BEKNOPT OVERZICHT VAN DE GODDELIJKE OPENBARING

Datum: 
Din, 2011-12-27

BEKNOPT OVERZICHT VAN DE GODDELIJKE OPENBARING

1. ART11122707 - Versie 27-12-2011 - Overgenomen uit de grote Catechismus van de Heilige Paus Pius X, voor het eerst gepubliceerd in het Italiaans in 1912, later uitgebracht in een Franse vertaling, en als nadruk in het Frans uitgegeven door de Courier de Rome in 2010. De Nederlandse vertaling is gemaakt naar het Frans, en werd aanzienlijk uitgebreid en aangepast aan de hedendaagse omstandigheden door Jan A. A. van der Wulp.

De Schepping van de wereld en de mensheid
2. In den beginne bestond er alleen God en buiten Hem bestond er niets. Oneindig volmaakt en gelukkig in zichzelf, had Hij, de alzuivere geest, niemand anders nodig. Echter uit echte goedheid en welwillendheid wilde Hij graag SCHEPPEN, dat wil zeggen, wezens te voorschijn brengen uit het niets. Hij wilde, en ogenblikkelijk bestonden de hemel, de aarde, en al de zichtbare en de onzichtbare dingen. God schiep de Engelen, zuivere geesten, die met Hem in de hemel woonden, en Hem hun gehoorzaamheid moesten betuigen. Een gedeelte van hen wilde dit niet. God verwijderde die ongehoorzame geesten daarop uit de hemel en verwees hen naar de hel, die nu de woonplaats werd van deze boze geesten, de duivelen, met als opperhoofd Lucifer of Satan.

3. De schepselen werden voortgebracht de een na de ander in een wonderbaarlijke volgorde: Het licht, het uitspansel en de sterren, de aarde en de zee, de planten en de dieren, en tenslotte alsof deze de bekroning van de schepping was, de mens. Die mens werd geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God. Want in zijn lichaam, gemaakt van het leem van de aarde, blies de Schepper een onsterfelijke geest, en Hij verhief deze geest, genaamd de ziel, door de genade tot een bovennatuurlijke staat, en Hij gaf de mens als levensdoel te wandelen met God ten eeuwigen dage.

4. Aan die eerste man-mens, welke God Adam noemde, gaf Hij een gezellin, genaamd Eva, de eerste vrouw. Hij vormde die, op mysterieuze wijze, uit de zijde van Adam.

De val van de mens en de belofte van een Verlosser
5. De mens was aangesteld tot koning van de natuur en geplaatst in een Tuin vol heerlijkheden, het Aards Paradijs, waar hij van alles kon genieten. Maar, opdat hij het zelfstandige koninklijke domein van zijn Schepper zou erkennen, had God hem verboden te proeven van de vruchten van de boom, genaamd “boom van de kennis van goed en kwaad.” Tot het goede behoorden de gehoorzaamheid aan God en Zijn genade. Tot het kwade behoorden de ongehoorzaamheid en het verlies van de gaven, waarop hij - de mens - op grond van zijn wezen geen recht had, maar waarmede God hem wel had verrijkt.

6. De mens dierf echter in verzet te komen. Eva, verleid door de duivel, vermomd in de gedaante van een slang, die zij eerder geloofde dan God, en Adam, eerder om Eva een genoegen te doen, werden ongehoorzaam. Dus, door hun persoonlijke fouten, en volgens de straf waarmede zij waren bedreigd, werd aan henzelf, en aan al hun nakomelingen, de genade, om voor eeuwig met God te verkeren, ontnomen, plus alle andere gaven, die de zwakheden en de onvolmaaktheden van de menselijke natuur overtroffen. Zo kwam het, dat zij, dwazen, zichzelf tot slaven van de duivel maakten, onderhevig werden aan allerlei hartstochten, aan ellende, en aan de dood, en ons allen bloot stelden aan het voor eeuwigheid te kunnen verloren gaan. Dit noemt men de ERFZONDE, in feite een misvorming van de menselijke natuur, welke alle mensen meedragen.

