermijdelijk risico aanvaard.
93. In het holistisch personalisme wordt deze klassieke methodologische basisregel verlaten om afwijkend gedrag van de kerkelijke leer te begrijpen en te verklaren. En zo enigszins aanvaardbaar te maken. Een mogelijke keuze van geboortenregeling, die niet overeenkomt met het standpunt van de Kerk, wordt in de klassieke leer herleid tot een ethisch minderwaardig gedrag, terwijl het goed mogelijk is, dat de beide personen hun keuze weloverwogen en gewetensvol hebben genomen. Het wordt dan als een vorm van medelijden beschouwd, omdat de personen omwille van hun ongunstige levensomstandigheden en mogelijk beperkte subjectieve vermogens verontschuldigd zouden moeten worden. Volgens de personalistische opvatting verdienen de personen echter het volste respect, omdat zij als volwassen morele subjecten een volwaardige ethische keuze hebben gemaakt, ook als deze afwijkt van het vaste kerkelijke standpunt.
94. Het holistisch personalisme leidt er toe, dat de mens, de persoon, in wezen uitmaakt wat goed en fout is, wat zondig is of niet, in zijn of haar geval voor die zekere daad of handeling. In de praktijk wordt alle objectiviteit aan de gewetensbeslissingen ontnomen. Het vaste idee van de natuurwet wordt totaal ondergraven. Vanzelfsprekend moet alles zorgvuldig en weloverwogen gebeuren, maar dat zijn uiterst rekbare begrippen, en al spoedig zal de persoon in de verleiding komen om de afkeuringswaardigheid van de voorziene daad op te rekken en te vergoelijken. In feite introduceert de personalistische theoloog een nieuwe absolute geloofsregel betreffende de waardigheid van de persoon, welke regel geheel in tegenspraak is met de oude klassieke theologie. Het subject bepaalt in feite zelf wat goed en fout is in zijn bijzondere geval. Dit betekent het einde van elke klassieke moraaltheologie.