7. God echter, die hun de vele heerlijkheden van het Paradijs had ontnomen, en hun wel had moeten veroordelen tot zware lichamelijke arbeid, tot pijnen en ellende, en tot de dood van het lichaam, nam niet de hoop van hen weg, de hoop, om hun ziel te kunnen redden. Hij kondigde hun zelfs aan, dat Hij de tirannieke en boze macht van de duivel zou doen vernietigen door de MESSIAS of de CHRISTUS, die zou komen in de volheid der tijden. Door die hoop, en door het geloof in de Messias en diens leringen, zou de mens weer tot leven kunnen komen, indien hij, en zij, maar de zedelijke wet, die in zijn, en haar, hart was gegrift, zou volgen.

Verwording en de Zondvloed - Het uitverkoren Volk
8. Maar zó ging het niet. Te beginnen met Kaïn, Adam’s zoon, die uit afgunst zijn broeder Abel doodsloeg, werden de zonden der mensen steeds talrijker en namen toe met de groei van het aantal mensen, en tenslotte was geheel het menselijk geslacht totaal verworden. Daarom zond God na enige eeuwen de ZONDVLOED over de aarde. Allen kwamen om door deze vreselijke kastijding, behalve Noach (Noë), die rechtvaardig was, tesamen met zijn gezin en dienstknechten. God redde Noach en zijn familie in de Ark, een groot vaartuig, hetwelk Noach in opdracht van God met die bedoeling moest bouwen. Noach droeg na hun redding aan God een offer van dank op.

9. De verschillende volken, die voortkwamen uit Sem, Cham, en Jafet, de zonen van Noach, werden eveneens bezoedeld door de zonden. Naarmate de tijd verstreek, vergaten zij de ene ware God en begonnen zij zeer zware zonden te begaan, te weten, zij aanbaden in Gods plaats valse godheden en ook schepselen. Daarom koos God onder de kleine groep van afstammelingen van Sem, die trouw waren gebleven, de Chaldeeër Abram uit, later genaamd Abraham.

10. God riep hem op te vertrekken uit zijn vaderland, en beloofde hem, dat, indien hij zelf en zijn nakomelingen het ware geloof en de ware godsdienst zouden bewaren, Hij hun God zou zijn, hun op wonderbaarlijke wijze zou doen aangroeien, en hun meester zou doen zijn over het land Kanaän, of Palestina, en dat Hij in Abraham’s nakomelingsschap alle volken zou zegenen. Diezelfde belofte werd door God herhaald tegenover Izaak, de zoon van Abraham, en tegenover Jacob, ook Israël genaamd, de tweede zoon van Izaak.

11. Aldus werd de stam van Abraham en Israel, dat wil zeggen het uitverkoren volk der Hebreeën, het uitverkoren volk van God om het geloof en de ware godsdienst te bewaren, en de belofte van de Verlosser over te dragen aan de volgende generaties.

Slavernij in Egypte - Bevrijding door Mozes
12. Jacob stierf in Egypte, alwaar hij, met de zijnen heen was gegaan tijdens een grote hongersnood, om bij Jozef te zijn, zijn zoon, die de vaderlijke voorkeur had. De broeders van deze Jozef waren afgunstig op die voorkeur van de vader, en hadden Jozef als slaaf verkocht. Echter de Farao, de koning van dat land, had hem verheven tot de hoogste rang van dat koninkrijk, op grond van Jozef’s profetische geest, zijn trouw, en zijn vooruitziende blik.

13. Zodoende groeide het getal der Hebreeën steeds aan en hun rijkdom en welvaart werden zo groot, dat na enige eeuwen, een wrede Farao, die jaloers was op hun macht, probeerde hen uit te roeien door hen onderhevig te maken aan zeer zware dienstbaarheden, en hen te veroordelen om al hun mannelijke kindertjes in de wateren van de Nijl te werpen.

14. Maar God kwam tussenbeide ten voordele van Zijn volk. Mozes, de toekomstige vrijheidsheld, werd gered uit het water en werd opgevoed aan het hof door de dochter van de Farao. Het geschiedde, dat God door hem - Mozes - later beval aan de Farao om het Hebreeuwse volk te laten vertrekken. Omdat de koning dit weigerde, werd zijn koninkrijk achtereenvolgens getroffen door tien vreselijke plagen, genaamd de plagen van Egypte. De laatste van deze plagen omvatte het ter dood brengen van alle oudste zoons van de Egyptenaren. Dat werd gedaan in één nacht door een Engel, die slechts de huizen van de Hebreeën spaarde, die, volgens Gods opdracht, gemerkt waren met het bloed van een geslachtofferd lam.

15. Tenslotte gaf de koning toe, en Mozes vertrok terstond met het Hebreeuwse volk, en doorkruiste de Rode Zee, die zich wonderbaarlijk opende voor de Hebreeën om hun doorgang te verlenen. De Egyptenaren, die spijt hadden gekregen, dat zij de Hebreeën hadden laten gaan, zetten de achtervolging in, en ook zij wilden gebruik maken van de wonderbaarlijke doorgang door de Rode Zee. Maar de wateren sloten zich weer en allen verdronken.

16. Deze grote doortocht, ook wel Pascha genoemd, was zodoende volbracht, en de herinnering aan deze wonderbaarlijke ontsnapping zal vervolgens door de Hebreeën telkenjare worden gevierd als een allerplechtigst feest, totdat het Pasen van Jezus-Christus plaats had. Waardoor de ganse mensheid werd verlost van de slavernij van de zonde, oneindig veel erger dan de slavernij van het oude Hebreeuwse volk in Egypte.

De Hebreeën in de woestijn-De Wet-Het Beloofde Land
17. Het Hebreeuwse volk werd door de woestijn geleid. God gaf hun, onder een majesteitelijk schouwspel van bliksemflitsen en donderslagen, door bemiddeling van Mozes op de berg Sinaï, de morele (zedelijke) wet, genaamd de DECALOOG of de TIEN GEBODEN, gegrift in twee stenenen tafelen. Deze Tien Geboden staan eveneens in het hart van elke mens gegrift. Hij gaf hun ook nog andere wetten, rituele en sociale wetten, waardoor het volk zich moest laten regeren tot aan de komst van de Messias, tenminste, indien het volk de vervulling van de goddelijke beloften wilde verkrijgen, en gelukkig zou zijn in haar ondernemingen.

18. Zo kwam het OUDE TESTAMENT tot stand, het Verbond tussen God en Zijn uitverkoren volk. Het werd de Wet genoemd, de Oude Wet, de MOZAÏSCHE WET, en het diende er voor, door zijn minutieuse strengheid, om de Wet en de cultuur van het geloof in de ene, ware God te verzekeren. Verder moest aldus het NIEUWE TESTAMENT worden voorbereid, dat wil zeggen, de Nieuwe Wet in Jezus Christus, die oneindig boven de Oude Wet is verheven. Zo werden de grondslag en de grondwet van de Hebreeuwse natie gevestigd door Mozes.

19. De Hebreeën, echter, ondanks het Verbond, waarmede God hun eer had bewezen, ondanks de wonderbaarlijke wijze waarop zij gedurende zo vele jaren werden gevoed in de woestijn, ondanks het manna (voedsel) wat dagelijks als een zachte regen uit de hemel neerdaalde, ondanks het stromende water, wat door de staf van Mozes uit de rots werd geslagen, veroorzaakten door hun zonden een vertraging van het binnengaan in het hun beloofde land. Mozes zelf stierf op de grens van het beloofde land, en wees als opvolger Jozuë aan, die, tenslotte, na de trektocht van veertig jaar door de woestijn, Palestina veroverde, en het land verdeelde onder de twaalf stammen, die waren voortgekomen uit de twaalf zoons van Jacob.

Rechters-Koningen-David-Salomon-de Tempel-Juda
20. Na Josuë werd het volk geregeerd door Rechters, opgewekt door God als er zich een of andere ernstige noodzaak voordeed. Vervolgens regeerden er koningen, waarvan Saul de eerste was, die echter later door God werd afgezet en werd vervangen door de grote en trouwe koning David, van de stam van Juda. In de familie van deze laatste werd het koningschap erfelijk en uit die stam werd tenslotte de Messias geboren, waarvan de regering nooit een einde zal nemen.

21. Salomon, de zoon van David, zeer wijs, en zeer gelukkig in zijn ondernemingen, bouwde in Jeruzalem voor de Heer-God een prachtige Tempel, maar op zijn oude dag verviel hij tot wellust en afgoderij. Als gevolg van zijn misdaden en vooral door de onredelijke hardheid van zijn zoon en opvolger Roboam, werden tien van de twaalf stammen losgescheurd van het Huis van David, en vormden onder Jeroboam, de leider van de opstand, het koninkrijk Israël. Ook dat koninkrijk verviel weldra tot afgoderij, werd door God gestraft en vernietigd door de Assyriërs.

22. Helaas, de twee stammen Juda en Benjamin, die trouw waren gebleven aan de afstammelingen van David, en die het koninrijk Juda vormden, ook zij, vervielen dikwijls tot afgoderij, ondanks de vermaningen en terechtwijzigingen van de Profeten, en dat vooral onder de regering van enkele schurken, zoals Achaz en Manasse. Daarom kwam dan ook Nabuchodonosor (Nebuchadnesar), de koning van Babylon, met een groot leger, belegerde Jeruzalem, verwoestte de stad met de Tempel, en leidde de koning en het volk weg in slavernij.

De Babylonische gevangenschap-Terugtocht-Profeten
23. Door de beproevingen van de Babylonische gevangenschap, en als gevolg van de waarschuwende en troostgevende woorden van de Profeten, bekeerde het volk zich. Het geloof in de ene ware God en het vertrouwen in de komst van de Messias, waardoor Israël weer tot leven zou worden opgewekt, leefden weer op.

24. Toen, echter, na zeventig jaren, stond Cyrus, koning der Persen, die heerser was over Babylon, toe aan de Joden naar hun vaderland terug te keren, juist zo als het was voorzegd door Isaïas (Jesaja). Met grote ijver, onder Zorobabel en Nehemias, herbouwden zij Jeruzalem, te beginnen met de Tempel. Deze Tempel, hoewel deze niet meer de pracht van de oude Tempel vertoonde, werd niettemin op zekere dag vereerd met het verwachte bezoek van de Dominátor (Heerser) en de Engel van het Nieuwe Testament. De openbare eredienst van Jahweh-God werd hersteld, de Mozaïsche Wet werd weer nageleefd, vooral door de zorgen van Esdras, die de Wet deed voorlezen en uitleggen aan gans het verzamelde volk.

25. In de daaropvolgende eeuwen, ondanks de toenemende decadentie van de machthebbers, door de vrijheid, die de natie genoot, en ondanks de verwording van grote aantallen mensen, verminderden de ijver voor de Wet en de verwachting van de Verlosser niet, maar namen steeds toe, vooral aangemoedigd door het bekend worden van meer bijzonderheden over de persoon en de onderscheiden eigenschappen van de Verlosser. De Profeten hadden immers achtereenvolgens voorzeggingen gedaan over minutieuze bijzonderheden van Zijn komst en Zijn leven, van Zijn lijden, van Zijn heerlijkheid, Zijn eeuwigdurend koningschap, zo goed en volledig, dat sommige lieden deze voorspellingen op zichzelf toepasten en zich durfden aan te bieden als de Messias. Tenslotte, echter, verscheen Jezus van Nazareth, in wie alle profetieën werden vervuld, en door wie alle voorzeggingen werden gerealiseerd.

Jezus Christus: Leven, Leer, Dood, en Verrijzenis
26. Jezus werd geboren in Bethlehem uit de Maagd Maria, die was gegeven aan Jozef, uit het Huis van David. Zoals de Aartsengel Gabriël het haar had aangekondigd, daalde de Heilige Geest over haar neer, en zonder het verlies van haar maagdelijkheid werd zij de Moeder van het Goddelijk Woord, dat in haar mens werd (INCARNATIE). Om de Zoon Gods te kunnen ontvangen heeft God Maria gevrijwaard van de erfzonde en de gevolgen daarvan, al reeds vanaf haar eigen conceptie. Daarom heet zij de ONBEVLEKTE ONTVANGENIS.

27. Het kind van Maria werd volgens de Wet besneden, en werd Jezus genoemd, welke naam betekent: “Hij, die redt.” Om zich te onttrekken aan de vervolgingen van Koning Herodes, moest de Heilige Familie vluchten naar Egypte. Teruggekomen uit Egypte leefde Jezus te Nazareth, in nederige gehoorzaamheid aan Zijn Moeder Maria en Zijn Voedstervader Jozef, steeds groeiend voor zijn leeftijd in wijsheid, en groeiend in genade en welgevallen bij God en de mensen. Rond de leeftijd van dertig jaar ontving Hij door de handen van Sint Jan de Doper een Doopsel, dat Hem als Zoon van de Allerhoogste bekend maakt, terwijl dit Doopsel van Sint Jan bij het volk er een was van boetedoening voor de zonden. Jezus, echter, die de God-mens is, was in alles aan de mens gelijk, BEHALVE in de zonde, en behoefde dus geen Doopsel van boetedoening.

28. Vervolgens begon Hij het Evangelie, dat het goede nieuws wordt genoemd, te preken in Judea en Galilea, omdat het betrof het goede nieuws van de vergeving der zonden en het eeuwige leven voor diegenen, die in Hem geloven, en die Zijn leringen en aanwijzingen navolgen. Hij bevestigde Zijn goddelijke zending en Zijn leer door het doen van vele opvallende WONDEREN en het geven van velerlei VOORZEGGINGEN, die alle altijd uitkwamen.

29. Velen geloofden in Hem. Daaronder bevonden zich de twaalf mannen, die Hij Zijn Apostelen (zendelingen) noemde, en die door Hem werden gekozen om Zijn Kerk te vestigen en van wie Hij Petrus aanstelde als Hoofd en Chef. Echter, de valse haat van de Hogepriesters, de Farizeeën en de Schriftgeleerden ontketende zich tegen Hem, jaloers als deze mannen waren op Zijn macht, en gekwetst als zij waren door Zijn verwijten, verwijten, die Hij hun toevoegde op grond van hun dwalingen en hun schijnheiligheid.

30. Deze haat leidde er toe, dat Hij, na een proces, ongeldig volgens de heersende Joodse rechtsregels, ter dood werd veroordeeld door het SANHEDRIN, het opperste gerechtshof van het land. Hij was de verwachte en gekomen Verlosser en Messias, die immers door Zijn wonderen en Zijn uitgekomen profetieën had bewezen, dat Zijn aanspraken gerechtvaardigd waren. Men gaf zelfs de voorkeur aan de vrijlating van de rover Barabas, toen de Romeinse landvoogd Póntius Pilátus probeerde Hem - Jezus - gratie te verlenen bij gelegenheid van het Joodse Pascha om Hem zodoende van de dood te redden.

31. Na de meest wrede martelingen te hebben ondergaan, werd Jezus gekruisigd op de berg Calvarië, niet ver van Jeruzalem, tussen twee gekruisigde misdadigers. Hij vervulde op het Kruis de Verlossing van de zonden der mensheid, en Hij bracht door Zijn eigen lijden voldoening aan de Hemelse Vader. Hij stierf, terwijl Hij Zijn vijanden en Zijn beulen vergaf en voor hen bad, terwijl deze lieden niet ophielden Hem te beschimpen en te beledigen. Aldus kwam er een EINDE aan het OUDE TESTAMENT, het Oude Verbond met het ondankbare volk, dat Hem had verworpen, en dat de God-Verlosser ter dood had gebracht, waarna Hij het NIEUWE EN EEUWIGDURENDE TESTAMENT IN ZIJN BLOED sloot met Zijn trouwe leerlingen, Zijn discipelen en Zijn Apostelen, met Zijn Kerk.

32. Zijn Lichaam werd in het graf gelegd. Zijn Heilige Ziel daalde na Zijn afsterven af naar de onderwereld, naar het Limbo, naar het Voorgeborchte, om de zielen van de rechtvaardigen te bevrijden, die zielen, die aldaar wachtten op het tijdstip van de Verlossing. Op de Derde Dag verrees Hij uit eigen kracht uit de doden, juist zoals Hij het meerdere malen had aangekondigd en gezegd en nam een verheerlijkt Lichaam aan.

33. Vervolgens verscheen Hij aan Zijn Moeder Maria en aan de vrome vrouwen, aan Petrus, aan de twee leerlingen op de weg naar Emmaüs, en aan de andere, nog ongelovige, Apostelen, die bij het zien van Zijn verheerlijkte wonden, niet meer twijfelden aan Zijn Verrijzenis.

34. Tenslotte, na hun te hebben onderricht over het Koninkrijk van God, en hun de missie te hebben gegeven het geloof te verkondigen, en alle volkeren te dopen, en tevens hun de macht te hebben geschonken de persoonlijke zonden te vergeven of te behouden, beloofde Hij hun de Heilige Geest te zenden, en tot het einde van de tijden bij hen te blijven en hen bij te staan. Op de veertigste dag steeg Hij, in aanwezigheid van talrijke van Zijn discipelen, op ten hemel, waar Hij nu gezeten is aan de rechterhand van God de Vader, na alle macht in de hemel en over de aarde te hebben ontvangen.

De Nederdaling van de H. Geest-De Katholieke Kerk
35. Tien dagen later, op Pinksteren, daalde de Heilige Geest, zoals beloofd door Jezus Christus, zichtbaar neer op de Apostelen, en op de pas geboren Kerk, om zich er nooit meer van terug te trekken. Het KONINKRIJK GODS werd vanaf toen bevestigd en tot volmaaktheid gebracht door de Kerk, haar verkondigers (de Apostelen), haar oudsten en verantwoordelijken, en verder door de geestelijke deugden van het Goddelijk Woord, eerst alleen maar gepreekt, later ook neergeschreven, en door de Sacramenten - waarvan het voornaamste Sacrament, de Eucharistie, de aanwezigheid van Jezus verzekert voor al de zijnen - en door de gaven van de Heilige Geest.

36. Zo begon de Kerk haar eigen leven te leiden, onafhankelijk van de Joodse Synagoge, en begon haar missie, haar zending, bestemd voor het heil in het milieu van de heidenen. Langzamerhand, en ondanks de bloedige vervolgingen van het machtige Romeinse Rijk, ontrukte zij een heel groot aantal zielen aan de valkuil van de afgoderij en de morele verwording, en veranderde hun in helden van het geloof, de zeden en de deugden.

37. De Joodse gemeenschap en het Joodse volk deden er niet lang over om door vijanden te worden verwoest in het jaar 70, inbegrepen de hoofdstad Jeruzalem en de Tempel, en de Joden werden verspreid over gans de aarde tot aan de Tijd van het Einde met de stichting van de staat Israël in 1948. De antieke wereld, met haar literaire, artistieke en wetenschappelijke verdiensten, verschrompelde ook, verteerd door haar ondeugden en onzedelijkheiden. Andere naties en volkeren en andere keizerrijken verdwenen in latere eeuwen op hun beurt eveneens.

38. Maar de Kerk met de christelijke beschaving bleef bestaan, en blijft bestaan, werkt voort, en poogt zich te doen horen voor het welzijn van de mensheid, ondanks zo veel gedegenereerde zonen, ondanks de allerellendigste verdeeldheden, die het Rijk Gods hebben verscheurd, en in het schisma hebben geworpen, ondanks de ketterijen van machtige naties, ondanks de allerhevigste aanval van de vijanden van de Bovennatuurlijke en Goddelijke Openbaring, ondanks de aanval op de christelijke moraal, en ondanks de aanval, ja, op zelfs het idee van de ene ware God. “De poorten der hel zullen haar - de Kerk - niet overweldigen.”

39. De goede christen, vertrouwend op deze goddelijke belofte,raakt niet verontrust, maar, verenigd met zijn Moeder, de Heilige Kerk, bidt hij, werkt hij, en lijdt hij, wachtend op de uiteindelijke verrijzenis, en op de heerlijke terugkomst van Jezus-Christus als de hoogste Rechter. Hijzelf heeft immers ons aangekondigd, dat de haat, de vervolgingen, de apostasie (geloofsafval), ons zullen blijven belagen, maar tegelijkertijd bemoedigt Hij ons door de volgende woorden: “Indien de wereld u haat, weet dan wel, dat zij Mij heeft gehaat vóór u. Indien zij Mij hebben vervolgd, zullen zij óók u vervolgen. Maar hebt vertrouwen, Ik heb de wereld overwonnen.”